Gerechtshof Amsterdam – ECLI:NL:GHAMS:2024:886
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.302.900/01 zaaknummer/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/293796/HA ZA 19-606 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 februari 2024 inzake 1 [appellant 1] , wonend te [woonplaats 1] , 2. [appellant 2], wonend te [woonplaats 1] , 3. [appellant 3], wonend te [woonplaats 2] , 4. [appellant 4], wonend te [woonplaats 1] , 5. [appellante 5] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , 6. [appellante 6] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] , 7. [appellante 7] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 3] , appellanten, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen 1VERENIGING VAN EIGENAARS [adres] , gevestigd te [vestigingsplaats 3] , 2. [geïntimeerde 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 3] , 3. [geïntimeerde 3] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 4] , 4. [geïntimeerde 4] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 3] , 5. [geïntimeerde 5] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 5] , 6. [geïntimeerde 6], wonend te [woonplaats 3] , 7. [geïntimeerde 7] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 3] , 8. [geïntimeerde 8] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] , 9. [geïntimeerde 9] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 6] , 10. [geïntimeerde 10], wonend te [woonplaats 1] , 11. [geïntimeerde 11] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 2] , 12. [geïntimeerde 12] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 3] , 13. [geïntimeerde 13] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 3] , 14. [geïntimeerde 14] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 7] , geïntimeerden, advocaten: mr. E.H.H. Schelhaas te ’s-Hertogenbosch voor geïntimeerden sub 1 tot en met 5, mr. M. Siebers te ’s-Hertogenbosch voor geïntimeerden sub 6 tot en met 13 en mr. C. de Haan te Amsterdam voor geïntimeerde sub 14.
Appellanten worden hierna gezamenlijk aangeduid als [appellanten] .
Geïntimeerden worden hierna als volgt aangeduid:
1De zaak in het kort Het pand van de voormalige Figee machinefabriek in [plaats] is bij een herontwikkeling in 2010 geschikt gemaakt voor kleinere bedrijfsunits en ateliers. Het complex is opgedeeld en in appartementsrechten gesplitst. Een deel van het complex (‘de hoge hal’) grenst aan een lagere hal (‘de lage hal’). Daartussen bevindt zich een verticaal vlak dat oorspronkelijk bestond uit een stalen raamwerk met daarin glas. Ten gunste van de lage hal en ten laste van de hoge hal is een erfdienstbaarheid gevestigd, onder meer en kort gezegd inhoudende instandhouding van de bestaande toestand. Het in het raamwerk aanwezige glas is in 2010 door de toenmalige eigenaar van (de appartementsrechten in) de hoge hal verwijderd. Deze eigenaar is in 2013 veroordeeld tot terugplaatsing van het glas. Dat vonnis is niet uitgevoerd; de eigenaar ging failliet. De eigenaren van de bedrijfsunits in de lage hal willen dat de eigenaren van de appartementsrechten in de hoge hal het glas terugplaatsen. Omdat het hier gaat om een ondeelbare rechtsverhouding en aanvankelijk niet alle eigenaren van de appartementsrechten in de hoge hal in de procedure waren betrokken, zijn die eigenaren alsnog opgeroepen. Omdat zij vervolgens een eigen standpunt innamen en de procedure al in een vergevorderd stadium verkeerde, kon de oproeping niet als tijdig worden aangemerkt. Daarom kon uiteindelijk niet inhoudelijk worden beslist op de vorderingen van de eigenaren van de bedrijfsunits van de lage hal.
2Verder verloop van het geding Het hof heeft op 20 juni 2023 een tussenarrest (hierna: het tussenarrest) uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.
Bij het tussenarrest zijn [appellanten] . in de gelegenheid gesteld om alle nog niet in deze procedure betrokken appartementseigenaars van [adres] (ook wel ‘de hoge hal’) op te roepen. Dat hebben [appellanten] . gedaan.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
Vervolgens hebben partijen (weer) arrest gevraagd.
