GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.345.360/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 11054906 \ KK EXPL 24-267 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 juli 2025 inzake [appellant] , gevestigd te [plaats 2] , appellante, advocaat: mr. P. Salim te Amsterdam, tegen [geïntimeerde 1] , wonend te [plaats 1] , geïntimeerde, advocaat: mr. L.Q. Jolink te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde 1] genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 30 juli 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 2 juli 2024, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde 1] als eiser en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis). Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven; - memorie van antwoord, met een productie. Partijen hebben de zaak ter zitting van 23 mei 2025 doen bepleiten, [appellant] door mr. Salim, voornoemd, en [appellant] door mr. Jolink voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde 1] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in beide instanties. [geïntimeerde 1] heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de grieven van [appellant] en tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] , met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep. [geïntimeerde 1] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis 2.1. tot en met 2.11. de feiten opgesomd die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.1. [appellant] traint, coacht en ondersteunt business intelligence en data professionals. [appellant] neemt consultants in dienst en leent deze vervolgens uit aan een van haar klanten op basis van een overeenkomst van opdracht. 2.2. [geïntimeerde 1] is per 1 maart 2023 in dienst getreden bij [appellant] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van ‘Consultant’, tegen een laatst genoten salaris van € 3.000,00 exclusief bonussen. 2.3. In artikel 9.1 van de arbeidsovereenkomst is een relatiebeding opgenomen dat luidt: “Het is Werknemer verboden tijdens het dienstverband, alsmede één jaar na beëindiging daarvan, in welke vorm en hoedanigheid dan ook, direct of indirect, betrokken te zijn, c.q. zaken te doen met ondernemingen en/of personen, die relatie zijn van Werkgever, of gedurende de laatste 12 maanden van het dienstverband relatie waren en waarvoor Werknemer diensten heeft verricht. Bij beëindiging van het dienstverband wordt door Werkgever een lijst opgesteld waarin aangegeven wordt welke relaties dit de laatste 12 maanden van het dienstverband waren en door de Werknemer gedurende een jaar niet mogen worden benaderd behoudens schriftelijke toestemming van Werkgever.” 2.4. Op overtreding van het relatiebeding is in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst een boete gesteld. 2.5. [geïntimeerde 1] is op basis van een zogenaamde inleen-doorleenconstructie via [bedrijf 1] (hierna [bedrijf 1] ) werkzaamheden gaan verrichten bij [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). 2.6. Artikel 9.1 van de tussen [bedrijf 1] als opdrachtgever met [appellant] als opdrachtnemer gesloten overeenkomst van opdracht luidt: “Het is Opdrachtnemer [ [appellant] , hof] en Opdrachtuitvoerder [ [geïntimeerde 1] , hof] zowel gedurende de looptijd van deze overeenkomst als gedurende een periode van 1 jaar na het einde daarvan verboden om met de Derde [ [bedrijf 2] , hof] op enigerlei wijze, direct of indirect, een zakelijke relatie aan te gaan en/of voor die Derde werkzaamheden te (doen) verrichten en/of diensten te (doen) verlenen (al dan niet om niet), behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van Opdrachtgever [ [bedrijf 1] , hof].” 2.7. De tewerkstelling van [geïntimeerde 1] bij [bedrijf 2] is meerdere keren verlengd. 2.8. In augustus 2023 heeft [geïntimeerde 1] aan [appellant] meegedeeld dat hij vanaf november 2023 als freelancer voor [bedrijf 2] wil gaan werken. [appellant] heeft [geïntimeerde 1] daarop laten weten dat hij de arbeidsovereenkomst kan opzeggen en vanaf 1 november 2023 als freelancer kan gaan werken, maar dat het hem niet is toegestaan om voor [bedrijf 2] te werken vanwege het relatiebeding dat met hem is overeengekomen. 2.9. Bij brief van zijn gemachtigde aan [appellant] van 1 februari 2024 heeft [geïntimeerde 1] zich op het standpunt gesteld, voor zover van belang, dat het relatiebeding niet van toepassing is op [bedrijf 2] en heeft hij [appellant] verzocht hem te bevestigen dat zij [geïntimeerde 1] niet aan het relatiebeding zal houden voor wat betreft [bedrijf 2] . 2.10. In reactie hierop heeft de gemachtigde van [appellant] bij brief van 12 februari 2024 aan [geïntimeerde 1] laten weten dat [appellant] hem onverkort zal houden aan het relatiebeding. 2.11. Bij e-mail van 8 mei 2024 heeft [bedrijf 1] aan [appellant] bericht dat zij niet ermee akkoord is dat [geïntimeerde 1] als ZZP’er aan de slag gaat bij [bedrijf 2] . 3Beoordeling 3.1. [geïntimeerde 1] heeft in eerste aanleg, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, als voorlopige voorziening gevorderd om (I) primair te bepalen dat het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde 1] en [appellant] geschorst zal zijn en zal blijven met onmiddellijke ingang zodat [geïntimeerde 1] als freelancer werkzaamheden kan uitvoeren voor [bedrijf 2] ; (II) subsidiair, voor het geval het concurrentiebeding slechts deels wordt geschorst, om te bepalen dat [appellant] een vergoeding verschuldigd is voor de periode dat het concurrentiebeding aan het uitvoeren van werkzaamheden als freelancers van [geïntimeerde 1] bij [bedrijf 2] in de weg staat; en (III) zowel primair als subsidiair om [appellant] te veroordelen in de proceskosten. 3.2. [appellant] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde 1] , met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de proceskosten. 3.3. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter overwogen dat niet in geschil is dat het relatiebeding rechtsgeldig is overeengekomen, zij het dat het beding eenzijdig door [appellant] is opgesteld. Partijen verschillen van mening over de uitleg van het beding en in het bijzonder over wie of wat onder het begrip ‘relatie’ moet worden verstaan. Tussen [bedrijf 2] en [appellant] bestaat geen contractuele relatie. [appellant] heeft de bedoeling en strekking van de term ‘relatie’ in het relatiebeding niet met [geïntimeerde 1] besproken. Onder deze omstandigheden mocht [appellant] er niet zonder meer op vertrouwen dat [geïntimeerde 1] redelijkerwijs had moeten begrijpen dat [appellant] de term relatie zo ruim opvatte dat het daarbij ook gaat om relaties van relaties. De primaire vordering van [geïntimeerde 1] is om die reden toegewezen, in die zin dat het relatiebeding gedeeltelijk zal worden geschorst, namelijk voor zover het betreft de beoogde freelancewerkzaamheden van [geïntimeerde 1] bij [bedrijf 2] . [appellant] is in de proceskosten veroordeeld. 3.4. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met haar grieven op. Schending relatiebeding? 3.5. Met de grieven I tot en met III komt [appellant] op tegen de uitleg door de kantonrechter van het begrip relatie. 3.6. De vraag is aan de orde of het overeengekomen relatiebeding, vooruitlopend op een (eventueel) te voeren bodemprocedure, moet worden geschorst. Hiervoor moet de reikwijdte van het overeengekomen relatiebeding worden bepaald. Partijen verschillen van mening over de betekenis van het begrip ‘relaties’ in dat beding (artikel 9 lid 1 van de arbeidsovereenkomst). Volgens [geïntimeerde 1] valt [bedrijf 2] niet onder dat begrip, terwijl [appellant] stelt dat dit wel het geval is. 3.7. Bij de beantwoording van de vraag wat partijen (in een schriftelijke overeenkomst) hebben afgesproken, komt het ingevolge de Haviltex-maatstaf aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de desbetreffende bepaling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.