afdeling strafrecht parketnummer: 23-000417-22 datum uitspraak: 11 juli 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 februari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-870111-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26, 27 en 28 mei 2025, 3 juni 2025 en 11 juli 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte (samengevat) tenlastegelegd dat:
(68)van € 500,00. Voor het overige gelden de omstandigheden die hiervoor al zijn beschreven. Deze feiten en omstandigheden maken dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Van [verdachte] mag dus een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring worden verlangd dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Zo’n verklaring heeft [verdachte] echter niet gegeven. Hij heeft enkel gesteld dat het geld afkomstig was uit gokwinsten. Die verklaring is niet concreet en verifieerbaar, zodat het hof daar verder aan voorbij gaat. Het hof stelt daarom vast dat het niet anders kan dan dat genoemd geldbedrag uit misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat het feit kan worden bewezen. Wel zal [verdachte] worden vrijgesproken van het medeplegen. Feit 10 - zaaksdossier C13 Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit kan worden bewezen, gelet op de in de woning aangetroffen wapens en de bekennende verklaring van [verdachte] . Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht [verdachte] vrij te spreken van het medeplegen en zich – zo begrijpt het hof – voor het overige gerefereerd ten aanzien van het bewijs. Oordeel van het hof Tijdens de hiervoor genoemde doorzoeking zijn een pistool (inclusief patroonmagazijn) en een gaspistool (inclusief patroonmagazijn) aangetroffen. In de woning waar [verdachte] zelf stond ingeschreven, zijn nog een revolver en een patroonhouder aangetroffen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [verdachte] , net als in eerste aanleg, erkend dat deze wapens van hem waren. Het feit kan daarom worden bewezen. Wel zal [verdachte] worden vrijgesproken van het medeplegen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 impliciet primair, 9 primair en 10 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. primair (zaaksdossier C1) hij in of omstreeks de periode van 3 april 2016 tot en met 11 april 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 488 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne; 2. ( zaaksdossier C2) hij in de periode 1 april 2016 tot en met 31 oktober 2016 in Nederland en te Curaçao, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden of te bevorderen, - zich en een of meer anderen inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en - gelden voorhanden heeft gehad waarvan hij wist of ernstig redenen had om te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), - ontmoetingen gehad in de [penitentiaire inrichting 1] en het bedrijfspand aan de [adres 3] en - aan/van elkaar en/of een ander of anderen informatie verstrekt en ontvangen over de betaling van de kosten in verband met de invoer en/of het vervoer van verdovende middelen en - informatie verstrekt en instructie(
- s)gegeven en/of informatie en instructie(
- s)ontvangen ten behoeve van invoer en/of de overdracht van verdovende middelen en - gereisd naar en/verbleven in Curaçao en - ter betaling van de aankoop en/of het transport van een hoeveelheid verdovende middelen een contant geldbedrag overgedragen en/of betaald en - een geldbedrag verplaatst of doen verplaatsen van Nederland naar Curaçao door een geldbedrag over te dragen aan het bedrijf [supermarkt 1] te Rotterdam en doen uitbetalen bij het bedrijf [supermarkt 2] te Curaçao, in elk geval een geldbedrag doen verplaatsen van Nederland naar Curaçao; 3. ( zaaksdossier C4) hij in of omstreeks de periode 31 januari 2017 tot en met 28 februari 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 11] en/of een of meer andere personen, om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, - zich en een of meer anderen inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s); - [verdachte] in contact gebracht of laten brengen met genoemde [medeverdachte 11] en - meermalen een afspraak gemaakt om elkaar te ontmoeten en ontmoetingen gehad in de woning aan [adres 4] en de [adres 1] en in de [penitentiaire inrichting 1] en - ( meermalen) aan/van elkaar en/of een ander of anderen informatie verstrekt en ontvangen over locaties en verbergplaatsen en transport(middelen) in verband met de invoer en het vervoer van verdovende middelen en - aan/van elkaar en/of een ander of anderen informatie verstrekt en ontvangen over methodes om verdovende middelen te vervoeren en - informatie verstrekt en informatie ontvangen ten behoeve van invoer van verdovende middelen; 4. ( zaaksdossier C5) hij in de periode van 18 maart 2016 tot en met 16 juli 2016 in Nederland en te Curaçao en in Spanje, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 5] en andere personen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren van cocaïne voor te bereiden of te bevorderen, zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist of ernstig redenen had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), meermalen met elkaar contact gelegd en/of onderhouden en ontmoeting(
