GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) Zaaknummers: 200.346.348/01 en 200.346.466/01 Zaaknummers rechtbank: C/13/727265 / FA RK 22-8116 en C/13/739096 / FA RK 23-5950 Beschikking van de meervoudige kamer van 22 juli 2025 in de zaak van [de man] , wonende te [plaats A] , verzoeker in principaal hoger beroep, verweerder in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. K. Mohasselzadeh te Voorburg, en [de vrouw] , wonende te [plaats B] , verweerster in principaal hoger beroep, verzoekster in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam. Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt: - de minderjarige [minderjarige 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , en - de minderjarige [minderjarige 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . In de procedure heeft een adviserende taak: de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] , hierna te noemen: de raad. 1De zaak in het kort 1.1 De zaak gaat over de zorgregeling van de kinderen met de vader, de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen. 1.2 De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft op 14 november 2023, voor zover hier van belang, de man opdracht gegeven inzage te verschaffen in zijn financiële stukken. Op 24 juni 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het verzoek van de man tot het vaststellen van een zorgregeling afgewezen, evenals het verzoek van de vrouw om een uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen. Verder is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 588,- per kind per maand met ingang van 24 juni 2024 en is een aantal beslissingen genomen in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk, zoals ten aanzien van de voormalig echtelijke woning en de inboedel. Partijen zijn het beiden oneens met een aantal beslissingen van de rechtbank. 2De procedure in hoger beroep 2.1 De man is op 23 september 2024 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de bestreden beschikking van 14 november 2023 en van een gedeelte van de bestreden beschikking van 24 juni
(2025)geveild zou worden. Beide partijen waren het erover eens dat de woning zo spoedig mogelijk onderhands verkocht moest worden. Uit de nadere akten die partijen na de mondelinge behandeling hebben ingediend, blijkt dat de woning inmiddels aan een derde is verkocht. De man heeft zijn verzoek om toedeling van de woning tijdens de mondelinge behandeling al ingetrokken. Bij deze stand van zaken heeft de man geen belang meer bij een verdere beslissing op dat deel van zijn grieven dat betrekking heeft op de wijze van verdeling van de woning. Vergoedingsrecht van € 120.789,20 (grief 4 van de vrouw) 5.37 De vrouw heeft in haar incidentele beroep onder grief 4 aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat aan de man bij verdeling van de woning een vergoedingsrecht van € 120.789,20 toekomt voor de investering die hij bij de verwerving van de woning uit eigen vermogen heeft gedaan. Onder verwijzing naar haar stellingen over de rechtsgeldigheid van ‘clausule A’ in de akte van de huwelijkse voorwaarden, heeft zij gesteld dat zij recht heeft op de helft van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen. Daaronder viel ook het bedrag van € 120.789,20. De vrouw heeft zich bovendien op het standpunt gesteld dat partijen onderling zijn overeengekomen dat zij de zorg voor de kinderen voor haar rekening zou nemen, waardoor zij niet werkte. In die periode heeft de man het bedrag van € 120.789,20 verdiend en gespaard. Op grond van deze afspraak kan dit bedrag volgens de vrouw niet volledig aan de man worden toegerekend. Bovendien heeft de vrouw haar eigen inkomen en spaargeld aan de kinderen en het gezinsleven besteed. 5.38 Het hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat de gemeenschappelijke eigendom van de woning niet voortvloeit uit het huwelijksvermogensregime van partijen. Daardoor worden de verhoudingen tussen partijen ten aanzien van deze woning niet beheerst door het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 en moet het hof nagaan welk IPR-instrument wel van toepassing is. Hiertoe moet het hof eerst de vordering van de man kwalificeren. Zoals hierna nog nader zal worden gemotiveerd, moet de vordering van de man naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een regresvordering. Deze vordering wordt op grond van artikel 16 Rome I Vo (Verordening EG, nr. 593/2008) beheerst door het Nederlandse recht, nu de koop van de woning ook door het Nederlandse recht werd beheerst (zie artikel 4 lid 1 sub c Rome I Vo. 5.39 Vaststaat dat partijen de woning, die in Nederland is gelegen, samen hebben gekocht en ieder bij helfte geleverd hebben gekregen. Zij waren dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de verschuldigde koopprijs van de woning, en dienden