3Verdere beoordeling 3.1 Voor de leesbaarheid van dit eindarrest herhaalt het hof de vorderingen van [appellanten] . in samengevatte vorm:
Primair:
Subsidiair: [geïntimeerden 1 tot en met 5] . te gebieden het stalen raamwerk volledig te restaureren, prepareren, verven of coaten, op zo’n manier dat aantasting van dit raamwerk wordt voorkomen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling in de proceskosten.
3.2 Bij het tussenarrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
3.4 [geïntimeerden 1 tot en met 5] . hebben eveneens betoogd dat de overige appartementseigenaars niet tijdig zijn opgeroepen en dat [appellanten] . daarom niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, althans dat die vorderingen moeten worden afgewezen.
3.5 Samengevat hebben [appellanten] . het volgende aangevoerd. Omdat alle eigenaars zijn opgeroepen, kan ook de VvE worden aangesproken op grond van haar hoofdelijke verbondenheid (artikel 5:113 lid 4 juncto lid 2 BW). Het stond [appellanten] . vrij om te bepalen welke (hoofdelijk aansprakelijke) eigenaar zij wilden aanspreken. Bij een ondeelbare prestatie zoals hier brengt de hoofdelijkheid van artikel 5:113 lid 5 BW met zich mee dat zowel de VvE als een eigenaar voor het geheel van die schuld kan worden aangesproken. Op ieder appartementsrecht rust de erfdienstbaarheid tot het in stand laten van de dakconstructie en het terugplaatsen van de glaswand en iedere eigenaar kan hiervoor worden aangesproken. Er is geen wetsbepaling die tijdige oproeping voorschrijft als eis voor de ontvankelijkheid van een vordering zoals in deze zaak. De door de opgeroepen geïntimeerden aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad uit 2005 ziet niet op een vergelijkbare situatie. Zij zijn verder niet in hun verdediging geschaad en de oproeping was tijdig. Zij hebben immers acht weken de tijd gehad om hun standpunt kenbaar te maken. Bovendien hadden zij zich sinds de start van de procedure kunnen voegen. Zij waren van die procedure op de hoogte. Ook van de verplichting tot terugplaatsing van het glas waren zij op de hoogte, althans zij hadden daarvan op de hoogte kunnen zijn vanaf het moment waarop zij appartementsrechten geleverd kregen van [geïntimeerde 5] , aldus [appellanten] .
3.6 Het betoog van [appellanten] slaagt niet. Dat oordeel berust op het volgende.
3.7 Weliswaar kan de VvE in een procedure waarin de gezamenlijke appartementseigenaars partij zijn op de voet van artikel 5:113 lid 4 BW worden aangesproken, maar zij is pas hoofdelijk verbonden voor schulden van de gezamenlijke appartementseigenaars, als de aansprakelijkheid van die eigenaars is vastgesteld. Ook het beroep op het vijfde lid van artikel 5:113 BW baat [appellanten] . niet. Dat artikel regelt de hoofdelijke verbondenheid voor schulden van de vereniging van eigenaars. Dat laat echter onverlet dat die ‘schuld van de vereniging’ pas kan worden vastgesteld, nadat de aansprakelijkheid van de gezamenlijke appartementseigenaars is vastgesteld in een procedure waarin zij allen partij waren. De vordering tot terugplaatsing van het glas betreft immers een verplichting om een inbreuk op een erfdienstbaarheid op te heffen en die verplichting rust op de eigenaar van het dienend erf. Zoals overwogen zijn dat in dit geval de gezamenlijke eigenaars van de appartementsrechten in de hoge hal. Het gaat hier dus om een processueel ondeelbare rechtsverhouding, zoals ook [appellanten] . erkennen. Het is dan rechtens noodzakelijk dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen.