- en)gehad en/of gearrangeerd (onder meer) in/bij de woning de [adres 1] en de woning aan de [adres 5] en in de [penitentiaire inrichting 2] en in Spanje en (meermalen) aan/van elkaar en/of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen en/of afspraken gemaakt over de herkomst en/of hoeveelheid van de verdovende middelen en (meermalen) aan/van elkaar en/of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen en/of afspraken gemaakt over de route en/of methode om verdovende middelen te vervoeren en een simkaart gekocht en/of verworven en (vervolgens) verstrekt aan een persoon in Argentinië en naar Curaçao gereisd en op Curaçao verbleven met de bedoeling vanuit Curaçao door te reizen naar Venezuela en Argentinië teneinde een hoeveelheid cocaïne te kopen en/of te ruilen tegen een hoeveelheid MDMA. 5. ( zaaksdossier C6) hij in de periode van 8 maart 2016 tot en met 26 maart 2016 in Nederland, en/of in Spanje, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 13] om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, vervoeren, en buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne voor te bereiden of te bevorderen, - zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en - vervoermiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist of ernstig redenen had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader - met elkaar en/of afnemer(
- s)(telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en - voornoemde [verdachte] die [medeverdachte 13] op 18 maart 2016 opgehaald van de luchthaven Schiphol en in de periode van 18 maart 2016 tot en met 20 maart 2016 laten verblijven in de woning [adres 1] en - in de periode van 18 maart 2016 tot en met 20 maart 2016 meermalen en langdurig met elkaar gesproken en - ( meermalen) aan/van elkaar en/of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen en/of afspraken gemaakt over de kwaliteit en/of merk en/of prijs en/of hoeveelheid van de verdovende middelen en - ( meermalen) aan/van elkaar informatie verstrekt en/of ontvangen en/of afspraken gemaakt over locaties en/of verbergplaatsen en/of transport(middelen) in verband met het vervoer van verdovende middelen en - vervolgens met elkaar n/of afnemer(
- s)(telefonisch) contact onderhouden over en/of afspraken gemaakt over de levering en/of hoeveelheid en/of prijs van de verdovende middelen. 6. ( zaaksdossier C7) hij op 20 december 2016 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht en verstrekt een hoeveelheid cocaïne. 7. ( zaaksdossier C20) hij in de periode van 01 januari 2016 tot en met 26 september 2017 in Nederland en/of te Curaçao heeft deelgenomen aan een organisatie, die bestond uit een samenwerkingsverband van verdachte en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 10] en [medeverdachte 6] , welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, te weten: het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende Lijst I en het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende Lijst I en het voorbereiden en/of bevorderen van een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken en/of een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of zich en/of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstig redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit; 8. impliciet primair (zaaksdossier C12) hij op 8 juli 2016 te ‘s-Gravenhage en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een voorwerp, te weten een geldbedrag voorhanden heeft gehad en een voorwerp, te weten een geldbedrag voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, immers hebben verdachte en zijn mededader - op 8 juli 2016 € 15.000,00 contant voorhanden gehad en - op 8 juli 2016 € 6.750,00 contant betaald aan [bedrijf 6] ter betaling van een personenauto [auto] , terwijl hij wist dat deze voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf; 9. primair (zaaksdossier C12) hij op 26 september 2017 te ’s-Gravenhage (in de woning aan [adres 4] ) een voorwerp, te weten een hoeveelheid bankbiljetten met een totale waarde van € 61.245,00, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf; 10. ( zaaksdossier C13) hij op 26 september 2017 te ‘s-Gravenhage, in een pand en kelderbox aan de [adres 1] en in een pand aan [adres 4] wapens van categorie III voorhanden heeft gehad, te weten: - een pistool, merk Walther P99, cal. 380 auto, inclusief patroonmagazijn en - een gas pistol, merk EKOL Volga, 9 mm, inclusief patroonhouder en - een revolver, merk Taurus Brasil en - een patroonhouder, 9x19mm/ 9mm. Hetgeen onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 impliciet primair, 9 primair en 10 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, die in een bijlage achter dit arrest zijn opgenomen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 impliciet primair, 9 primair en 10 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Het onder 2, 4 en 5 bewezenverklaarde levert op, telkens: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen: - zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen - zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen. Het onder 6 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. Het onder 7 bewezenverklaarde levert op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10a eerste lid en artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet. Het onder 8 impliciet primair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd. Het onder 9 primair bewezenverklaarde levert op: witwassen. Het onder 10 bewezenverklaarde levert op: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 impliciet primair, 9 primair en 10 bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 2, 4, 5, 6 impliciet primair, 9 primair en 10 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd, daarbij rekening houdend met overschrijding van de redelijke termijn, dat de verdachte voor alle ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn leeftijd en medische toestand, en overschrijding van de redelijk termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft ruim anderhalf jaar deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met het vervoer van cocaïne vanuit bronlanden en de invoer van cocaïne in Nederland. Hij was samen met anderen betrokken bij één voltooid cocaïnetransport