GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer gerechtshof 200.342.098 zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 337345 arrest van 6 mei 2025 in de zaak van [de man] die woont in [woonplaats] hierna: de man advocaat: mr. I. Lieberwerth tegen [de vrouw] die woont in [woonplaats] hierna: de vrouw advocaat: mr. W.L. Sieval 1Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.
(2020)te noemen terwijl 2017 is bedoeld. 3.28. De samenlevingsovereenkomst is per 20 juni 2017 geëindigd. Dat heeft de rechtbank onder 5.15 geoordeeld en tegen dat oordeel is geen grief geformuleerd. Het door de man gevorderde valt vanaf juli 2017 niet meer onder een bepaling van de samenlevingsovereenkomst. Tussen partijen bestaat een eenvoudige gemeenschap, waarop boek 3 BW, en dus artikel 3:172 van toepassing is. De man heeft niet nader toegelicht waarom artikel 3:172 BW niet zou gelden. 3.29. Op grond van artikel 3:169 BW is iedere deelgenoot, tenzij een regeling anders bepaalt, bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Ingevolge artikel 3:172 BW delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht, tenzij een regeling anders bepaalt. Op grond van de Memorie van Antwoord bij artikel 3:169 BW (Parlementaire geschiedenis Boek 3, pagina 587) kan worden aangenomen dat de mede-eigenaar (deelgenoot) die het goed met uitsluiting van de andere mede-eigenaar (deelgenoot) gebruikt, zijn mede-eigenaar (deelgenoot) die aldus verstoken is gebleven van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van de mede-eigendom (deelgenootschap) recht heeft, schadeloos zal moeten stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Daarbij dienen de redelijkheid en de billijkheid die de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen (artikel 3:166 lid 3 BW en artikel 6:2 BW) tot maatstaf. 3.30. Zolang de woning niet verdeeld is en de man deze bewoont, moet de vrouw het genot voor haar deel (de onverdeelde helft) missen. Toepassing hiervan leidt er ook naar het oordeel van het hof toe dat dat de gebruiksvergoeding ten behoeve van de vrouw moet worden gelijkgesteld aan de rentelasten verbonden aan de hypothecaire geldlening, de zakelijke lasten en de onderhoudskosten verbonden aan de woning. Omdat de man deze volledig heeft betaald, komt dat erop neer, dat de over en weer gedane vorderingen van partijen tegen elkaar wegvallen. Dat is anders voor wat betreft de door de man verrichte aflossingen op de hypothecaire geldlening (bestaande uit twee delen). Het nog niet verjaarde deel van het vorderingsrecht van de man (zie r.o. 5.32 van de bestreden beschikking, slotzin, waartegen geen grief is geformuleerd) mag hij met de vrouw verrekenen. Dat betekent dat de man datgene wat hij per 1 juli 2017 tot de datum van levering van de gezamenlijke woning aan (een) derde(
- n)aan de hypotheekaflossingen heeft betaald, dat hij daarvan de helft van de vrouw mag vorderen, mits hij het bewijs van betalingen van de hypotheekaflossingen over genoemde periode aan de vrouw verstrekt. Vooralsnog is het hof van oordeel dat de man de betalingen niet heeft aangetoond. bewijsaanbod 3.31. De man heeft bewijs aangeboden. Hij voert daartoe aan dat hij bewijs aanbiedt voor al zijn stellingen door middel van het horen van getuigen als genoemd in de memorie van grieven. Het hof zal het gedane bewijsaanbod passeren omdat dit onvoldoende specifiek en ter zake dienend is. De man geeft niet concreet aan op welke stellingen zijn aanbod betrekking heeft. In hoger beroep mag dat van een partij die bewijs aanbiedt wel worden verwacht. conclusie 3.32. Grief 9 is een zogenoemde veeggrief, waaraan geen zelfstandige betekenis toekomt. Grief 5 is ingetrokken. Grieven 7 en 8 slagen. De overige grieven falen. 3.33. Het hoger beroep slaagt deels. Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (de financiële afwikkeling van samenlevingsrelatie). 4De beslissing Het hof: 4.1. vernietigt de beslissing onder 6.7 van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 november 2023 en beslist als volgt: 4.2. bepaalt dat partijen de hypothecaire aflossingen vanaf 1 juli 2017 tot de datum van levering van de gezamenlijke woning aan (een) derde(
- n)met inachtneming van overweging 3.30 met elkaar moeten verrekenen aldus dat de vrouw de helft van de door de man verrichte hypothecaire aflossingen aan de man verschuldigd is, onder de verplichting van de man tot verstrekking van de betreffende bewijsstukken van aflossingen aan de vrouw; 4.3. bekrachtigt het vonnis voor het overige; 4.4. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt; 4.5. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. L. Hamer, M.L. van der Bel en K. Mans, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2025. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771 en HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064. HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707. P-G 27 januari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:132, zie 3.17 e.v. HR 11 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0365. HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707. Hoge Raad van 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1058.