3.8 Iedere partij in een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft het recht verweer te voeren tegen een vordering die betrekking heeft op die rechtsverhouding. Laat degene die een beslissing wil over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter zo nodig ambtshalve gelegenheid te geven de niet opgeroepen partijen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn. Dat is in dit geval gebeurd. Indien die oproeping niet tijdig gebeurt, kan de partij die aanvankelijk niet alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure heeft betrokken, niet in haar vordering worden ontvangen.
3.9 Een oproeping is tijdig indien zij niet zo laat gebeurt dat de opgeroepen partij niet meer de volle gelegenheid zou hebben haar standpunt uiteen te zetten of dat de gedaagde partij in haar verdediging zou worden geschaad. Of de oproeping als tijdig kan worden aangemerkt, kan dus pas worden beoordeeld na kennisneming van het standpunt van de opgeroepen partij. Als die niet verschijnt, zich refereert aan het oordeel van de rechter of zich zonder eigen argumentatie aansluit bij het standpunt van één van beide partijen, is de gelegenheid van de opgeroepen partij om haar standpunt uiteen te zetten niet beperkt en is de gedaagde door de oproeping niet in zijn verdediging geschaad, ook als de oproeping in een laat stadium is geschied. Zo kan een oproeping na de conclusiewisseling in hoger beroep in dat geval nog tijdig zijn. Als de opgeroepen partij echter een eigen standpunt inneemt, zal een oproeping in hoger beroep in het algemeen niet tijdig zijn; vgl. ECLI:NL:HR:2003:AF2159 en ECLI:NL:HR:2005:AR4035. Het enkele feit dat het in het arrest uit 2005 ging om een vordering tot opheffing of wijziging van een erfdienstbaarheid maakt niet dat deze rechtspraak niet relevant zou zijn voor de beoordeling of een oproeping tijdig is geschied, zoals [appellanten] . lijken te betogen.
3.10 In deze zaak hebben de opgeroepen geïntimeerden gemotiveerd aangevoerd dat zij een eigen standpunt innemen en dat zij door de late oproeping niet meer de volle gelegenheid hebben dat standpunt uiteen te zetten. Aldus is na de oproeping en kennisneming van het standpunt van deze partijen gebleken dat de oproeping niet als tijdig kan worden aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat [appellanten] . niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen voor zover die zien op de hiervoor genoemde ondeelbare rechtsverhouding.
3.11 Zoals in het tussenarrest is overwogen zal de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen, maar uitsluitend tussen [geïntimeerden 1 tot en met 5] . en [appellanten] . Voor het overige zullen [appellanten] . in hun vorderingen niet ontvankelijk worden verklaard. De grieven behoeven geen verdere behandeling en bewijslevering is niet aan de orde.
3.12 Aan de verzoeken van [appellanten] . op grond van de artikelen 225 en 227 Rv zal het hof geen gevolg geven, omdat niet is gebleken dat aan de in die artikelen genoemde vereisten is voldaan. Zo is de aanzegging tot schorsing en hervatting kennelijk niet aan alle oorspronkelijke wederpartijen gericht; volstaan is immers met betekening aan de gezamenlijke eigenaars van de [adres] , terwijl in ieder geval [geïntimeerde 5] daartoe niet (meer) behoort. Voor een herstelmogelijkheid hiervan ziet het hof geen aanleiding, gelet op de hierboven genoemde uitkomst van de zaak. Om die reden behoeven de overige stellingen over dit punt ook geen bespreking.
Slotsom 3.13 De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd. [appellanten] . zullen alsnog in hun vorderingen niet ontvankelijk worden verklaard, met uitzondering van hetgeen hiervoor in rov. 3.11 ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht is overwogen. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zullen [appellanten] . in de proceskosten van beide instanties worden veroordeeld.
4Beslissing Het hof: vernietigt het bestreden vonnis; en doet in zoverre opnieuw recht als volgt: in de procedure voor zover gevoerd tussen [appellanten] . en [geïntimeerden 1 tot en met 5].:
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Wabeke, M.E. Hinskens-Van Neck en S. van Gulijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2024.