GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 23/458 24 juni 2025 uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. A. Bakker) tegen de uitspraak van 12 april 2023 in de zaak met kenmerk AMS 22/2047 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] , de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het beroep van belanghebbende richtte zich tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar over de WOZ-waarde van de onroerende zaak [straat] 295 H te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2015. 1.2. Belanghebbende heeft met een beroepschrift hoger beroep ingesteld en de heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2025. Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 1.4. Bij bericht van 9 april 2025 is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om op een verklaring ter zitting van de heffingsambtenaar over de verstrekking van gegevens in de bezwaarfase te reageren. Van die mogelijkheid heeft hij gebruik gemaakt. 1.5. Desgevraagd heeft geen van beide partijen de wens kenbaar gemaakt te worden gehoord op een nadere zitting. Daarop heeft het Hof het onderzoek gesloten. 2Feiten Het Hof gaat uit van de volgende reeds door de rechtbank vastgestelde feiten, die partijen niet hebben bestreden. 2.1. Belanghebbende is erfpachter van de woning. Het gaat om een benedenwoning van 67 m² met een secundair woningdeel van 73 m² en een tuin van 112 m² 2.2. In het kader van de regeling van de gemeente [Z] voor overstap naar eeuwigdurend erfpacht heeft belanghebbende om een nieuwe WOZ-beschikking verzocht voor het belastingjaar 2015. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 29 november 2021 de waarde van de woning vastgesteld op € 288.000. Op 16 november 2020, 13 januari 2021 en 6 december 2021 hebben hoorgesprekken met de gemachtigde van belanghebbende plaatsgevonden en op 25 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 3Geschil in hoger beroep In geschil of de waarde van de woning in de zin van artikel 17 van de Wet WOZ op de peildatum 1 januari 2014 minder was dan € 288.000 en of formele/procedurele tekortkomingen bij de vaststelling van die waarde of althans de behandeling van het bezwaar aan de orde zijn. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil onder meer het volgende overwogen: “Zijn de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar? 24. [ Belanghebbende] heeft op de zitting betoogd dat de vergelijkingsobjecten onvoldoende vergelijkbaar zijn met de woning, omdat de woning – anders dan de vergelijkingsobjecten – is gelegen aan een drukke weg. De rechtbank volgt [belanghebbende] niet in zijn stelling. De in het taxatierapport van de heffingsambtenaar genoemde vergelijkingsobjecten zijn niet te ver van de waardepeildatum verkocht en wat type, bouwjaar en ligging betreft goed vergelijkbaar met de woning. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten zijn daarom een goed uitgangspunt bij het bepalen van de waarde van de woning. Heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met de verschillen? 25. Voor zover [belanghebbende] heeft betoogd te stellen dat er onvoldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, faalt deze beroepsgrond. De rechtbank merkt op dit punt op dat [de heffingsambtenaar] vanwege de drukke weg ook rekening gehouden heeft met een matige ligging ten opzichte van de gemiddelde ligging van de vergelijkingsobjecten. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar de woning per vierkante meter (€ 2.345,-) lager heeft gewaardeerd dan de vergelijkingsobjecten (€ 3.179,-) hetgeen neerkomt op een verschil van € 55.878.-. Naar het oordeel van de rechtbank is dit verschil zo groot dat hiermee voldoende rekening is gehouden met de door [belanghebbende] genoemde verschillen. Voor zover [belanghebbende] heeft gesteld dat voor het bewoonbaar maken van de woning een investering nodig is van € 250.000,-, heeft hij deze stelling niet onderbouwd met bijvoorbeeld een taxatierapport. De door [belanghebbende] voorgestelde waarde is derhalve slechts een blote stelling, waarbij niet inzichtelijk is hoe deze waarde tot stand is gekomen. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.” 5Beoordeling van het geschil in hoger beroep WOZ-waarde van de woning 5.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep in de kern de gronden van het beroep herhaald. Het Hof komt op basis daarvan niet tot een ander oordeel over de waarde van de woning dan de rechtbank en onderschrijft in dat verband rechtsoverwegingen 24 en 25 van de bestreden uitspraak. Belanghebbende heeft verder over de waarde van de woning in wezen slechts standaardgrieven geformuleerd die het Hof steeds heeft verworpen in zaken waarin zijn gemachtigde rechtsbijstand heeft verleend. Die grieven falen ook in deze zaak, om de redenen als vermeld in de uitspraak van 31 oktober 2023, ECLI:GHAMS:2023:2594. Formele/procedurele grieven 5.2. Onnavolgbaar is verder het standpunt van belanghebbende dat geen “sprake is van een deugdelijke motivering”, omdat de heffingsambtenaar “op grond van artikel 40 lid 2 Wet WOZ op diens verzoek de gegevens [moet] verstrekken die ten grondslag aan de WOZ-waarde liggen”. Het een (een ondeugdelijke motivering) volgt namelijk niet zonder meer uit het ander (het schenden van een informatieverplichting). 5.3. Het in 5.2 weergegeven standpunt faalt ook als het welwillend wordt opgevat, in de zin dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ bepaalde gegevens niet of niet tijdig heeft verstrekt, ondanks een specifiek verzoek tot het verstrekken daarvan. Belanghebbende heeft in hoger beroep namelijk niet gesteld, laat staan gesubstantieerd, dat (en wanneer) zij in de bezwaarfase specifiek heeft verzocht om bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn vermeld en welke gegevens vervolgens niet (of niet tijdig) aan haar zijn verstrekt. De heffingsambtenaar heeft bovendien ter zitting bij het Hof geloofwaardig verklaard dat hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.