deze koopprijs bij helfte te dragen, nu gesteld noch gebleken is dat zij op dit punt afwijkende afspraken hebben gemaakt, Indien en voor zover een partij meer heeft voldaan dan waartoe hij op grond van een onderlinge draagplicht verschuldigd was, heeft hij (ingevolge artikel 6:10 lid 2 BW) een regresvordering op de andere partij. Partijen hebben de koopprijs voor de woning voor het grootste deel voldaan middels een hypothecaire geldlening, waarvoor zij – naar zij beide aannemen - ieder bij helfte draagplichtig zijn. De man heeft echter ook nog een bedrag van € 120.978,20 uit eigen vermogen voldaan. Niet is komen vast te staan dat dit bedrag op grond van een onderlinge afspraak tussen partijen of anderszins (mede) aan de vrouw toebehoorde. De man heeft de door de vrouw gestelde afspraak daarover betwist, tegenover welke betwisting de vrouw haar stellingen niet nader heeft onderbouwd. Hierom kan de vrouw niet worden gevolgd in haar betoog dat het door de man geïnvesteerde bedrag van € 120.789,20 niet volledig aan hem kan worden ‘toegerekend’. Daarnaast heeft hof hiervoor reeds geoordeeld dat ‘clausule A’ in de akte van huwelijkse voorwaarden van partijen volledig buiten beschouwing moet worden gelaten, zodat de vrouw ook niet uit dien hoofde gerechtigd was tot (de helft van) het door de man in de woning geïnvesteerde bedrag. Hiermee staat vast dat de man van de verschuldigde koopprijs voor de woning een bedrag van € 60.489,10 méér heeft gedragen, dan waartoe hij in de onderlinge verhouding tussen partijen gehouden was. Om die reden heeft hij op grond van artikel 6:10 lid 2 BW een regresvordering van € 60.489,10 op de vrouw verkregen. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat de man bij verdeling van de woning eerst recht heeft op vergoeding van een bedrag van € 120.789,20, waarna partijen ieder gerechtigd zijn tot de helft van de waarde/verkoopopbrengst van de woning, Nu geen van partijen tegen deze wijze van afwikkeling op zichzelf heeft gegriefd, en deze wijze van afwikkeling in materieel opzicht tot hetzelfde resultaat leidt als wanneer de man een regresvordering van € 60.489,10 op de vrouw heeft, zal het hof deze beslissing van de rechtbank in stand laten. Grief 4 van de vrouw faalt derhalve. Vergoedingsrecht ad € 61.127,24 (hypotheeklasten) (grief 8 van de man) 5.40 Naast het vergoedingsrecht in verband met de aankoop van de woning, stelt de man naar het hof begrijpt ook nog een vergoedingsrecht op de vrouw te hebben omdat hij gedurende het huwelijk bij uitsluiting van de vrouw de lasten verbonden aan de hypothecaire geldlening van de woning heeft voldaan. De man heeft deze lasten op een bedrag van € 122.254,47 gesteld, en vordert van de vrouw de helft van dit bedrag terug. De vrouw betwist dat dit bedrag aan de man is verschuldigd. Volgens haar heeft de man niet met bewijsstukken onderbouwd dat hij de door hem genoemde betalingen heeft gedaan. Daarnaast heeft de vrouw tijdens het huwelijk ook bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Zij heeft er bovendien op gewezen dat de man op grond van de artikelen 1106 en 1107 van het Iraans Burgerlijk Wetboek gehouden was om alle kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen. 5.41 Het hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat het door de man gevorderde bedrag voor een gedeelte bestaat uit rente die hij over de hypothecaire geldlening heeft betaald, en voor een ander deel uit aflossing op diezelfde lening. De rentetermijnen kwalificeren (in ieder geval naar Nederlands recht) als kosten van de huishouding. Voor aflossingen geldt dat (in ieder geval naar Nederlands recht) niet. In die aflossingen is immers een element van vermogensopbouw gelegen. De man heeft echter niet gesteld welk deel van het door hem gevorderde bedrag op de rente betrekking heeft, en welk deel op aflossing. Weliswaar heeft hij als productie 8 bij zijn akte in eerste aanleg d.d. 23 april 2024 afschriften overgelegd waaruit betaling van de door hem genoemde bedragen volgt, maar uit die afschriften volgt niet welk deel van de betaling op rente betrekking heeft, en welk deel op aflossing. Reeds om die reden dient zijn vergoedingsvordering te worden afgewezen. Het is immers aan de man om te stellen, en bij voldoende betwisting door de vrouw te onderbouwen, uit welke elementen zijn vordering is opgebouwd, waarna het hof ten aanzien van die onderscheidenlijke elementen (eerst) kan vaststellen naar welk recht dit deel van de vordering beoordeeld dient te worden en daarna of, en zo ja voor welk gedeelte, die vordering eventueel kan worden toegewezen. Nu de man dit alles heeft nagelaten, kan het hof aan deze beoordeling niet toekomen. Het verzoek om een vergoeding zal dan ook worden afgewezen. Gebruiksvergoeding (grief 9a en 9b van de man) 5.42 De grieven 9a en 9b van de man zijn