GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 23/308 13 februari 2024 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben) tegen de uitspraak van 17 februari 2023 in de zaak met kenmerk HAA 21/6728 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Kennemerland Zuid, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [A-straat] 106a te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 naar waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 262.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 bekendgemaakt. 1.2. Bij uitspraak van 28 oktober 2021 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard. 1.4. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 april 2023. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Met instemming van partijen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij brief van 7 februari 2024 heeft het Hof partijen geïnformeerd dat het onderzoek is gesloten. 2 2. Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende en de heffingsambtenaar worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’): “1. Eiseres is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een twee-onder-één-kapwoning, gebouwd in 1900. De inhoud van de woning is 269 m³ en de oppervlakte van het perceel is 98 m².” 2.2. Het Hof gaat ook uit van de hiervoor vermelde feiten en vult deze als volgt aan. 2.3. In het bezwaarschrift van 27 februari 2021 heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht om het taxatieverslag en om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Zij schrijft: “(…) Ik verzoek u, conform voorgaande zin, van het onderhavige object alsmede van de gehanteerde referentiepanden, de grondstaffels, liggingsfactor, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum en de KOUDV-factoren te overleggen.” 2.4. Met dagtekening 1 maart 2021 heeft de heffingsambtenaar het taxatieverslag naar (de gemachtigde van) belanghebbende gestuurd en haar verder gewezen op het inzagerecht tijdens de bezwaarfase. 2.5. Belanghebbende heeft haar bezwaarschrift bij brief van 25 mei 2021 aangevuld. Daarin wordt het eerder gedane informatieverzoek herhaald. 2.6. Op 23 juli 2021 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. In het verslag van het horen is vermeld: “Tijdens de hoorzitting is het volgende aangevoerd: Het betreft uitsluitend [A-straat] 106a. Er is ook bezwaar gemaakt (en al gehoord) tegen [A-straat] 106 maar dat is niet juist. Dit bezwaar (…) zal worden ingetrokken. Er is overlast van de doorgaande weg ( [#] ) Er is onvoldoende rekening gehouden met de ligging in het buitengebied, de verkoopcijfers liggen totaal anders. Op mijn opmerking welk buitengebied, geeft gemachtigde aan dat hij bedoelt dat er sprake is van een ander dorp en dus een andere markt. Het waardevoorstel is € 245.000.” 2.7. Met dagtekening 28 oktober 2021 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan. Daarbij verwijst de heffingsambtenaar naar de bijlage bij de uitspraak op bezwaar: een ‘Taxatieadvies’. 2.8. Ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde heeft de heffingsambtenaar in de beroepsfase een ‘Waarderapport’ van taxateur [A] overgelegd, met een matrix en grondstaffels. 2.9. Bij zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de heffingsambtenaar een kopie van een akte van levering van grond meegestuurd. Hieruit blijkt dat op 9 april 2021 een perceel bouwgrond van 120 m² is verkocht voor € 341.708. De grond is gelegen aan de De [B-straat] in [Z] en bestemd voor nieuwbouwwoningen. 2.10. Belanghebbende heeft de woning in 2014/2015 gekocht van haar ouders die in de naburige woning [A-straat] 106 wonen. In een (tweede) bezwaarschrift dat belanghebbende zelf op 1 maart 2021 langs elektronische weg heeft ingediend, is een koopsom van € 200.000 vermeld. 2.11. Tot de gedingstukken behoort een Taxatierapport van taxateur [B] (waardepeildatum 26 augustus 2014). Daarin is onder meer vermeld: “Object (…) Toegepaste constructie (…) Buitenmuur: steen Binnenmuur: steen, bouwplaat” 3Geschil in hoger beroep Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist: “Informatievoorziening in de bezwaarfase 5. Eiseres stelt dat verweerder artikel 40 van de Wet WOZ heeft geschonden door ondanks een daartoe strekkend verzoek, de zogenoemde grondstaffel en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van de woning niet te verstrekken in de bezwaarfase. 6. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ volgt dat verweerder het taxatieverslag gedurende de bezwaarfase dient te overleggen, hetgeen is gebeurd. Verweerder heeft daarom voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ (vgl. Hof Amsterdam 22 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:499). Schending motiveringsbeginsel 7. De stelling van eiseres dat verweerder de uitspraak op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd, wordt niet door de rechtbank gevolgd. De bij het proces gevoegde standpunten die eiseres in bezwaar heeft aangevoerd zijn door verweerder in de uitspraak op bezwaar afdoende besproken. Dat het resultaat niet is zoals door eiseres is gewenst maakt niet dat sprake is van een onvoldoende motivering. De waarde van de woning 8. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 9. De rechtbank stelt vast dat verweerder de waarde van de woning heeft onderbouwd aan de hand van de vergelijkingsmethode. De rechtbank acht de referentieobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Daartoe overweegt zij dat het allemaal in gemeente [gemeente] gelegen twee-onder-één-kapwoningen zijn uit een nagenoeg gelijk bouwjaar (tussen 1900 en 1927) en waarvan de inhoud en perceelgrootte niet al te zeer afwijken van de woning. Eiseres heeft gesteld dat referentieobject [C-straat] (in [plaats] gelegen) geen goed referentieobject is, daar het object in een andere kern is gelegen. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er voldoende rekening is gehouden met de ligging in twee verschillende dorpen ( [Z] en [plaats] ) door twee verschillende grondstaffels aan te houden. Er zijn bovendien – zo heeft verweerder onweersproken naar voren gebracht – ook geen beter vergelijkbare referentieobjecten beschikbaar, zodat ook om die reden het referentieobject niet buiten beschouwing kan worden gelaten. Ter zake van het standpunt van eiseres dat de waarde van [A-straat] 91 meer dan 35% afwijkt dan de eindwaarde van de woning van eiseres, overweegt de rechtbank dat deze 35%-regel een richtlijn van de Waarderingskamer betreft, welke niet dwingend van toepassing is op de waardevaststelling van de woning. Hoewel het minder wenselijk is om een referentieobject te gebruiken waarvan de verkoopprijs meer dan 35% afwijkt van de WOZ-waarde van het te waarderen object, acht de rechtbank [A-straat] 91 wel voldoende vergelijkbaar met de woning. De verkoopprijzen van de referentieobjecten kunnen derhalve worden gebruikt ter onderbouwing van de waarde van de woning. Dat er verschillen zijn tussen de woning en de referentieobjecten maakt dit niet anders. Het gaat er om dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met die verschillen. 10. Dat laatste heeft verweerder gelet op de verschillen, zoals vermeld in de matrix, gedaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder met het verweerschrift en het daarbij overgelegde waarderapport een afdoende toelichting heeft gegeven op de vastgestelde waarde aan de hand van de voor de woning en de referentieobjecten gehanteerde kubieke- en vierkante meterprijzen. Het referentieobject [A-straat] 91 verschilt weliswaar in bouwjaar en grootte, maar verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat met deze verschillen – waaronder inhoud en perceeloppervlakte – voldoende rekening is gehouden. De referentieobjecten hoeven niet identiek te zijn om te dienen als referentieobject. Daartoe overweegt de rechtbank dat het referentieobject in dezelfde straat als de woning is gelegen. Verweerder heeft derhalve aannemelijk gemaakt dat voldoende rekening is gehouden met de verschillen in grootte van de opstal en van het perceel, ligging (zie hierboven), kwaliteit, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningenniveau in de staat van onderhoud alsmede met de aanwezigheid van bijgebouwen. 11. Eiseres voert aan dat door de kleine oppervlakte van de tuin – wat zo goed als geen achtertuin is – het perceel hierdoor niet optimaal bruikbaar is. Deze stelling brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel over door de taxateur vastgestelde doelmatigheid van de tuin en waarde van de woning. In de waardering en de matrix is rekening gehouden met de grootte van het perceel. De ter zitting besproken kadastrale kaart (op pagina 9 van het waarderapport) brengt de rechtbank niet tot andere inzichten. Hoewel het inderdaad een kleine tuin (een patio of ‘plaatsje’) betreft, ziet de rechtbank geen reden hieraan bovenop het voorgaande een afzonderlijk waardedrukkend effect toe te kennen. 12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat de woning geen spouwmuren heeft. De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog daar twee van drie referentieobjecten ( [D-straat] en [C-straat] ) evenmin spouwmuren hebben. Voor zover er een waardedrukkend effect uitgaat van het ontbreken van een spouwmuur, dan is dit verdisconteerd in de verkoopprijzen van deze objecten. 13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de vastgestelde waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de referentieobjecten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de in beroep overgelegde taxatie de waarde eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. 14. De rechtbank zal het beroep derhalve ongegrond verklaren. Proceskosten 15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” 5Beoordeling van het geschil in hoger beroep 5.1. Belanghebbende voert in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de heffingsambtenaar aangevoerde referentieobjecten kunnen dienen ter onderbouwing van de gezochte waarde. De referentieobjecten wijken daarvoor, gelet op waarde, ligging, bouwjaar, koopsom, inhoud en oppervlakte, te veel af van de woning. De rechtbank heeft dit miskend. De waarde is bovendien, ook als de referentieobjecten in aanmerking worden genomen, te hoog vastgesteld. Er dient een (extra) neerwaartse correctie van de waarde van de woning plaats te vinden voor de extreem kleine tuin, die in feite niet meer behelst dan een klein plaatsje. Bovendien heeft de woning, anders dan het referentieobject [A-straat] 91, geen spouwmuren. Daarmee is onvoldoende rekening gehouden. Ook heeft de heffingsambtenaar de aangevoerde grieven onvoldoende besproken in de uitspraak op bezwaar, waardoor hij het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Tot slot stelt belanghebbende dat artikel 40 Wet WOZ is geschonden. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase kon volstaan met enkel het verstrekken van het taxatieverslag. De heffingsambtenaar schaart zich achter het oordeel van de rechtbank. 5.2. Het Hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.