beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.349.028/01 NOT nummers eerste aanleg : 23-26 en 23-27 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 10 juni 2025 inzake [appellant] wonend te [plaats 1] , Zwitserland, appellant, gemachtigde: mr. P.M. Leerink, advocaat te Deventer, tegen 1 [geïntimeerde 1] , destijds notaris te [plaats 2] , thans kandidaat-notaris te Leiden, 2. [geïntimeerde 2] , destijds notaris te [plaats 2] , thans kandidaat-notaris te Zoetermeer, geïntimeerden, gemachtigde: mr. V.J.N. van Oijen, advocaat te Amsterdam. Partijen worden hierna klager en de notarissen (respectievelijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ) genoemd. 1De zaak in het kort Klager is deelgenoot in de nalatenschap van zijn vader (hierna: erflater). Erflater heeft in zijn laatste testament de broer van klager tot executeur benoemd. De executeur heeft in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap de woning van erflater verkocht. Klager verwijt de notarissen, onder meer, dat de leveringsakte van de woning nietig is en dat zij hun medewerking niet hadden mogen verlenen aan de snelle verkoop van de woning. Voorts verwijt hij de notarissen dat zij hun rol als boedelnotaris onvoldoende zorgvuldig hebben uitgevoerd en dat zij hun verplichtingen op grond van de Wwft hebben geschonden. Het hof verklaart, anders dan de kamer, de klacht van klager deels gegrond. 2Het geding in hoger beroep 2.1. Klager heeft op 16 december 2024 een beroepschrift – met een bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 20 november 2024 tussen partijen gegeven onder de bovengenoemde nummers (ECLI:NL:TNORDHA:2024:19). Op 17 januari 2025 heeft klager dit beroepschrift – met bijlagen – aangevuld. 2.2. De notarissen hebben op 11 maart 2025 een verweerschrift – met een bijlage – bij het hof ingediend. 2.3. Op 7 april 2025 heeft klager aanvullende producties ingediend. 2.4. Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen. 2.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 17 april 2025. De gemachtigde van klager en de notarissen, vergezeld van hun gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s. Klager is, met berichtgeving vooraf, niet verschenen. 3Feiten Het hof verwijst naar de feiten die de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling daarvan geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, zijn die feiten de volgende. 3.1 Bij testament van 20 september 2012 heeft de moeder van klager (hierna: erflaatster) bepaald dat bij haar overlijden de wettelijke verdeling van toepassing is, met dien verstande dat de vorderingen van haar kinderen opeisbaar zijn in geval haar echtgenoot overlijdt. Erflaatster is overleden op 17 januari 2017. 3.2. Op 14 februari 2017 heeft [geïntimeerde 2] , als waarnemer van [geïntimeerde 1] , het testament gepasseerd van erflater. In dit testament is de broer van klager (hierna: [naam 1] ) benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. In het testament is ook bepaald dat de executeur over de keuze van de te gelde te maken goederen en over de wijze van tegeldemaking niet in overleg behoeft te treden met de erfgenamen en hun toestemming niet vereist is. 3.3. Erflater is op 31 mei 2020 overleden. 3.4 [geïntimeerde 1] is op 17 juni 2020 ingeschreven in het boedelregister als betrokken notaris. 3.5. Bij akte van 2 juli 2020 is namens een kleinkind van erflater (een kind van een eerder overleden zoon van erflater) de nalatenschap beneficiair aanvaard. 3.6. Op 6 juli 2020 is [geïntimeerde 1] per 2 juli 2020 geregistreerd als boedelnotaris. 3.7. Door [geïntimeerde 1] is op 22 juli 2020 een verklaring van erfrecht afgegeven. 3.8. Op 18 augustus 2020 heeft [naam 1] een koopovereenkomst gesloten waarbij hij de woning van erflater heeft verkocht voor de koopsom van € 810.000,-. 3.9. Op 27 augustus 2020 heeft [geïntimeerde 2] de akte van levering van de woning van erflater gepasseerd. In deze akte staat [naam 1] vermeld als verkoper in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap. 3.10. Op 31 augustus 2020 is vanaf de kwaliteitsrekening van het notariskantoor € 691.032,20 overgemaakt naar de ervenrekening met als omschrijving “verkoop [hof: adres woning erflater]”. Op 1 september 2020 heeft [naam 1] vanaf de ervenrekening aan een andere broer van klager (hierna: [naam 2] ) een voorschot op de erfenis uitbetaald van € 100.000,-. Na 1 september 2020 zijn vanaf de ervenrekening aanvullende bedragen aan [naam 2] en [naam 1] uitbetaald. Alle bedragen zijn overgeboekt met als omschrijving “lening” of “voorschot”. Alle bedragen zijn op enig moment door [naam 1] en [naam 2] ook weer teruggestort op de ervenrekening. 