gericht tegen de rechtsoverwegingen 2.5.2 van de (tussen)beschikking van de rechtbank van 14 november 2023 en 2.5.24 van de beschikking van de rechtbank van 24 juni 2024. Het hof begrijpt deze grieven van de man aldus dat hij wil dat het hof (alsnog) een door de vrouw aan hem te betalen gebruiksvergoeding vaststelt voor het exclusieve gebruik van de woning dat zij vanaf 16 september 2022 heeft gehad, terwijl hij in die periode wel de helft van de gebruikers- en eigenaarslasten van de woning heeft voldaan. De man vraagt een gebruiksvergoeding van € 2.000,- per maand (stellende dat dit de waarde van de huuropbrengst van de woning zou zijn als de vrouw daarin niet verbleef) en is van mening dat dit verzoek naar Iraans recht beoordeeld dient te worden. 5.43 De vrouw heeft verweer gevoerd. Naar haar mening dient dit verzoek naar Nederlands recht beoordeeld te worden. Zij betwist verder dat de man de lasten van de woning volledig is blijven betalen. Er is een achterstand ontstaan, en bank heeft om die reden aangekondigd de woning te gaan executeren. Er bestaat volgens de vrouw bovendien geen rechtsgrond voor het toekennen van een gebruiksvergoeding. Indien en voor zover al een gebruiksvergoeding aan de man zou worden toegekend, kan dat niet met ingang van een eerdere datum dan dat de vrouw daar redelijkerwijs rekening mee kon houden. De omvang van de gebruiksvergoeding dient in dat geval te worden gebaseerd op een gering rendementspercentage, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met de lasten die de vrouw voor de woning heeft betaald. 5.44 Het hof oordeelt als volgt. Anders dan de man primair heeft betoogd, dient het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding naar Nederlands recht beoordeeld te worden. Dit verzoek vloeit immers voort uit de gemeenschappelijke eigendom van de woning. In die gemeenschappelijke eigendom ligt ook het (gelijke) recht op gebruik daarvan besloten. Op grond van artikel 10:127 BW worden de goederenrechtelijke aspecten ten aanzien van de woning beheerst door het Nederlandse recht (vgl. rechtsoverweging 5.35 hiervoor). Dat geldt dus ook voor de aanspraak op een gebruiksvergoeding die de man in het kader van het gederfde gebruik van de woning jegens de vrouw maakt. 5.45 Uit artikel 3:169 BW volgt dat tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Nu is gesteld noch gebleken dat sprake is van een andersluidende regeling, zijn beide partijen gerechtigd tot het gebruik van de woning. Als een van partijen van dat gebruik is uitgesloten, heeft diegene recht op een redelijke vergoeding. Vaststaat dat de vrouw vanaf 16 september 2022 het exclusieve gebruik van de woning heeft gehad. Vanaf die datum kon zij er dus rekening mee houden dat zij een vergoeding aan de man moest voldoen. Het hof zal dan ook per die datum aan de vrouw een gebruiksvergoeding opleggen. Het hof zal deze vergoeding vaststellen op een bedrag van € 1.131,04 over de periode vanaf 16 september 2022 tot en met augustus 2023, en op een bedrag van € 1.111,62 per maand over de periode vanaf 1 september 2023 tot en met het moment van levering van de woning aan de derde-koper. Daarmee wordt de gebruiksvergoeding vastgesteld op de helft van de totaal aan Florius over deze periode verschuldigde maandbedragen, zoals door de man onderbouwd in productie 8 van zijn brief d.d. 23 april 2024 aan de rechtbank. Omdat tussen partijen vaststaat dat de man een betalingsachterstand heeft opgelopen zal hieraan als voorwaarde worden verbonden dat de man de betreffende maandbedragen in de verhouding tot de vrouw (uiteindelijk) daadwerkelijk voor zijn rekening heeft genomen. Het hof is van oordeel dat het redelijk is om de door de vrouw verschuldigde gebruiksvergoeding op dit bedrag vast te stellen, omdat voor (het kunnen gebruiken van) het aandeel van de man in de woning in ieder geval die bedragen maandelijks aan Florius moesten worden voldaan. Nakoming verplichtingen (grief 5 van de vrouw) 5.46 In haar grief 5 stelt de vrouw dat de man zich niet aan de gemaakte afspraken houdt. Zij stelt dat de man de door hem verschuldigde kinderalimentatie niet heeft voldaan, en dat hij ook zijn aandeel in de hypotheeklasten voor de echtelijke woning niet heeft betaald. Daardoor is bij (Florius) een betalingsachterstand ontstaan, waardoor partijen een BKR-registratie hebben gekregen en de woning executoriaal verkocht dreigde te worden. Om deze redenen verzoekt de vrouw – zo begrijpt het hof – om de man te veroordelen om aan haar te vergoeden dat deel van de hypotheeklasten dat zij voor de man aan Florius heeft betaald. Daarnaast wil zij, naar het hof begrijpt, dat het hof bepaalt dat de man eraan meewerkt dat zij (de voorwaarden van) de huidige hypothecaire geldlening bij Florius kan overnemen, zodat zij daarvan kan profiteren bij de aanschaf van een nieuwe woning. 