GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.308.435/01 KG zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/321196/KG ZA 21-539 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 januari 2024 inzake [appellant] , wonend te [woonplaats 1] , appellant, advocaat: mr. F.A.J.H. de Lugt te Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde 1] , 2. [geïntimeerde 2], beiden wonend te [woonplaats 2] , geïntimeerden, advocaat: mr. S.J. Kloosterman te Amsterdam. Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd. 1De zaak in het kort [geïntimeerden] hebben een pand gekocht dat zij tot woonhuis willen verbouwen. Daartoe hebben zij met [appellant] een aannemingsovereenkomst gesloten. In de uitvoering daarvan zijn tussen partijen veel geschillen gerezen en diverse kortgedingprocedures gevoerd. In deze zaak is [appellant] tevergeefs opgekomen tegen een jegens hem uitgesproken en met een dwangsom versterkte veroordeling om het pand binnen een bepaalde termijn wind-/waterdicht te maken. Volgens het hof heeft [appellant] te lang stil gezeten en is voldoende aannemelijk dat het pand nog steeds niet wind-/waterdicht is. 2Het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding van 24 februari 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 januari 2022, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer in kort geding gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, tevens houdende eiswijziging/vermeerdering van eis, met producties; - memorie van antwoord met producties. Tijdens de mondelinge behandeling op 30 november 2023 hebben de hiervoor genoemde advocaten aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen het woord gevoerd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Partijen en hun advocaten hebben hun standpunt toegelicht en vragen van het hof beantwoord. Partijen hebben vervolgens afgesproken te trachten hun geschil (zo mogelijk inclusief het andere bij dit hof aanhangige hoger beroep) in mediation op te lossen. Een week later hebben [geïntimeerden] gemotiveerd toegelicht dat en waarom zij niet meer tot mediation bereid zijn. Zij hebben arrest gevraagd. Het hof heeft het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar afgewezen. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen en hen zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft betaald, met beslissing over de proceskosten. [geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties met nakosten en rente. 3Feiten 3.1 De door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis onder 3.1 tot en met 3.9 opgesomde feiten zijn in hoger beroep niet in geschil. Voor zover die feiten in dit hoger beroep relevant zijn, neemt het hof die feiten daarom ook als uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere voldoende aannemelijk geworden feiten, zijn die feiten de volgende. 3.2 [geïntimeerden] zijn eigenaar van een pand in [plaats] (hierna: het pand). Om het pand als woonhuis te kunnen gebruiken, moet het pand worden verbouwd. [appellant] verricht werkzaamheden in de bouwbranche. 3.3 In april 2020 heeft [appellant] aan [geïntimeerden] een offerte uitgebracht voor een totale aanneemsom van € 100.000,- exclusief btw. [geïntimeerden] hebben de offerte geaccepteerd. Volgens de offerte bestaan de werkzaamheden uit: 1x lichtstraat, diverse buitenkozijnen en deuren, diverse binnenkozijnen en deuren, 2x trap met leuningen, diverse balustraden en diverse douchewanden. 3.4 Eind 2020 is tussen partijen discussie ontstaan over het tot op dat moment opgeleverde werk in verhouding tot de gefactureerde bedragen. [geïntimeerden] hebben toen een kort geding tegen [appellant] aanhangig gemaakt. In die procedure hebben partijen op de zitting van 8 juni 2021 een minnelijke regeling getroffen. Daarbij zijn partijen onder meer overeen gekomen om in overleg afspraken nader uit te werken en eventuele geschilpunten aan de voorzieningenrechter voor te leggen. Dat heeft uiteindelijk geleid tot een vonnis in kort geding van 6 augustus 2021, hersteld bij vonnis van 25 augustus 2021 (hierna: het eerste kort geding). 3.5 Voor zover van belang heeft de voorzieningenrechter in het vonnis van 6 augustus 2021 het volgende overwogen: 4.8. De voorzieningenrechter zal een ordemaatregel uitvaardigen die ertoe kan leiden dat de eindeloze discussies via de advocaten voorlopig worden gestaakt en dat de bouwwerkzaamheden hervat kunnen worden. (…) 4.10. In het dictum zal worden opgenomen dat [ [appellant] ] zijn werkzaamheden niet mag opschorten zolang [geïntimeerden] tijdig betalen volgens dit schema. De voorzieningenrechter twijfelt er niet aan dat [ [appellant] ] bij tijdige betaling als hiervoor omschreven zijn werkzaamheden zal hervatten. De gevorderde dwangsom zal daarom worden afgewezen. 