GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.329.734/01 KG zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/733109 / KG ZA 23-368 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 maart 2024 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats] (Duitsland), appellant in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat: mr. S.A. Wensing te Emmen, tegen [geïntimeerde] DRESSAGE B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat: mr. I.M. Uwe-Ntukabumwe te Den Bosch. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 5 juli 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2023, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde. De grieven van [appellant] tegen het bestreden vonnis zijn in de dagvaardingopgenomen. Daarbij zijn producties overgelegd. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord, met producties, van [geïntimeerde]; - akte overlegging producties, met producties, van [appellant]; - akte houdende overlegging producties in de hoofdzaak, met producties, van [geïntimeerde]; - incidentele conclusie strekkende tot zekerheidstelling ex artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van [geïntimeerde]; - antwoordakte van [appellant]. Vervolgens is arrest bepaald in het incident. [geïntimeerde] vordert in het incident dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] zal bevelen binnen een termijn van vier weken na dit arrest zekerheid te stellen voor een bedrag van € 5.469,14,- , althans een bedrag dat het hof juist zal achten, ter zake van de (te verwachten) proceskosten, in een vorm die voldoet aan de daaraan op grond van artikel 6:51 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te stellen eisen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van dit incident. Bij rolbeslissing van 11 oktober 2023 is het uitstelverzoek van [appellant] voor het dienen van antwoord in het incident alsnog afgewezen, waarna verval is verleend van het recht van [appellant] daarop. Verder is bij die rolbeslissing beslist dat [geïntimeerde] zich erover dient uit te laten hoe de vordering tot zekerheidstelling is te rijmen met artikel 353 lid 2, tweede volzin Rv. Nadat [geïntimeerde] dit bij brief van 23 oktober 2023 had gedaan, heeft [appellant] hierop bij antwoordakte gereageerd en geconcludeerd tot afwijzing van het incident, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten daarvan. 2Beoordeling 2.1. [geïntimeerde] verzoekt op de voet van artikel 224 Rv zekerheidstelling voor de proceskosten. Op grond van artikel 224 lid 1 Rv dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is. 2.2. Op grond van artikel 353 lid 2 Rv kan in hoger beroep alleen zekerheid worden verlangd van de partij die (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.