5.47 De man heeft betwist dat hij gehouden is om aan de vrouw de door haar aan Florius betaalde bedragen (deels) te vergoeden. De vrouw heeft immers in die periode het uitsluitend gebruik van de woning gehad, en was dus gehouden deze lasten volledig te voldoen. Wat betreft het overnemen van de voorwaarden van de hypothecaire geldlening heeft de man erop gewezen dat de bank de financieringsovereenkomst heeft opgezegd, en tot executie van de woning is overgegaan. Daarnaast heeft de man op de BKR-registratie gewezen. Het verzoek van de vrouw dient volgens hem om die redenen te worden afgewezen. 5.48 Het hof oordeelt als volgt. De vrouw heeft niet gesteld welke bedrag zij van de man vordert, en op welke periode de terugbetalingsverplichting van de man ziet. Zij heeft slechts gevorderd dat de man aan haar ‘een bedrag ter grootte van de helft van de bij Florius opgebouwde hypotheekschuld’ dient te betalen (zie punt VI van haar petitum). Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw daarmee onvoldoende gesteld om tot een verdere beoordeling van haar verzoek te kunnen komen. Het verzoek van de vrouw zal reeds om die reden afgewezen worden. 5.49 Wat betreft het verzoek ten aanzien van de overname van de voorwaarden van de hypothecaire geldlening bij Florius, is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bank deze overname zou goedkeuren, ook niet als de man daaraan zijn medewerking zou moeten verlenen. De bank heeft immers de financieringsovereenkomst opgezegd en de executie van de woning aangezegd. Daarnaast heeft de bank een BKR-melding tegen partijen gedaan. De vrouw heeft dan ook geen, dan wel onvoldoende, belang bij haar verzoek, althans heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan een voldoende belang kan worden aangenomen. De inboedel (grief 4 van de man en grief 5 van de vrouw) 5.50 Beide partijen hebben een grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de inboedel. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zij echter overeenstemming met elkaar bereikt over de verdeling van de inboedel. Zij zijn met elkaar overeengekomen dat de inboedel zoveel mogelijk samen met de woning wordt verkocht, behoudens de inboedelgoederen van de kinderen. De prijs die voor deze inboedel wordt betaald, zal volledig aan de man toekomen. De inboedelgoederen die niet worden verkocht, worden aan de man toegedeeld, zonder verrekening van de waarde daarvan. De man zal deze goederen vóór de datum van levering uit de woning komen ophalen. De inboedelgoederen die voor de kinderen zijn aangeschaft, worden aan de vrouw toegedeeld. Ook deze toedeling geschiedt zonder verrekening van de waarde van die goederen. 5.51 Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de inboedel, zal het hof de beslissing van de rechtbank op dit punt vernietigen en overeenkomstig hun overeenstemming beslissen. Het inzake de inboedel meer of anders verzochte zal worden afgewezen. Vergoedingsvorderingen man (grief 5 en grief 8 van de man) 5.52 In eerste aanleg heeft de man aan de rechtbank verzocht om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen zoals door hem vermeld op een overzicht dat hij als productie 16 had aangeduid. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen, omdat de man productie 16 niet in het geding had gebracht, en de onderbouwing van zijn vordering daarmee ontbrak (r.o. 2.5.17). De man heeft in hoger beroep als productie 2 een aangepast overzicht overgelegd, en het hof verzocht om de vrouw alsnog te veroordelen de daar genoemde bedragen aan hem te betalen. 5.53 In het overzicht dat de man als productie 2 in geding heeft gebracht, heeft de man 21 afzonderlijk genummerde posten opgenomen. De bedragen die bij deze afzonderlijke posten horen, tellen samen op tot een bedrag van in totaal € 202.385,33 dat de vrouw volgens de man aan hem zou moeten vergoeden. Het hof stelt vast dat op het overzicht de posten 7 en 17 niet zijn ingevuld. De bij de posten 1, 2 en 6 genoemde bedragen betreffen vergoedingsrechten ten aanzien van de auto’s en de inboedel. Tegen deze onderdelen heeft de man afzonderlijke grieven gericht. Dat betreft de grieven 4 (inboedel) en 7 (auto’s). Voor het oordeel over deze posten verwijst het hof dan ook naar de rechtsoverwegingen 5.50 en 5.51 (grief 4), respectievelijk 5.61 tot en met 5.65 (grief 7). Voor een beslissing over de juwelen (post 3 op de lijst; grief 5) verwijst het hof naar de rechtsoverwegingen 5.58 tot en met 5.60. 