GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 23/65 5 maart 2024 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels) tegen de uitspraak van 9 december 2022 in de zaak met kenmerk AMS 22/780 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] , de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen met dagtekening 28 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaken aan de adressen [A-straat] 5-H en [A-straat] 5-1 te [plaats] (hierna: de woningen) voor het kalenderjaar 2021 naar waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op respectievelijk € 338.000 en € 295.000. In hetzelfde geschrift zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting 2021 bekendgemaakt. 1.2. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 28 januari 2022 heeft de heffingsambtenaar het tegen de hiervoor vermelde beschikkingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft als volgt op het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep beslist: “De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond, en - wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.” 1.4. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 januari 2023 en nader gemotiveerd bij brief van 14 februari 2023. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Met dagtekening 15 januari 2024 heeft belanghebbende een aanvullend stuk (zijn “pinpointbrief”) ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 1.7. Het Hof heeft overwogen om, in het licht van de telkens wisselende diametraal tegengestelde standpunten ten aanzien van de waarden (lager dan wel hoger dan beschikt) en de steeds wisselende verklaringen van de gemachtigde daarover, belanghebbende in persoon op te roepen teneinde daarover een nadere toelichting te geven en uit te kunnen sluiten dat in deze zaak sprake is van misbruik van procesrecht. Gelet op de gevorderde leeftijd van belanghebbende heeft het Hof daarvan afgezien en het onderzoek niet heropend. 2 2. Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woningen. [A-straat] 5-H is een benedenwoning uit 1907 met een tuin en een berging. Deze woning heeft een oppervlakte van 51 m2, de tuin heeft een oppervlakte van 40 m². [A-straat] 5-1 is een bovenwoning uit 1907 met een berging. Deze woning heeft een oppervlakte van 47 m². Beide woningen zijn verhuurd. 2.2. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarden in eerste aanleg ten aanzien van beide woningen een intern waarde-advies (waarvan een waardematrix deel uitmaakt) overgelegd. In deze waarde-adviezen en matrices zijn ter vergelijking gegevens van panden (hierna: de vergelijkingsobjecten) opgenomen die in dezelfde buurt als de woningen van belanghebbende liggen. 2.3. Ter zitting bij het Hof heeft de gemachtigde wisselend verklaard over de ingenomen standpunten. Na enig reflecteren heeft de gemachtigde bevestigd dat de in het loop van het geding ingenomen standpunten als volgt zijn samen te vatten: “in de bezwaarfase vond ik de waarden te hoog, tijdens het hoorgesprek nam ik het standpunt in dat de waarden niet te hoog waren, in het beroepschrift was mijn standpunt weer dat de waarden te hoog waren, ter zitting bij de rechtbank vond ik de waarden juist weer te laag en moesten de waarden omhoog en daarna luidt de nieuwe instructie dat de waarden naar beneden moeten.” 3Geschil in hoger beroep In hoger beroep is – nadat het standpunt van belanghebbende ter zitting van het Hof dienovereenkomstig is bijgesteld – in geschil of de heffingsambtenaar de waarde van de woningen te hoog heeft vastgesteld. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist (de heffingsambtenaar wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ’verweerder’): “Beroep op betalingsonmacht griffierecht 1. [X] heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan voor de betaling van het griffierecht. Dat beroep wordt afgewezen omdat het niet is onderbouwd, ook niet nadat [X] daartoe de gelegenheid is gegeven. [X] heeft (alsnog) het griffierecht in deze zaak betaald. Inhoudelijke beoordeling 2. [X] is eigenaar van beide woningen. [A-straat] 5-H is een benedenwoning uit 1907 met een tuin en een berging. De woning heeft een oppervlakte van 51 m2. De tuin heeft een oppervlakte van 40 m². [A-straat] 5-1 is een bovenwoning uit 1907 met een berging. Deze woning heeft een oppervlakte van 47 m². 3. Partijen zijn het niet eens over de WOZ-waarde van de woningen. De waardepeildatum is in dit geval 1 januari 2020. Bepalend is de staat waarin de woningen op die datum verkeren. [Hof: voetnoot rechtbank]. 4. De gemachtigde van [X] heeft voor het eerst ter zitting aangevoerd dat hij voor de woning een hogere WOZ-waarde voorstaat dan door de heffingsambtenaar is vastgesteld. Tijdens de hoorzitting in bezwaar op 24 november 2021 en 17 december 2021 heeft de gemachtigde blijkens de uitspraak op bezwaar aangevoerd dat de waarde van de woning niet te hoog was en dat hij bereid was het bezwaar tegen de waarderingsbeschikking in te trekken als er tevens een schikking op andere dossiers kon worden bereikt. De heffingsambtenaar is daar niet op ingegaan. De rechtbank en de heffingsambtenaar zijn op grond van de stellingen van [X] ervanuit gegaan dat [X] een lagere waarde voor de woning bepleitte dan de heffingsambtenaar had vastgesteld. 5. De rechtbank is van oordeel dat een partij zijn standpunt gedurende een procedure mag wijzigen, maar niet als dat in strijd is met een goede procesorde, bijvoorbeeld als het eerst wordt aangevoerd op een zodanig laat tijdstip dat de rechtbank en de wederpartij worden overvallen met en niet meer adequaat kunnen reageren op dit gewijzigde standpunt. De gemachtigde van [X] heeft de diametrale wijziging van zijn standpunt ten aanzien van de waardering van de woningen eerst bij de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting aangevoerd en dat is te laat. De gemachtigde van [X] weet dit, want het is niet de eerste keer dat hij dit te horen krijgt. [Hof: voetnoot rechtbank]. Het nadere standpunt zal daarom niet door de rechtbank worden beoordeeld, met dien verstande dat uit deze standpuntwijziging wel wordt afgeleid dat [X] zijn aanvankelijke standpunt dat de waardes te laag [Hof: te hoog] zijn vastgesteld, heeft laten varen. 6. De heffingsambtenaar vindt dat hij de waarde van de woningen niet te hoog heeft vastgesteld. Hij heeft ter onderbouwing taxatierapporten overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar daarmee in voldoende mate de waarde voor de woningen van € 338.000,- respectievelijk € 295.000,- aannemelijk gemaakt. Immateriële schadevergoeding 7. [X] heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van deze zaak in bezwaar en beroep. 8. De rechtbank stelt vast dat [X] op 3 maart 2021 een bezwaarschrift heeft ingediend. Op de datum dat uitspraak in deze zaak wordt gedaan, 9 december 2022, is nog geen twee jaar verstreken, zodat het verzoek om schadevergoeding reeds op die grond wordt afgewezen. Conclusie 9. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Bij die uitkomst is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.” 5Beoordeling van het geschil in hoger beroep Formele verzoeken 5.1. Belanghebbende heeft in zijn hogerberoepschrift en “pinpointbrief” een reeks klachten van formele aard geformuleerd, voornamelijk bestaande uit in algemene bewoordingen gestelde verzoeken om het verkrijgen van gedingstukken, zoals taxatieverslagen, grondstaffels, processen-verbaal en taxatierapporten. Het Hof leidt uit het dossier af dat deze klachten feitelijke grondslag missen. Belanghebbende heeft alle op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen. Niet (meer) in geschil is dat het beroep op betalingsonmacht met betrekking tot het griffierecht en het verzoek om toekenning van vergoeding van immateriële schade terecht is afgewezen. Waarden woningen 5.2. Het Hof stelt bij zijn beoordeling (van elke woning) voorop dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.