3.11. Op 14 juli 2021 heeft [naam 1] samen met [naam 2] een koopovereenkomst gesloten voor een bedrijfspand. De koopsom bedroeg € 4.100.000,- kosten koper. De aankoop van dit bedrijfspand was grotendeels gefinancierd met een hypothecaire lening van € 4.000.000,- verstrekt door een particulier. Op 19 juli 2021 zijn vanaf de ervenrekening vijfmaal bedragen van € 50.000,- overgemaakt op de kwaliteitsrekening van het notariskantoor met als omschrijving “dossier [hof: nummer van het dossier] en [hof: adres bedrijfspand]”. 3.12. [geïntimeerde 1] heeft op 28 juli 2021 de akte van levering van het bedrijfspand gepasseerd. 3.13. Eind 2022 heeft de advocaat van klager, [notaris] (hierna te noemen: [notaris] ), namens klager (en zijn schoonzus, moeder van de minderjarige erfgenaam) [geïntimeerde 1] benaderd met een aantal vragen over de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Op 1 maart 2023 heeft [notaris] opnieuw een brief aan [geïntimeerde 1] gestuurd. In deze brief staat, voor zover relevant: “In mijn brief van 24 november 2022 berichtte ik u namens cliënten dat zij vragen hadden over de verkoop van de [hof: plaats en adres woning erflater]. Die vragen zijn grotendeels onbeantwoord gebleven. Als boedelnotaris heeft u de verkoop van voornoemde woning van erflater begeleid en de executeur geadviseerd. De leveringsakte is ook door u gepasseerd. U had als boedelnotaris de plicht om de belangen van alle erfgenamen te behartigen (..). Uit het testament (en de wet) volgt dat de executeur alleen de door hem beheerde goederen te gelde mocht maken om schulden te voldoen. Het saldo van de nalatenschap was positief en er waren geen opeisbare schulden die niet kon worden afgelost uit de liquide middelen van de nalatenschap. De woning had derhalve niet door de executeur verkocht mogen worden maar had in de verdeling moeten worden betrokken (..). Voorts constateren cliënten dat u als notaris grote bedragen op uw derdengeldrekening hebt aanvaard, van welke bedragen u wist dat zij afkomstig waren van de ervenrekening, oftewel welke saldi onderdeel waren van de onverdeelde nalatenschap van erflater. Deze bedragen zijn gebruikt ter financiering van de aankoop van onroerend goed gelegen te [hof: plaats en adres bedrijfspand]. Dit onroerend goed is niet aangekocht door de boedel(..)”. 3.14. In een brief van 15 maart 2023 heeft [geïntimeerde 1] aan [notaris] het volgende bericht, voor zover relevant: “De inhoud van uw brief lijkt ervan uit te gaan dat mijn kantoor een rol heeft gehad in de verkoop van de woning en de feitelijke afwikkeling van de nalatenschap. Dat is niet het geval. De executeur/afwikkelingsbewindvoerder heeft de afwikkeling zelf ter hand genomen waarbij hij, gegeven de inhoud van het testament, grote vrijheid had (..). Een belangenbehartiging van de erfgenamen als door u aangegeven lag grotendeels buiten mijn macht omdat de meeste werkzaamheden door de executeur/afwikkelingsbewindvoerder zijn verricht zonder mijn tussenkomst (..). Voor een verantwoording ten aanzien van de beschikking over de gelden van de boedel verzoek ik u zich te wenden tot de executeur. Over het aanwenden van middelen ten behoeve van privé kan ik geen uitspraken doen; ik beschik niet over bankafschriften van de boedelrekening omdat ik niet de feitelijke boedelafhandeling heb gedaan (..)”. 3.15. In januari 2023 heeft [naam 1] de nalatenschap verdeeld en zijn de resterende erfdelen uitgekeerd. 4De klacht 4.1. De kamer heeft op grond van het inleidende klaagschrift van 21 augustus 2023 de klacht weergegeven in de hierna vermelde vier klachtonderdelen. Tegen de formulering van de klachtonderdelen door de kamer is door klager geen bezwaar gemaakt zodat ook het hof uitgaat van deze klachtonderdelen. Bij de weergave van de klacht heeft het hof opgenomen tegen wie de klacht is gericht. De akte van levering van de woning van erflater van 27 augustus 2020 is nietig. [geïntimeerde 1] heeft onzorgvuldig gehandeld door mee te werken aan een snelle verkoop en levering van de woning van erflater. [geïntimeerde 1] heeft onzorgvuldig gehandeld door niet te signaleren dat er onrechtmatige onttrekkingen van de ervenrekening hebben plaatsgevonden. [geïntimeerde 1] heeft op een onzorgvuldige manier invulling gegeven aan zijn taak als boedelnotaris. Nieuwe verwijten 4.2. In hoger beroep heeft klager verder naar voren gebracht dat [geïntimeerde 1] zijn medewerking aan de leveringsakte van het bedrijfspand had moeten weigeren omdat dit pand deels betaald is door onrechtmatige onttrekkingen van de ervenrekening. Klager verwijt [geïntimeerde 1] daarnaast dat hij meer onderzoek had moeten doen naar de slechts mondeling afgegeven ruimschoots-toereikend verklaring. Ook had hij moeten zien dat er niet binnen de dwingend voorgeschreven termijn van drie maanden door de executeur een boedelbeschrijving was opgemaakt. 5Beoordeling 5.1. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen beide notarissen op alle onderdelen ongegrond verklaard. Ontvankelijkheid 5.2. In hoger beroep heeft klager [geïntimeerde 1] een aantal nieuwe verwijten gemaakt, hiervoor opgesomd onder 4.2. Op grond van artikel 107 lid 4 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) geldt dat het hof een aan hem voorgelegde zaak opnieuw in volle omvang behandelt. Dit betekent dat alleen de klachten die ook in de procedure in eerste aanleg aan de orde zijn geweest in beschouwing worden genomen. Het hof is van oordeel dat de verwijten genoemd onder 4.2. moeten worden beschouwd als in hoger beroep voor het eerst opgeworpen klachten, hetgeen niet is toegestaan. Klager zal daarom ten aanzien van deze nieuw geformuleerde klachten niet-ontvankelijk worden verklaard Beklaagde notaris 5.3. Het hof stelt vast dat de verwijten van klager uitsluitend zien op het handelen van [geïntimeerde 1] . [geïntimeerde 2] heeft slechts als waarnemer van [geïntimeerde 1] de leveringsakte van 27 augustus 2020 gepasseerd. Deze akte is geheel voorbereid en verzorgd door [geïntimeerde 1] . Ook overigens heeft [geïntimeerde 2] geen betrokkenheid gehad bij de leveringsakte van 28 juli 2021 en de daarbij behorende geldstromen. Het hof zal daarom de klacht voor zover gericht tegen [geïntimeerde 2] ongegrond verklaren zodat uitsluitend nog het handelen van [geïntimeerde 1] ter beoordeling voorligt. Klachtonderdeel 1 5.4. Klager stelt dat in de door [geïntimeerde 2] als waarnemer van [geïntimeerde 1] gepasseerde leveringsakte van 27 augustus 2020 staat dat [naam 1] in zijn hoedanigheid van executeur de woning van erflater overdraagt aan kopers. [naam 1] was als executeur echter niet bevoegd om de eigendom van de woning te leveren. Uit het testament en de wet volgt immers dat de executeur alleen de door hem beheerde goederen te gelde mag maken als dat nodig zou zijn om de schulden te voldoen. Het stond, aldus klager, vast dat het saldo van de nalatenschap positief was en dat er geen opeisbare schulden waren die niet uit de liquide middelen hadden kunnen worden voldaan. [naam 1] was ten tijde van de levering dus beschikkingsonbevoegd op grond waarvan de leveringsakte nietig is. De notarissen hadden dat behoren te weten. 5.5. De notarissen voeren aan dat de stelling van klager dat er geen opeisbare schulden waren die niet konden worden afgelost uit de liquide middelen van de nalatenschap niet juist is. Door het overlijden van erflater waren op grond van het testament van erflaatster de vorderingen van de kinderen uit hoofde van deze eerdere nalatenschap direct opeisbaar. Volgens de aangifte erfbelasting hadden die vorderingen een waarde van € 165.434,- De liquide middelen van de nalatenschap van erflater bedroegen ten tijde van het overlijden € 11.758,- en daarnaast was er een effectenrekening van € 4.849,-. Dit was dus onvoldoende om alle schulden te voldoen. De executeur was op grond van het testament en de wet wel degelijk bevoegd om tot verkoop en levering van de woning over te gaan nu deze plaatsvond binnen zijn beheerstaak. 5.6. De kamer heeft dit klachtonderdeel ongegrond verklaard en heeft daarbij het volgende overwogen. Op grond van artikel 4:145 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vertegenwoordigt de executeur gedurende het beheer de erfgenamen in en buiten rechte. In het testament is bepaald dat de executeur over de wijze van de tegeldemaking niet in overleg hoeft te treden met de erfgenamen en dat hun toestemming niet is vereist. Vast is komen te staan dat er onvoldoende liquide middelen waren om alle schulden van de nalatenschap, waaronder de moederlijke erfdelen, te voldoen. Om de erfgenamen van erflaatster hun erfdeel te kunnen uitkeren moest de executeur de woning verkopen. Als executeur en afwikkelingsbewindvoerder had hij ook deze bevoegdheid. Het hof sluit zich bij deze overwegingen van de kamer aan en maakt die tot de zijne. Anders dan klager opnieuw stelt in hoger beroep, is het hof niet gebleken van een nietige leveringsakte. Het feit dat met de opbrengst van de woning later eerst door [naam 1] en [naam 2] een deel van het bedrijfspand is aangekocht maakt de levering niet nietig. En dat gedurende een bepaalde periode (vgl. artikel 4:185 lid 1 BW) verhaal voor (opeisbare) schulden mogelijk is uitgesloten betekent niet dat de executeur, tevens afwikkelingsbewindvoerder, had moeten wachten met het uitvoeren van zijn taken. Ook het door klager opgeworpen argument dat in de leveringsakte niet staat vermeld dat [naam 1] ook de hoedanigheid van afwikkelingsbewindvoerder heeft maakt niet dat de leveringsakte nietig is. Klachtonderdeel 1 is ongegrond. Klachtonderdeel 2 5.7. Klager stelt, kort samengevat, dat na het overlijden van erflater de woning zeer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.