5.54 Het hof is van oordeel dat de man ten aanzien van de door hem in het overzicht onder de nummers 4 (Divorce legal cost in Iran), 8 (holiday trip cancellation - Italy summer 2023 children tickets), 18 (Hotel stays in 2022, when [de vrouw] unlawfully blocked my access to my house) 20 (my housing cost before VV court - 2022 till Feb 2023) en 21 (my housing cost after VV court - till October 2024 (she got a court order about exclusive use of the house only in Feb 2023)) genoemde bedragen niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij (bedragen voor) deze posten heeft voldaan. Hij heeft geen enkel bewijsstuk overgelegd waaruit volgt dat hij in dit verband bedragen heeft voldaan en, zo ja, wat daarvan de hoogte is geweest. Ook heeft hij niet toegelicht op welke gronden hij meent dat de vrouw deze bedragen aan hem dient te vergoeden. Aldus heeft de man niet aan de op hem naar geldend Nederlands procesrecht rustende stelplicht voldaan. De eisen van een goede procesorde brengen immers mee dat degene die vordert om zijn wederpartij te veroordelen om iets te doen of te laten, duidelijk naar voren brengt op welke gronden hij zijn vordering instelt. De man heeft dit nagelaten. Dit betekent dat deze door de man gevorderde bedragen reeds om die reden niet kunnen worden toegewezen. De vrouw heeft bovendien betwist dat de man bedragen voor deze posten heeft voldaan, heeft de hoogte van deze bedragen betwist alsmede dat zij gehouden is deze bedragen aan hem te vergoeden. Bij deze stand van zaken kan ook in het midden blijven naar welk recht (Iraans recht of Nederlands recht) deze vergoedingsvorderingen beoordeeld zouden moeten worden. 5.55 Wat betreft de bedragen genoemd onder de nummers 9 tot en met 16 en 19 oordeelt het hof als volgt. De onder de posten 10 tot en met 15 genoemde bedragen zien op de overige eigenaars- en gebruikslasten verbonden aan de gemeenschappelijke woning van partijen. Deze woning diende als echtelijke woning, zodat de lasten die met deze woning verband hielden als kosten van de huishouding kwalificeerden. Datzelfde geldt voor het bedrag dat de man ter zake de door hem betaalde premie ziektekostenverzekering terugvordert (post 9), het bedrag dat betrekking heeft op de premie voor de polis van levensverzekering bij Scildon (post 16), alsmede de kosten van kinderopvang die de man stelt te hebben betaald (post 19). De verplichting van echtgenoten om gedurende hun huwelijk bij te dragen in de kosten van de huishouding, kwalificeert naar internationaal privaatrecht als een onderhoudsverplichting. Om die reden dient aan de hand van het Haags Alimentatieprotocol 2007 (23 november 2007, Trb. 2011/145) beoordeeld te worden welk recht op dit deel van de verzoeken van de man van toepassing is. Op grond van artikel 3 Haags Alimentatieprotocol 2007 is het Nederlandse recht op deze verzoeken van de man van toepassing, nu de vrouw (en ook de man) haar gewone verblijfplaats in Nederland had(den) toen de man deze bedragen betaalde. 5.56 Op grond van artikel 1:84 BW dienen partijen de kosten van de huishouding – kort gezegd – naar evenredigheid van hun inkomen en vermogen te dragen. In die regeling ligt ook besloten dat wanneer een echtgenoot meer heeft bijgedragen dan waartoe hij/zij gehouden was, aanleiding kan bestaan tot vergoeding door de andere echtgenoot. Daarbij rust op de echtgenoot die zich op het standpunt stelt dat hij meer heeft bijgedragen dan waartoe hij gehouden is de stelplicht en bewijslast daarvan. Diegene doet immers een beroep op de rechtsgevolgen daarvan. Om te kunnen voldoen aan die stelplicht en bewijslast dient de betreffende echtgenoot in ieder geval te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen, wat (
- i)de totale kosten van de huishouding over ieder kalenderjaar waren, (
- ii)wie in dat betreffende jaar welke kosten heeft betaald, (iii) ten laste van welke middelen die kosten zijn voldaan, (
- iv)wie in dat betreffende jaar welk inkomen heeft genoten, en (
- v)wie welke (inkomsten uit) vermogen in dat betreffende jaar heeft gehad. Aan de hand van de bijdragen die partijen hebben geleverd, en afhankelijk van de vraag ten laste van welke middelen zij die bijdragen hebben voldaan, kan vervolgens worden vastgesteld of, en zo ja in welke jaren, een partij te veel heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding. 5.57 Het hof stelt vast dat de man ten aanzien van al deze elementen geen, dan wel onvoldoende, feiten en omstandigheden heeft gesteld. De man heeft slechts aangevoerd dat hij de door hem genoemde lasten heeft voldaan, en dat de vrouw daarvan de helft had moeten dragen. Dit is niet voldoende om de door de man gevorderde bedragen te kunnen toewijzen. Het hof zal om die reden ook dit deel van de door de man in productie 2 genoemde bedragen afwijzen. Toepassing van Iraans recht op deze vordering zou overigens tot hetzelfde resultaat hebben geleid, nu de man naar Iraans recht staande huwelijk gehouden was om alle kosten van onderhoud van de vrouw te dragen (art. 1106 en 1107 Iraans BW) Juwelen (grief 5 van de man) 5.58 Onder post 3 van de door de man als productie 2 overgelegde overzicht is een bedrag van € 39.500,- als vergoeding voor juwelen opgenomen. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de juwelen die de vrouw onder zich houdt door hem zijn betaald, en dus, naar het hof begrijpt, van hem zijn. De man wil dat de vrouw de waarde van deze juwelen aan hem vergoedt, dan wel deze juwelen aan hem teruggeeft. De man biedt aan al zijn betalingen met betalingsbewijzen te onderbouwen. 5.59 De vrouw heeft betwist gehouden te zijn tot betaling van de door de man genoemde bedragen. De man heeft volgens de vrouw onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan de vrouw überhaupt gehouden is tot betaling van de door hem genoemde bedragen. Voorts stelt de vrouw dat de man de genoemde bedragen onvoldoende heeft gemotiveerd. Nergens uit blijkt dat de man deze gelden überhaupt heeft voldaan. Bovendien zijn de juwelen van haar. Zij heeft deze geschonken gekregen, deels door de ouders van de man. De vrouw heeft in dat verband mede verwezen naar een akte die in eerste aanleg als productie 43 is overgelegd. Deze akte hebben partijen voorafgaand aan hun huwelijk op 11 september 2007 ondertekend. In de akte is onder meer opgenomen: “[…]. Men is overeengekomen dat de onderstaande zaken voor rekening zullen komen van de bruidegom: 1- Eén exemplaar van Gods woord 2. Een spiegel met kandelaar 3. Bruidsgave van 500 Bahar Azadi-munten 4. Juwelen volgens islamitisch gebruik.” 5.60 Het hof kwalificeert de vraag naar de gerechtigdheid tot de juwelen en de financiële consequenties daarvan als een vraag voortvloeiend uit het huwelijksvermogensregime van partijen. Dat betekent dat hierop het Iraanse recht van toepassing is. Naar Iraans recht geldt als uitgangspunt dat een genderspecifiek criterium wordt aangelegd voor het antwoord op de vraag wie van bepaalde roerende goederen eigenaar is. Nu de sieraden die het hier betreft vrouwensieraden zijn, geldt als uitgangspunt dat deze aan de vrouw toebehoren, tenzij de man anders bewijst. Naar Nederlands recht zou dit overigens niet anders zijn, nu de bezitter wordt vermoed eigenaar te zijn en de vrouw de sieraden in bezit heeft. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen het overzicht besproken dat achter productie 16 van de man zit (dat door de rechtbank is geweigerd en inmiddels wel tot de gedingstukken behoort) en waarop een vijftal sieraden staat vermeld. De vrouw heeft verklaard dat zij de sieraden onder 1, 2 en 4 van de ouders van de man heeft gekregen, en dat de ring genoemd onder 3 haar trouwring is. De man heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. Uit de akte die partijen voorafgaand aan hun huwelijk hebben getekend, en waarin is vastgelegd dat juwelen volgens islamitisch gebruik voor rekening van de bruidegom zullen komen, kan ook niet worden afgeleid dat de man eigenaar is geworden van de juwelen. Dat de man, naar hij stelt, de sieraden heeft betaald is gezien de akte ook niet relevant; nog daargelaten dat hij dit niet heeft onderbouwd, terwijl het op zijn weg had gelegen schriftelijke bewijsstukken tijdig in het geding te brengen. Ten aanzien van de sieraden vermeld onder sub 5 van het overzicht heeft de vrouw verklaard dat deze door een familielid van haar aan haar zijn geschonken. Ook dit heeft de man niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, weersproken. De door de man als productie 20 overgelegde verklaring van zijn ouders met bijbehorende foto’s acht het hof in dit verband te vaag en onvoldoende overtuigend om tot een andere conclusie te kunnen komen. Dit betekent dat het verzoek van de man om teruggave dan wel vergoeding van de waarde van de sieraden in zijn geheel zal worden afgewezen. De auto’s (Volvo V60 en Volvo V40) (grief 7 van de man) 5.61 Onder grief 7 heeft de man aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zijn vergoedingsvordering ter zake de auto, merk Volvo V60, heeft afgewezen. Deze auto behoort volgens hem weliswaar aan de vrouw toe, maar de man heeft de aankoopprijs voor deze auto volledig betaald. Deze aankoopprijs bedroeg € 28.000,-. De man meent dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw heeft ter grootte van dit bedrag. Verder is de man zelf eigenaar van de auto, merk Volvo V40. De vrouw heeft volgens de man schade aan deze auto veroorzaakt. De kosten voor herstel van deze schade bedroegen € 3.100,-. Volgens de man dient de vrouw deze schade aan hem te vergoeden. 5.62 De vrouw heeft verweer tegen deze vorderingen gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat de man geen juridische grondslag voor zijn vorderingen heeft aangevoerd. Volgens haar was de Volvo V60 een schenking van de man aan haar. De vrouw heeft bovendien de omvang van de aankoopprijs betwist en zich beroepen op het bepaalde in de artikelen 1106 en 1107 van het Iraans BW. De vrouw heeft verder betwist dat zij schade aan de auto van de man (de Volvo V40) heeft veroorzaakt. Daarnaast heeft hij volgens de vrouw de kosten van herstel onvoldoende onderbouwd. 5.63 Wat betreft de vergoedingsvordering voor de Volvo V60 oordeelt het hof als volgt. De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat partijen naar Iraans huwelijksvermogensrecht gescheiden vermogens hebben, en dat de vrouw om die reden gehouden is om de door hem betaalde aankoopprijs aan hem te vergoeden. Uit het door de man reeds in eerste aanleg overgelegde betalingsbewijs volgt dat hij de koopprijs voor de Volvo V60 heeft betaald, en dat de auto op naam van de vrouw is gezet. Hieruit kon evenwel nog niet worden afgeleid dat de vrouw ook eigenaar is geworden van de Volvo V60 (bepalend is immers aan wie deze is geleverd). Op de zitting heeft de man evenwel bevestigd dat de vrouw eigenaar is geworden van de Volvo V60. Bij deze stand van zaken heeft de man, die niet heeft gesteld dat hij destijds al heeft bedongen dat de vrouw hem (een deel van) de aankoopprijs zou vergoeden, de door de vrouw gestelde titel van eigendomsverkrijging (schenking) onvoldoende gemotiveerd betwist. Deze schenking is bovendien in lijn met het bepaalde in artikel 1106 en 1107 van het Iraans Burgerlijk Wetboek, waaraan, naar genoegzaam is gebleken, beide partijen zich staande huwelijk gebonden hebben geacht. Op grond van die bepalingen is de man staande huwelijk gehouden om alle kosten van onderhoud van de vrouw te dragen. Daaronder wordt verstaan de kosten die verband houden met alle materiële behoeften van de vrouw, die naar gewoonte en geschiktheid overeenkomen met haar maatschappelijke positie. De kosten van aanschaf van een auto vallen hieronder, zeker wanneer dit een gezinsauto betreft zoals in dit geval. Om deze redenen heeft de man dan ook geen vergoedingsrecht op de vrouw. 5.64 Wat betreft de door de man gevorderde vergoeding voor de schade aan zijn auto (de Volvo V40), oordeelt het hof als volgt. De grondslag voor deze vordering van de man is gelegen in een onrechtmatige daad. Dit verzoek dient daarom op grond van artikel 4 lid 2 Rome II Vo (Verordening EG, nr. 864/2007) naar Nederlands recht beoordeeld te worden, nu beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet. Daartoe zal de man op grond van artikel 6:162 BW moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de vrouw de door hem gestelde schade aan de auto heeft veroorzaakt, en wat de omvang van die schade is. De vrouw heeft betwist dat zij schade aan de auto van de man heeft veroorzaakt, en dat de man kosten voor herstel heeft gemaakt. De man heeft weliswaar foto’s overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er schade aan de auto is (zie productie 16 bij zijn verweerschrift in incidenteel beroep), maar uit deze foto’s volgt niet dat de vrouw deze schade heeft veroorzaakt. Naar het oordeel van het hof heeft de man dus niet aan de op hem rustende stelplicht voldaan. Reeds om die reden kan deze vordering van de man niet worden toegewezen. Levensverzekering (grief 6 van de man) 5.65 De man heeft onder grief 6 aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek heeft afgewezen om te bepalen dat de vrouw de overlijdensrisicoverzekering bij Scildon binnen twee dagen na betekening van de uitspraak opzegt dan wel wijzigt zodanig dat zij geen recht op een uitkering zal hebben als hij komt te overlijden. De vrouw wil de verzekering echter onverkort handhaven. Zij verwijst daarbij naar de voorwaarden van deze verzekering. 5.66 Naar het oordeel van het hof is op het verzoek van de man het Nederlandse recht van toepassing, nu de bij de verzekeringsovereenkomst betrokken partijen een rechtskeuze hebben gedaan voor Nederlands recht, het recht van het land waar de polishouder haar gewone verblijfplaats heeft. Dat volgt uit artikel 7 Rome 1 Verordening (Verordening (EG) nr. 593/2008). Uit artikel 6:2 BW volgt dat iedere verbintenis mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Bovendien is de werking van de redelijkheid en billijkheid door art. 6:216 BW jo. art. 6:248 BW uitgebreid tot alle meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de rechtshandeling zich daartegen niet verzet. De redelijkheid en billijkheid beheersen dus ook de verhoudingen tussen partijen die voortvloeien uit de polis van levensverzekering die de vrouw bij Scildon heeft afgesloten, en waar de man de verzekerde is. De vrouw heeft deze polis afgesloten toen partijen nog getrouwd waren. Onder die omstandigheden is de man ermee akkoord gegaan om een overlijdensrisicoverzekering op zijn leven af te sluiten. Nu partijen gescheiden zijn, en zij bovendien een ernstig verstoorde verhouding met elkaar hebben, brengen de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen als verzekeringnemer en verzekerde beheersen met zich mee dat de vrouw niet langer van de man kan verlangen dat hij verzekerde op de polis blijft. Dat geldt helemaal nu de voormalig echtelijke woning van partijen inmiddels is verkocht. Weliswaar was de polis niet aan de woning verbonden, maar in geval van overlijden van de man had de vrouw het uitgekeerde bedrag kunnen aanwenden om aan de verplichtingen jegens de bank te kunnen blijven voldoen. Met de verkoop van de woning is dat belang komen te vervallen. Het hof zal daarom het verzoek van de man ten aanzien van de polis bij Scildon toewijzen, en de vrouw verplichten om de polis op te zeggen dan wel de verzekerde (de persoon die op de polis staat en wiens leven is verzekerd) te wijzigen, met dien verstande dat het hof daarvoor een termijn van veertien dagen (in plaats van de door de man verzochte twee dagen) stelt. Om ervoor te zorgen dat de vrouw binnen de gestelde termijn deze verplichting nakomt, zal het hof ook de door man verzochte dwangsom opleggen. Proceskosten 5.67 Nu de beslissing in deze zaak zal worden aangehouden, wordt ook de beslissing op het verzoek van de vrouw om de man in de kosten te veroordelen aangehouden. 6De beslissing Het hof: in principaal en incidenteel hoger beroep ten aanzien van de partneralimentatie bekrachtigt de beschikking waarvan beroep van 24 juni 2024 voor zover daarin het verzoek van de vrouw om een uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen, is afgewezen; wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af; ten aanzien van de kinderalimentatie vernietigt de beschikking waarvan beroep van 24 juni 2024 ten aanzien van de kinderalimentatie en in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen: - op nihil in de periode 24 juni 2024 tot 1 maart 2025; - op € 100,- (EENHONDERD EURO) per kind per maand met ingang van 1 maart 2025, - op € 364,- (DRIEHONDERD VIERENZESTIG EURO) per kind per maand met ingang van de datum waarop de voormalig echtelijke woning verkocht en geleverd is; vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking wat betreft de kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad; wijst het inzake de kinderalimentatie in hoger beroep meer of anders verzochte af; ten aanzien van de vermogensrechtelijke afwikkeling vernietigt de beschikking waarvan beroep van 24 juni 2024 ten aanzien van de beslissingen over de inboedelgoederen, de gebruiksvergoeding en de overlijdensverzekering bij Scildon en, in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt dat, behoudens de inboedelgoederen van de kinderen, de inboedel van partijen zoveel mogelijk samen met de woning zal worden verkocht, waarbij de opbrengst volledig aan de man toe zal komen; bepaalt dat de inboedelgoederen die niet worden verkocht, aan de man worden toegedeeld, zonder verrekening van de waarde daarvan, waarbij de man deze goederen vóór de datum van levering van de woning uit de woning zal komen ophalen; bepaalt dat de inboedelgoederen van de kinderen aan de vrouw worden toegedeeld, zonder verrekening van de waarde daarvan; veroordeelt de vrouw om aan de man over de periode vanaf 16 september 2022 tot en met augustus 2023 een gebruiksvergoeding te voldoen van € 1.131,04 per maand, en over de periode vanaf 1 september 2023 tot en met het moment van levering van de woning aan de derde-koper een bedrag van € 1.111,62 per maand, mits de man de betreffende maandbedragen aan Florius in de verhouding tot de vrouw (uiteindelijk) daadwerkelijk voor zijn rekening neemt; veroordeelt de vrouw om binnen twee weken twee dagen na betekening van deze beschikking de overlijdensrisicoverzekering bij Scildon op te zeggen, dan wel zodanig te wijzigen dat zij geen recht op uitkering zal hebben als de man komt te overlijden, onder verbeurte van een dwangsom aan de man van € 250,- per dag dat de vrouw met deze verplichting in gebreke blijft, tot een maximum van € 5.000,-; verklaart deze beschikking wat betreft voormelde beslissingen over de vermogensrechtelijke afwikkeling uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de beschikking van 24 juni 2024 voor zover inzake de vermogensrechtelijke afwikkeling aan het oordeel van het hof onderworpen voor al het overige; wijst het op dit punt in hoger beroep meer of anders verzochte af; ten aanzien van de zorgregeling voor de kinderen alvorens verder te beslissen: houdt de behandeling van de zaak voor zover betrekking hebbend op de verzoeken van de man sub 1, 2 en 3 pro forma aan tot zondag 10 augustus 2025 in afwachting van de resultaten van de hulpverlening; verzoekt partijen vóór 10 augustus 2025 het hof schriftelijk te informeren over het verloop van de hulpverlening; houdt iedere verdere beslissing, ook ten aanzien van de proceskosten, aan. Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Alt-van Endt, mr. T.M. Subelack en mr. H. Phaff, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 22 juli 2025 in het openbaar uitgesproken door mr. F. Kleefmann.