(…) Tegenwoordig zijn op 5 juni 2025: mr. M.L.M. van der Voet, voorzitter, mr. S.K. van Eck, griffier. Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. E. Visser. De verdachte en mr. J. Leyten zijn verschenen. Het hof hervat het op 22 mei 2025 onderbroken onderzoek. De voorzitter deelt mee dat het hof op de gedane verzoeken het volgende overweegt en beslist. Inleidende overwegingen De verdediging heeft een aantal verzoeken gedaan tot het laten verrichten van nader onderzoek. Deze zijn toegelicht in brieven van 11 februari 2024, 13 juni 2024, 27 juni 2024 en - voor zover gehandhaafd - mondeling aan de hand van pleitnotities op de regiezitting van 22 mei 2025. De advocaat-generaal heeft hierop gereageerd in brieven van 3 juni 2024 en 11 juni 2024. Op de zitting van 22 mei 2025 heeft de advocaat-generaal gepersisteerd bij de inhoud van die brieven. Ten aanzien van het door de verdediging op de zitting van 22 mei 2025 ingebrachte Franse document heeft de advocaat-generaal haar reactie op schrift gesteld. Kort gezegd strekken de verzoeken er toe meer feitelijke duidelijkheid te krijgen over het voortraject van het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte (onderzoek Wemela), waaronder toetsing van daarover gedane mededelingen door het openbaar ministerie, en over het juridisch kader dat bij dit onderzoek en de beoordeling ervan van toepassing is. Daarnaast wenst de verdediging gebruikers van diverse in het dossier genoemde SkyECC accounts als getuigen te horen. Gelet op het moment waarop de (nog voorliggende) verzoeken zijn gedaan en/of de aard van de verzoeken zullen deze telkens op de vraag naar de noodzaak daartoe worden beoordeeld. Het hof stelt ten aanzien van het beoordelingskader van deze verzoeken het volgende voorop. De officier van justitie is op grond van het bepaalde in artikel 149a, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) tijdens het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken. Op grond van het relevantiecriterium zoals opgenomen in het tweede lid van genoemde bepaling behoren tot die processtukken alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor enige door het hof in de strafzaken van de verdachte te geven beslissing, zowel in ontlastende als in belastende zin. Het voorgaande neemt niet weg dat de zittingsrechter hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de verdediging dan wel op vordering van het openbaar ministerie, alsnog de toevoeging aan het dossier van bepaalde stukken kan gelasten. De vraag of stukken aan het relevantiecriterium voldoen hangt telkens af van hun concrete inhoud en betekenis voor de desbetreffende strafzaak. Gelet op de hiervoor genoemde wettelijke verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de samenstelling van het procesdossier gaat het hof, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, ervan uit dat het openbaar ministerie dienovereenkomstig heeft gehandeld. In verband met mogelijke aanwijzingen voor bedoeld tegendeel stelt het hof vast dat tal van strafzaken waarin berichten, verzonden met behulp van applicaties voor cryptocommunicatie, als bewijs zijn gepresenteerd, tot debat ten overstaan van de zittingsrechter hebben geleid. Waar het gaat om SkyECC heeft dit geleid tot de hierna te noemen brief van 2 juni 2022 met bijlagen, afkomstig van het Landelijk Parket. Voorts merkt het hof op dat tegen de achtergrond van deze feitelijke gang van zaken de Hoge Raad op 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) prejudiciële vragen heeft beantwoord. In dat verband stelt het hof vervolgens vast dat een omvangrijk procesdossier tot stand is gekomen, waarvan deel uitmaakt een brief van het openbaar ministerie van 2 juni 2022, met daarin onder meer een uitgebreide en gedetailleerde weergave van de totstandkoming en het verloop van het onderzoek dat vervolgens heeft geleid tot het onderzoek naar de inhoud van de communicatie met behulp van de softwareapplicatie SkyECC (de onderzoeken 13Yucca, 13Werl en 26Argus). Het hof overweegt dat de verdediging in beginsel op grond van de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gegarandeerde waarborgen, met het beginsel van equality of arms als centraal thema, het recht heeft toegang te verkrijgen tot al het materiaal dat zowel ten nadele als ten gunste van de verdachte kan worden gebruikt. Daarbij gaat het niet alleen om dit material evidence (vgl. EHRM 16 december 1992, nr. 13071/87 ([naam 1] /Verenigd Koninkrijk), maar ook om other evidence that might relate to the admissibility, reliability and completeness of the evidence (vgl. EHRM 4 april 2017, nr. 2742/12 ([naam 2] /Kroatie)). Het hof onderkent in dat licht dat de verdediging deze mogelijkheid moet hebben, teneinde verweren te kunnen formuleren in het kader van de lopende strafzaak, ook waar het gaat om toegepaste methoden van opsporing en de resultaten van dat onderzoek. Op de rechter rust de verplichting erop toe te zien dat aan deze vereisten gedurende de berechting is voldaan. Aan deze vereisten is in het algemeen voldaan als de verdachte, al dan niet naar aanleiding van door of namens hem gedane verzoeken, beschikt over de informatie die redelijkerwijs relevant kan worden geacht voor het kunnen formuleren van verweren in het kader van de strafzaak, zoals hiervoor bedoeld. Het recht op toegang tot en inzage in methoden en resultaten van onderzoek is geen absoluut recht. Immers, ten eerste is dit recht op toegang onderhevig aan beperkingen die onder meer dienen te worden gevonden in andere belangen, waaronder de nationale veiligheid, de noodzaak tot het beschermen van getuigen, (zwaarwegende) opsporingsbelangen en het recht op privacy van andere betrokkenen. Dit brengt meer in het bijzonder met zich dat grenzen kunnen worden gesteld aan de omvang en indringendheid van toetsing van startinformatie en aan de mate waarin van gerelateerde opsporingsactiviteiten nader verslag dient te worden gedaan. Het hof stelt vast dat blijkens de toelichting waarvan een aantal van de verzoeken zijn voorzien, deze betrekking hebben op de mate van betrokkenheid van Nederlandse opsporingsambtenaren en van het Nederlandse openbaar ministerie bij de verkrijging van de (SkyECC) data in dan wel via Frankrijk en/of de mate van transparantie in de verslaglegging van (de wijze van) die verkrijging door het Nederlandse openbaar ministerie. Daarbij is in essentie de vraag opgeworpen of het openbaar ministerie toereikend, maar ook - zo begrijpt het hof - waarheidsgetrouw verantwoording heeft afgelegd over al hetgeen ter opsporing is verricht. Zoals hiervoor is overwogen begrijpt het hof de verzoeken aldus, dat deze zijn geformuleerd met het oog op ten overstaan van de appelrechter te voeren verweren. Zo bezien ligt ter beoordeling van de gedane verzoeken de vraag ter beantwoording voor of het procesdossier zoals dat thans voorligt voorziet in het aan het EVRM ontleende recht van de verdediging 'to have adequate facilities for the preparation of his defence'. Anders gezegd, of reeds aan de verdediging voldoende feitelijk substraat wordt geboden voor ten overstaan van het hof te voeren verweren ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dan wel rechtmatigheids- en betrouwbaarheidsverweren, waarvan vorm, inhoud en strekking in grote lijnen kenbaar zijn gemaakt. Het hof heeft bij de beoordeling van de verzoeken vanzelfsprekend betrokken hetgeen ter onderbouwing daarvan is aangevoerd, alsmede wat daaromtrent door de advocaat-generaal naar voren is gebracht. Het hof zal hierna de concrete verzoeken bespreken. Het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ-EU Standpunt verdediging De verdediging heeft het hof verzocht in dit stadium van de behandeling van de strafzaak prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna ook: het HvJ). Daartoe is gesteld dat in het arrest van de Grote Kamer van het HvJ van 30 april 2024 (C-670/22) twee ‘fasen’ van interceptie van telecommunicatie worden onderscheiden. Voor de verkrijging geldt artikel 31 Richtlijn 2024/41 tenzij sprake is van een Europees Opsporings Bevel (hierna ook: EOB) dat tot die verkrijging heeft geleid. Het HvJ heeft hiervoor in genoemd arrest antwoord gegeven op vragen over de uitleg van genoemde richtlijn. Die uitleg kan niet zonder meer één op één worden overgenomen voor de verwerking van data uit telecommunicatie. De verdediging wenst na te gaan wat de exacte regels zijn voor een gemeenschappelijk onderzoeksteam nu in de onderhavige zaak op basis van een JIT- overeenkomst is gehandeld. De verdediging heeft (onder meer) vragen voorgesteld die zien op toestemming aan een gemeenschappelijk onderzoeksteam door een rechter voor het verkrijgen en overdragen van bewijsmateriaal en het afleggen van verantwoording door het gemeenschappelijke onderzoeksteam in de wijze van opereren. De verdediging beoogt hiermee algemene, juridische kaders duidelijk te krijgen voor het gebruik in strafzaken van uit interceptie van telecommunicatie verkregen data. De verdediging heeft daarbij volledigheidshalve gewezen op het feit dat in dit verband al procedures lopen bij het Gerecht van de Europese Unie. Indien prejudiciële vragen in deze strafzaak worden gesteld, zouden die evenwel versneld kunnen worden behandeld door het HvJ, aangezien voor gedetineerde verdachten een spoedprocedure geldt. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het stellen van prejudiciële vragen niet noodzakelijk is. De verdediging lijkt zich op het standpunt te stellen dat met de verkrijging van de Sky-ECC-data een kennisgeving als bedoeld in artikel 31 van Richtlijn 2024/41 nodig is. De advocaat-generaal volgt dit standpunt niet. In deze zaak is samengewerkt binnen een JIT (gemeenschappelijk onderzoeksteam). Uit het dossier volgt duidelijk hoe door de betrokken landen tot de keuze is gekomen een JIT-overeenkomst te sluiten. Een JIT wordt beheerst door specifieke voorschriften en is een wezenlijke andere vorm van rechtshulp dan de uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een EOB. Richtlijn 2024/41 is daarom in deze zaak niet van toepassing. Beslissing hof Het hof zal bij de beraadslaging na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting onder meer dienen te beoordelen, indien van een daarop betrekking hebbend verweer sprake zal zijn, of artikel 31 van Richtlijn 2024/41, waarin de notificatieplicht wordt geregeld, in het onderhavige geval vereist was. Het hof acht het niet nodig, daarop vooruitlopend, in dit stadium van de behandeling in hoger beroep aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen te stellen. Het hof merkt op dat de JIT-overeenkomst thans nog geen deel uitmaakt van het procesdossier en het hof daarvan dus (nog) geen kennis heeft genomen. Het hof wijst het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ af. Verzoek tot voeging van de JIT-overeenkomst. Standpunt verdediging De verdediging heeft verzocht om voeging van de JIT-overeenkomst, daartoe stellende dat deze mogelijk meer inzicht kan bieden ten aanzien van de vraag welke opsporingsbevoegdheden zijn uitgeoefend en door wie, waar en onder welke vlag dat is gebeurd. Dat is relevant voor de beoordeling of bij de samenwerking tussen Nederland en Frankrijk feitelijk is afgeweken van hetgeen in de JIT-overeenkomst is vastgelegd en om te kunnen bepalen of de verdediging volledig is ingelicht. Standpunt advocaat-generaal Het verzoek moet wegens gebrek aan relevantie worden afgewezen. Het dossier bevat reeds voldoende informatie om de feiten omtrent de samenwerking en de verkrijging van de data vast te stellen. In een JIT-overeenkomst wordt niet vastgelegd welke opsporingshandelingen zullen worden uitgeoefend. Het stelt slechts de regels van de samenwerking op hoofdlijnen vast. Het vertrouwensbeginsel verzet zich ertegen de rechtmatigheid van de verkrijging van de gegevens door Frankrijk te toetsen. Daarbij komt dat de onderhavige JIT-overeenkomst ziet op een ander onderzoek dan het onderhavige onderzoek Wemela. Reeds daarom kan niet zonder meer worden aangenomen dat de JIT-overeenkomst in de onderhavige zaak voldoet aan het relevantiecriterium. Beslissing hof Het verzoek tot het voegen van de JIT-overeenkomst wordt - met inachtneming van de artikelen 149a en 149b Sv - toegewezen, met dien verstande dat (persoons)gegevens in deze overeenkomst die in verband met opsporings- en/of veiligheidsbelangen in het kader van enig (ander) strafrechtelijk onderzoek dan wel enig staatsgeheim niet kunnen worden bekendgemaakt, onleesbaar dienen te worden gemaakt. Ingevolge artikel 149a lid 2 Sv behoren tot de processtukken alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Ingevolge artikel 5.2.1 lid 3 Sv worden in de JIT-overeenkomst in elk geval - onder meer - het doel, de bestaansperiode en de door Nederlandse ambtenaren op buitenlands grondgebied en de door buitenlandse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied uit te oefenen opsporingsbevoegdheden vastgelegd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de JIT-overeenkomst redelijkerwijs van belang kan zijn voor de door het hof te nemen beslissingen. Dat de JIT-overeenkomst ziet op een ander onderzoek -zoals de advocaat-generaal stelt- doet daaraan in dit geval niet af. In de brief van het openbaar ministerie van 2 juni 2022 is namelijk vermeld dat vanaf de start van het eerste Nederlandse strafrechtelijk onderzoek naar (het gebruik van) SkyECC door Frankrijk, België en Nederland binnen het Joint Investigation Team (JIT) - opgericht per 13 december 2019 - is samengewerkt en in dat kader onderling kennis en expertise zijn gedeeld. Het hof begrijpt dat het onderzoek Wemela één van de onderzoeken is die hieruit zijn voortgekomen. Voorts heeft de Hoge Raad in dit verband geoordeeld dat niet primair de aard van het stuk, maar de relevantie daarvan, bepalend is voor het antwoord op de vraag of een stuk aan het strafdossier moet worden toegevoegd (ECLI:NL:HR:2021:218). Het hof draagt de advocaat-generaal op de overeenkomst ter voeging aan het hof te overleggen. Verzoek tot het horen als getuigen van zaaksofficier van justitie [nummer] en van de opsteller van het Franse document D2 De verdediging heeft op de zitting een Frans document (met vertaling in het Nederlands) overgelegd, opgesteld (zo begrijpt het hof) door [brigadier] , Brigadier de Police, Direction generale de la Police Nationale en gedagtekend 19 augustus 2019. Daarin is onder meer vermeld dat op 27 mei 2019 een werkoverleg heeft plaatsgevonden bij Europol (Nederland) in aanwezigheid van Belgische en Nederlandse autoriteiten. Dit document wordt hierna document D2 genoemd. Standpunt verdediging De verdediging heeft verzocht de zaaksofficier van justitie [nummer] en de opsteller van document D2 (de verdediging noemt [naam 3] ) te horen als getuigen. Daartoe heeft de verdediging in het bijzonder gewezen op een alinea in dat document (hieronder weergegeven in de beslissing van het hof), waaruit volgens de verdediging blijkt dat de Nederlandse autoriteiten de Franse autoriteiten hebben verzocht om bijstand bij het tappen van de servers van SkyECC, gehost in Roubaix. Daarmee gaat de betrokkenheid van de Nederlandse autoriteiten bij het Franse opsporingsonderzoek verder dan tot nu toe door het openbaar ministerie is gesteld en is sprake van de toepassing van een opsporingsbevoegdheid in het buitenland op initiatief van de Nederlandse autoriteiten. Dat brengt met zich dat die toepassing moet worden getoetst aan de vereisten die daarvoor gelden op grond van het Nederlandse strafprocesrecht. De verdediging wenst de getuigen te bevragen over de achtergrond van de betreffende alinea in het document D2 en over de vraag in hoeverre het openbaar ministerie in de brief van het Landelijk Parket van 2 juni 2022 opzettelijk onvolledige informatie heeft gegeven. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de genoemde personen schriftelijk vragen te laten beantwoorden. Daarnaast heeft de verdediging verzocht dezelfde zaaksofficier van justitie, die één van de opstellers is van de brief van 2 juni 2022, te horen over de (rechtmatigheid en betrouwbaarheid van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.