GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1 zaaknummer : 200.332.533/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10043069 CV EXPL 22-10499 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 juni 2025 inzake STADSHART B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante, geïntimeerde in incidenteel appel, advocaat: mr. Th.C. Visser te Rotterdam, tegen 1. [geïntimeerde 1] , gevestigd te [plaats] , 2. [geïntimeerde 2] , wonend te [plaats] , 3. [geïntimeerde 3] , wonend te [plaats] , geïntimeerden, appellanten in incidenteel appel, advocaat: mr. A.M. van der Zwart te Leusden. Partijen worden hierna Stadshart en (geïntimeerden gezamenlijk) [geïntimeerden] genoemd. Tegenwoordig zijn: mr. M.A. Wabeke - voorzitter mr. R.J.M. Smit - raadsheer mr. J.E. van der Werff - raadsheer mr. M.J.S. Crousen - griffier Verschenen zijn: aan de zijde van Stadshart: - [naam 1] (financieel manager Stadshart) en [naam 2] (accountant ABC), bijgestaan door mr. Visser voornoemd en mr. S. Nooteboom, advocaat te Rotterdam, aan de zijde van [geïntimeerden] : - [naam 3] , [naam 4] en zijn echtgenote, bijgestaan door mr. van der Zwart voornoemd. Ook aanwezig is [naam 5] (tolk). Bij vonnis van 12 september 2023 (hierna: het bestreden vonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Stadshart als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagde, heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam de vorderingen van Stadshart afgewezen en Stadshart veroordeeld in de kosten van het geding en nakosten. Stadshart is bij appeldagvaarding van 18 september 2023 in hoger beroep gekomen tegen dit vonnis. De zaak is op de rolzitting van 26 september 2023 aangebracht. Bij arrest van 10 oktober 2023 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze zitting heeft op 13 februari 2024 plaatsgevonden. Partijen hebben toen geen minnelijke regeling getroffen. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich niet bij de stukken. Vervolgens heeft Stadshart op 30 april 2024 een memorie van grieven genomen. [geïntimeerden] heeft op 9 juli 2024 een memorie van antwoord tevens incidenteel appel met producties genomen. Stadshart heeft op 17 september 2024 een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen. Stadshart heeft geconcludeerd dat het hof, in principaal appel – uitvoerbaar bij voorraad – het bestreden vonnis zal vernietigen, een tijdstip zal vaststellen waarop de huurovereenkomst tussen partijen wordt beëindigd en [geïntimeerden] veroordeelt het gehuurde te ontruimen. In incidenteel appel heeft Stadshart geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de vordering van [geïntimeerden] , met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties in zowel principaal als incidenteel appel, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten. [geïntimeerden] heeft geconcludeerd dat het hof de vordering van Stadshart afwijst en het bestreden vonnis bekrachtigt, met dien verstande dat het een langere opzegtermijn vaststelt van 10 jaar dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, met veroordeling van Stadshart in de proceskosten van beide instanties. Tijdens de mondelinge behandeling op 26 juni 2025 hebben mrs. Visser en Van der Zwart voornoemd het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het hof beantwoord. Van het verhandelde op de zitting zijn zittingsaantekeningen gemaakt, die zo nodig in een apart proces-verbaal worden uitgewerkt. Na een schorsing en hervatting van de zitting heeft het hof mondeling uitspraak gedaan, die in dit proces-verbaal schriftelijk wordt weergegeven. De zaak in het kort [geïntimeerden] huurt van Stadshart bedrijfsruimte in [plaats] . Daarin exploiteert [geïntimeerden] een snackbar. Stadshart heeft de huur opgezegd op grond van primair dringend eigen gebruik en subsidiair de stelling dat haar belangen bij beëindiging van de huurovereenkomst zwaarder wegen dan de belangen van [geïntimeerden] bij voortzetting van de huurovereenkomst. De kantonrechter heeft de vorderingen van Stadshart afgewezen. Het hof bekrachtigt dat vonnis. Beoordeling Feiten Het hof gaat uit van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, die in hoger beroep niet zijn betwist. De grieven 1. De eerste vier grieven zijn gericht tegen de afwijzing van de vordering op de primaire grondslag: het dringend eigen gebruik. 2. Deze grieven slagen niet. Ook het hof acht het dringend eigen gebruik onvoldoende aannemelijk geworden. Dat oordeel berust op het volgende. 3. Bedrijfseconomische belangen kunnen op zichzelf genomen voldoende zijn voor het aannemen van dringend eigen gebruik. Die belangen moeten echter wel voldoende aannemelijk zijn geworden, waarbij voldoende concreetheid mag worden verwacht. Die concreetheid ontbreekt in deze zaak, gelet op de volgende feiten en omstandigheden: i.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.