GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/115 8 april 2025 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende, tegen de uitspraak van 8 november 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/5746 van de rechtbank Noord-Holland in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van [Y], de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
- De heffingsambtenaar heeft bij beschikking, gedagtekend 25 februari 2022, krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [straat] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 1.452.
- In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerende zaakbelasting 2022 bekendgemaakt. 1.
- Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 27 september 2022, de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd. 1.
- Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 8 november 2023 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.
- Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij de griffie van het Hof ingekomen op 20 december 2023, en nader aangevuld bij bericht van 21 maart
- De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.
- De heffingsambtenaar en belanghebbende hebben het Hof toestemming verleend tot het achterwege laten van een onderzoek ter zitting. 2Tussen partijen vaststaande feiten De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’): “Feiten
- Eiseres is huurder van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een winkel/verkoopruimte gebouwd in
- De oppervlakte van de onroerende zaak is 430 m².” 3Geschil in hoger beroep 3.
- In hoger beroep is in geschil welke consequenties aan de geconstateerde schending van artikel 40 van de Wet WOZ moeten worden verbonden. 3.
- Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen en beslist: Beoordeling van het geschil (…) Toepassing artikel 40 van de Wet WOZ
- Eiseres stelt dat (ondanks haar verzoek in de bezwaarfase) verweerder de vastgestelde waarde onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd. Verweerder heeft niet de opbouw van de door verweerder gestelde huurwaardekapitalisatiefactor overgelegd. Verweerder dient op basis van artikel 40 van de Wet WOZ de onderbouwing van de huurwaarde en de opbouw van de kapitalisatiefactor te verstrekken.
- Verweerder stelt dat in de uitspraak op bezwaar transactiecijfers zijn genoemd waaruit volgt dat de waarde van het object niet te hoog is vastgesteld. Gemachtigde heeft daarnaast (in de bezwaarfase) een taxatieverslag ontvangen met de uitgangspunten van de waardering. In het taxatierapport is de waarde van het object nader onderbouwd met transactiecijfers. De huurwaarde is bepaald op grond van daadwerkelijk gerealiseerde huurcijfers van zeer goed vergelijkbare objecten. De kapitalisatiefactor is bepaald op grond van daadwerkelijk gerealiseerde verkoopcijfers. Alle genoemde vergelijkingsobjecten tonen aan dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. Deze objecten hebben een vergelijkbaar gebruik, een vergelijkbare uitstraling en een vergelijkbare ligging.
- De rechtbank overweegt als volgt en heeft daarbij het navolgende als uitgangspunt genomen. De Hoge Raad (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052) heeft geoordeeld dat de uitleg die aan artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ moet worden gegeven ertoe strekt dat indien eiseres aan verweerder een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die ten grondslag hebben gelegen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, verweerder op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ gehouden is te voldoen aan het verzoek van eiseres om haar een afschrift van die gegevens te verstrekken. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift van 2 maart 2022 verzocht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder onder meer de onderbouwing van de kapitalisatiefactor en de gehanteerde huurcijfers. De rechtbank stelt vast dat eerst met de uitspraak op bezwaar aan eiseres het taxatieverslag is toegezonden waarbij is toegelicht dat de waarde is vastgesteld met behulp van de vergelijkingsmethode en dat de prijs per vierkante meter voor onderhavig object zich goed verhoudt tot de huur- en koopprijzen van de goed vergelijkbare vergelijkingsobjecten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 40 van de Wet WOZ heeft geschonden.
- De rechtbank zal het beroep van eiseres echter, zoals hierna wordt overwogen, ongegrond verklaren. In een zodanig geval is de rechtbank vanwege het schenden van artikel 40 van de Wet WOZ bevoegd verweerder te veroordelen tot vergoeding van proceskosten van eiseres en het door eiseres betaalde griffierecht (vgl. HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052 r.o. 4.3.2). De rechtbank ziet daartoe echter in dit geval geen aanleiding omdat met de bij de uitspraak op bezwaar verstrekte gegevens verweerder de waarde van de onroerende zaak voldoende controleerbaar onderbouwd heeft, en eiseres dus niet in beroep hoefde te komen om de waarde te kunnen controleren. (…) Slotsom
- De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.” 5Beoordeling van het geschil 5.
- In hoger beroep verschillen partijen niet van inzicht dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase, ondanks dat belanghebbende daar specifiek om heeft verzocht, heeft verzuimd om de onderbouwing van de kapitalisatiefactor en de gehanteerde huurcijfers te verstrekken terwijl deze wel ten grondslag lag aan de vastgestelde WOZ-waarde van de woning (artikel 40, lid 2, Wet WOZ). Belanghebbende heeft het Hof verzocht de zaak af te doen (en dus niet verzocht om de zaak niet terug te wijzen). Het Hof zal dan ook de zaak afdoen. De andere klachten over het verstrekken van gegevens hoeven niet door het Hof behandeld te worden, aangezien deze niet tot een ander gevolg zouden leiden en belanghebbende inmiddels alle benodigde informatie heeft gekregen. 5.
- De heffingsambtenaar heeft de in artikel 40, lid 2, Wet WOZ opgenomen informatieverplichting geschonden. In de regel heeft belanghebbende dan recht op een vergoeding van proceskosten en griffierecht (vgl. Hoge Raad 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106). Bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken zijn niet gesteld, laat staan aannemelijk geworden. Het hoger beroep slaagt dan ook en aan belanghebbende dient vergoeding van griffierecht (beroep en hoger beroep) en een vergoeding voor de kosten van beroep en het hoger beroep toegekend te worden (zie onder 6). 5.3 Tot slot heeft belanghebbende het Hof verzocht te bepalen dat de betaling van de vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht, in overeenstemming met dat wat is opgenomen in de aan de gemachtigde verleende volmacht, rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden. Het Hof overweegt dat de belastingrechter niet bevoegd is een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de (proces)kostenvergoeding moet plaatsvinden. Een geschil over de uitbetaling van die vergoeding zal moeten worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter (vgl. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4). Slotsom 5.
- Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende slaagt. De uitspraak van de rechtbank zal vernietigd worden zoals is opgenomen onder
- 6Kosten 6.
- Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten van het beroep en het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet. 6.
- Het Hof zal de heffingsambtenaar veroordelen tot een tegemoetkoming in de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand van belanghebbende in beroep en hoger beroep van € 1.360,50 (beroep: 2 punten x € 907, hoger beroep: 1 punt x € 907: totaal 3 punten x wegingsfactor 0,5). Ook het voor het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 365 + € 548, in totaal € 913) dient aan belanghebbende vergoed te worden. 7Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de rechtbank doch uitsluitend voor zover daarin een vergoeding van proceskosten en griffierechten ontbreekt; bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige; veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.360,50 en draagt de heffingsambtenaar op het voor het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 913, aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, J-P.R. van den Berg en M.C. Cornelisse, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 8 april 2025 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: