GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.337.152/01 zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/339743 / HA ZA 23-281 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 juni 2025 inzake KIXX INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Alkmaar, appellante in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat: mr. E. Hoekstra te Alkmaar, tegen [geïntimeerde] , wonend te [plaats] (NH), geïntimeerde in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat: mr. R. Winters te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Kixx en [geïntimeerde] genoemd. Kixx is bij dagvaarding van 9 november 2023 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Noord-Holland van 9 augustus 2023 en 8 november 2023, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Kixx als gedaagde. Bij tussenarrest van 13 februari 2024 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald. De mondelinge behandeling na aanbrengen heeft niet plaatsgevonden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven; - memorie van antwoord, tevens houdende incidentele conclusie ex artikel 234 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties; - antwoordconclusie in het incident, met producties. Vervolgens is arrest gevraagd in het incident. In het incident heeft [geïntimeerde] gevorderd dat het bestreden vonnis van 8 november 2023 alsnog uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Kixx in de kosten van dit incident. Kixx heeft geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit incident, inclusief nakosten. 2Beoordeling in het incident 2.1 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank, op vordering van [geïntimeerde] , Kixx veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 100.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 13 oktober 2022 tot de dag van betaling, Kixx veroordeeld in de proceskosten en het meer of anders gevorderde afgewezen. De veroordelingen zijn niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank heeft daartoe in rechtsoverweging 4.13 het volgende overwogen: “Kixx heeft als productie 4 een brief van accountant [naam] van 12 oktober 2023 overgelegd. Deze brief geeft een overzicht van de schuldpositie van Kixx per die datum. Uitgaande van de (niet betwiste) juistheid van dit schema, waarin ook de vordering van [geïntimeerde] is opgenomen, is het in het belang van Kixx om nog enige tijd te krijgen tot een eerlijke afwikkeling te komen met al haar schuldeisers, niet alleen [geïntimeerde] . De belangen van partijen afwegend ziet de rechtbank daarom aanleiding om de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad af te wijzen.” 2.2 Kort gezegd stelt [geïntimeerde] ter onderbouwing van zijn incidentele vordering tot het alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het bestreden vonnis het volgende. Na het bestreden vonnis hebben zich feiten en omstandigheden voorgedaan die kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt afgeweken. Bij brief van 8 april 2024 heeft [bedrijf] enig aandeelhouder en bestuurder van Kixx, aan [geïntimeerde] meegedeeld dat Kixx per 21 maart 2024 is ontbonden door middel van een turboliquidatie en dat zijn vordering bij gebrek aan baten onbetaald zal blijven. [geïntimeerde] heeft gegronde redenen om te twijfelen aan de rechtmatigheid van deze (ondoorzichtige) gang van zaken en heeft in een procedure die thans bij de rechtbank Noord-Holland loopt heropening van de vereffening van Kixx verzocht. Gelet hierop heeft [geïntimeerde] groot belang erbij dat het bestreden vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, want door het onrechtmatig handelen van Kixx dreigt hij achter het net te vissen. Bovendien is de ratio van de beslissing van de rechtbank om die verklaring aan haar vonnis te onthouden komen te vervallen. 2.3. Kixx heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan. 2.4. Bij de beoordeling van de onderhavige incidentele vordering stelt het hof het volgende voorop (vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.