3.6 [geïntimeerden] hebben overeenkomstig dit vonnis betalingen aan [appellant] verricht. Begin september 2021 is echter opnieuw een discussie tussen partijen ontstaan. Bij e-mail van 3 september 2021 hebben [geïntimeerden] zich op het standpunt gesteld dat [appellant] de werkzaamheden in strijd met het vonnis van 6 augustus 2021 (en het herstelvonnis van 25 augustus 2021) opschortte en ten onrechte voorwaarden stelde alvorens de werkzaamheden te hervatten. Bij e-mail van 27 september 2021 hebben [geïntimeerden] aan [appellant] laten weten niet akkoord te zijn met de aanpassingen die [appellant] wilde doorvoeren. In laatst genoemde e-mail staat onder meer: (…) Cliënten hebben nu daarom noodgedwongen voor draaideuren gekozen. Het voorgaande betekent uiteraard niet dat uw cliënt dan maar kan tekenen en doen waar hij zin in heeft. Uw cliënt heeft zich te houden aan de overeenkomst en de aangeleverde tekeningen. Cliënten zijn niet akkoord met de aanpassingen die uw cliënt nu opeens allemaal wil doorvoeren. Dus: - deuren mogen niet smaller worden. De maten als aangegeven op de tekeningen dienen te worden aangehouden; - de gevelindeling mag (dus) niet gewijzigd worden; - voordeuren dienen taatsdeuren te zijn, zoals overeengekomen en zoals uw cliënt eerder heeft aangegeven (zie de mail van uw client d.d. 17 september 2020); - kozijnen profielen mogen niet breder gemaakt worden; - geen zichtbare bouten verbindingen; - lasverbindingen dienen vlak en strak te zijn. 3.7 De discussie over de wijze waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd en welke tekeningen daarbij leidend zijn, heeft uiteindelijk geleid tot een tweede kort geding. Dat is onderwerp van dit hoger beroep. Op de zitting bij de voorzieningenrechter van 9 november 2021 hebben partijen opnieuw een minnelijke regeling getroffen. De daarbij gemaakte afspraken luiden als volgt: 1. Partij [appellant] ,] levert aan [geïntimeerden] binnen twee weken na vandaag de tekeningen voor de kozijnen van ramen en draaideuren (inclusief gevelaanzicht) in de voor en achtergevel van de in aanbouw zijnde woning van [geïntimeerden] 2. Partij [geïntimeerden] delen binnen één week na ontvangst van de tekeningen aan [appellant] ] mede of zij met de tekeningen (visueel) akkoord gaan. 3. Indien de tekeningen door [geïntimeerden] (visueel) akkoord worden bevonden zullen [geïntimeerden] en [appellant] ] aan een gezamenlijk aan te wijzen constructeur opdracht geven om op basis van deze tekeningen een berekening van de windbelasting te maken. De kosten voor de constructeur zullen door [geïntimeerden] en [ [appellant] ] ieder voor de helft worden voldaan onder voorbehoud van het recht deze kosten in een later stadium bij de ander terug te vorderen. De zaak is vervolgens pro forma aangehouden tot 21 december 2021. 3.8 Bij e-mail van 29 november 2021 hebben [geïntimeerden] de voorzieningenrechter verzocht om voortzetting. 3.9 Bij het bestreden vonnis is [appellant] onder meer veroordeeld om binnen zes weken het pand wind- en waterdicht te maken, op straffe van een dwangsom. [appellant] heeft vervolgens in kort geding schorsing van de executie van het bestreden vonnis gevorderd. Dat is bij verkort vonnis van 11 maart 2022 afgewezen. Wel werd de looptijd van de in het bestreden vonnis opgelegde dwangsom opgeschort tot 29 maart 2022. Het verkorte vonnis is bij vonnis van 25 maart 2022 aangevuld. [appellant] heeft geen hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld. 3.10 In de periode april tot en met juni 2022 hebben partijen verder gecorrespondeerd over de uitvoering van de werkzaamheden. Op enig moment heeft [appellant] toegezegd dat hij in week 34 (22 tot en met 28 augustus 2022) het pand wind-/waterdicht zou maken. Dat is toen niet gebeurd, omdat het bedrijf dat [appellant] daarvoor had ingeschakeld niet is komen opdagen, aldus [appellant] tijdens de zitting bij het hof. 3.11 In mei 2022 hebben [geïntimeerden] aanspraak gemaakt op een bedrag van € 25.000,- aan verbeurde dwangsommen. [appellant] heeft dat bedrag toen betaald. 3.12 In november 2022 heeft [appellant] in het pand buitenkozijnen inclusief glaswerk geplaatst. 3.13 Omdat [geïntimeerden] van mening waren dat het pand nog steeds niet wind-/waterdicht was, hebben zij in kort geding onder meer een machtiging gevorderd om het pand door een derde wind-/waterdicht te laten maken (hierna: het derde kort geding). De vorderingen van [geïntimeerden] zijn bij vonnis van 9 maart 2023 afgewezen. Kort gezegd overwoog de voorzieningenrechter dat [appellant] zijn verplichting om het pand wind-/waterdicht te maken was nagekomen. [geïntimeerden] hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. In die procedure is een mondelinge behandeling gepland op 20 februari 2024. 3.14 Op verzoek van [geïntimeerden] heeft [naam 1] van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) een bouwkundige inspectie naar de wind-/waterdichtheid van het pand uitgevoerd. In een van die inspectie opgemaakt rapport van 16 november 2023 is onder meer het volgende vermeld. Met een rookproef is aangetoond dat de kozijnen niet aansluiten op het omliggende werk, dat zelfs bij de aansluitingen van de schuifdeuren rook naar buiten komt en dat vooral vanaf matige wind regenwater binnenkomt. 4Beoordeling De procedure bij de voorzieningenrechter 4.1 Samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang hebben [geïntimeerden] gevorderd: - (…) - subsidiair: veroordeling van [appellant] tot het binnen een bepaalde termijn wind- en waterdicht maken van het pand, waaronder begrepen het aanleveren van (deugdelijke) detailtekeningen, het meewerken aan het uitvoeren van een windbelastingsberekening en het monteren van de buitenkozijnen, het glas en de deuren, een en ander op straffe van een dwangsom; - (…) - veroordeling van [appellant] in de proceskosten.Aan hun vorderingen hebben [geïntimeerden] de tussen partijen geldende aannemingsovereenkomst ten grondslag gelegd. 4.2 [appellant] heeft een tegenvordering ingesteld. Die is geen onderwerp van dit hoger beroep. 4.3 Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de subsidiaire vordering van [geïntimeerden] toegewezen, de overige vorderingen van [geïntimeerden] afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. Samengevat en voor zover in dit hoger beroep relevant heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen. [appellant] moet de tekeningen van 25 november 2021 als uitgangspunt nemen, deze verder uitwerken en daarbij in ieder geval de details vermeld in de e-mail van 16 december 2021 van ing. [naam 2] opnemen. Verder moet [appellant] meewerken aan het uitvoeren van een windbelastingsberekening. [appellant] moet de buitenkozijnen, het glas en de deuren overeenkomstig de tekeningen plaatsen. Hoewel [appellant] geen verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde termijn van vier weken, hanteert de voorzieningenrechter een termijn van zes weken. De ondanks de tussen partijen gemaakte afspraken ontstane impasse was voor de voorzieningenrechter voldoende grond om een dwangsom op te leggen, tot een maximum van € 25.000,-. De procedure in hoger beroep 4.4 Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met vier grieven op. Bij wijze van eisvermeerdering heeft [appellant] terugbetaling gevorderd van al hetgeen hij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft betaald, waaronder een bedrag van € 25.000,- aan dwangsommen. 4.5 Blijkens de aangevoerde grieven en wegens het ontbreken van een incidenteel hoger beroep is het bestreden vonnis alleen voor zover in conventie gewezen aan het oordeel van het hof onderworpen. 4.6 Met grief I heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen de in 6.2 van het bestreden vonnis opgenomen indruk van de voorzieningenrechter dat tussen partijen over en weer zoveel wrevel is ontstaan dat zij jegens elkaar weinig bereidwillig zijn om hun volledige medewerking te verlenen. Volgens [appellant] was die indruk niet juist, omdat hij juist een groot belang heeft bij een zo spoedig mogelijke afronding van het werk. 4.7 De grief slaagt niet. Dat de hiervoor genoemde indruk volgens [appellant] niet juist was, moge zo zijn, maar kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Daarbij komt dat die indruk blijkens de aangevallen rechtsoverweging (6.2) slechts de opmaat was voor de volgende overweging van de voorzieningenrechter: dat het van groot belang is dat partijen zich redelijk jegens elkaar opstellen, dat daarvoor niet alleen de medewerking van [appellant] nodig is, maar ook een redelijke opstelling van [geïntimeerden] Indien [appellant] met deze grief heeft bedoeld dat genoemde indruk aan de dwangsomveroordeling ten grondslag lag en dat daarom die veroordeling moet worden vernietigd, slaagt dat argument evenmin. Dit punt komt verderop bij de bespreking van grief III aan de orde. 4.8 Grief II is gericht tegen de veroordeling van [appellant] om het pand op straffe van verbeurte van een dwangsom wind-/waterdicht te maken, waarbij de tekeningen van 25 november 2021 uitgangspunt zijn en deze tekeningen verder door hem moeten worden uitgewerkt, waarbij in ieder geval de details vermeld in de e-mail van Van den Elshout van 16 december 2021 zijn verwerkt (6.5 en 7.1). Volgens [appellant] heeft de voorzieningenrechter een leemte laten bestaan betreffende de vraag op welke wijze hij het werk moet uitvoeren en werd hij afhankelijk gesteld van het handelen of nalaten van [geïntimeerden] Dit omdat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.