naar Nederland en het treffen van voorbereidingshandelingen gericht op het vervoeren dan wel invoeren van nog drie zendingen cocaïne. Bij het voltooide transport is door de douane een partij cocaïne onderschept in de haven van Rotterdam. Dit betrof in totaal ruim 488 kilogram cocaïne, verstopt in een kermisattractie. Ondanks de ingenieuze en professionele wijze waarop de cocaïne was verstopt, heeft de douane deze ontdekt door een scan van de kermisattractie. De verdachte en zijn mededaders hebben dus uiteindelijk niet kunnen profiteren van de ingevoerde cocaïne, maar het is duidelijk dat deze voor handelsdoeleinden bedoeld was. De partij cocaïne vertegenwoordigde een zeer forse straatwaarde. Voorts heeft de verdachte samen met een ander één kilo cocaïne verkocht. De verspreiding van en handel in cocaïne en – in het verlengde daarvan – het gebruik ervan, veroorzaken een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid, onrust in de samenleving en leiden veelal (direct en indirect) tot diverse vormen van (eveneens zware) criminaliteit. Gezien de straffen die meestal voor dergelijke feiten worden opgelegd, komt voor dit feit slechts een langdurige gevangenisstraf in aanmerking. Het hof houdt rekening met de oriëntatiepunten voor straftoemeting en met straffen die meestal worden opgelegd in soortgelijke zaken waarbij het gaat om de invoer van grote hoeveelheden cocaïne of vergelijkbare stoffen. Alleen al voor de invoer van de 488 kilo cocaïne is een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar passend. Het hof houdt ten nadele van de verdachte echter ook rekening met zijn belangrijke rol in de criminele organisatie. De verdachte vormde een centrale schakel in het geheel, stond telkens in contact met de overige deelnemers van de criminele organisatie en was voortdurend bezig met het onderzoeken van nieuwe mogelijke transportroutes voor cocaïne. Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de aard van de misdrijven die worden beoogd. Het in- en vervoeren van cocaïne en voorbereidingshandelingen daartoe over een langere periode worden als ernstige misdrijven gezien. Daarnaast heeft de verdachte zich, deels samen met zijn (toenmalige) partner, die ook deel uitmaakte van de criminele organisatie, schuldig gemaakt aan witwassen door contante geldbedragen van in totaal € 61.245,00 en € 15.000,00 voorhanden te hebben en door een auto te kopen met door misdrijf verkregen geld, in elk geval € 6.750,00. Door dit handelen heeft de verdachte in belangrijke mate meegewerkt aan het onttrekken van uit misdrijf afkomstige opbrengsten aan het zicht van justitie en de fiscus. Door witwaspraktijken wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd en indirect bevorderd. Voorts heeft de verdachte drie wapens en een patroonhouder voorhanden gehad. Illegaal wapenbezit vormt, zeker ook in relatie tot de andere bewezenverklaarde strafbare feiten, een onaanvaardbare bedreiging voor een veilige samenleving en dient daarom met kracht bestreden te worden. Het hof houdt bij de strafoplegging verder rekening met de bij de dagvaarding ‘ad informandum gevoegde feiten’ (voorhanden hebben van kleinere hoeveelheden harddrugs (MDMA en cocaïne, zaaksdossier C17) en verschillende soorten munitie (zaaksdossier C13) op 26 september 2017 te ’s-Gravenhage), welke feiten door de verdachte ter terechtzitting zijn bekend. De officier van justitie heeft medegedeeld dat hij de verdachte voor die feiten niet (meer) afzonderlijk zal vervolgen. Het hof heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 14 mei 2025. Daaruit blijkt dat hij eerder ter zake van Opiumwetdelicten onherroepelijk tot langdurige vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. Het hof weegt dit strafblad in het nadeel van de verdachte mee. In de door de verdediging genoemde persoonlijke omstandigheden ziet het hof, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, geen aanleiding tot matiging van de op te leggen straf. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar passend en geboden. Redelijke termijn Het hof moet echter vaststellen dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de zogenoemde redelijke termijn is geschonden. In hoger beroep geldt als termijn twee jaar. Ook in eerste aanleg geldt (in dit geval) als uitgangspunt dat de strafzaak moet zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gestart, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarvan is sprake in eerste aanleg. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 26 september 2017, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. De verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Op 3 februari 2022 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Bij de berekening van de maatstaf voor de redelijke termijn houdt het hof rekening met de bijzondere omstandigheden van deze zaak, waaronder het grensoverschrijdende karakter van het onderzoek Lockyer, de uitvoering die is gegeven aan de onderzoekswensen van de verdediging en van de verdediging van de medeverdachten – waaronder het horen van (deels in het buitenland verblijvende) getuigen – alsmede met het belang van gelijktijdige berechting van de zaken tegen de medeverdachten. Vanwege die omstandigheden gaat het hof uit van een termijn van drie jaren vanaf het moment dat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen, waarbinnen vonnis had moeten worden gewezen. Het hof stelt daarom vast dat de duur van de overschrijding van de redelijke termijn iets meer dan 16 maanden bedraagt. Het hoger beroep is – zowel door de verdachte als door de officier van justitie – ingesteld op 17 februari 2022 terwijl op 11 juli 2025 uitspraak wordt gedaan. Dit is een periode van bijna 41 maanden, zodat in hoger beroep de redelijke termijn met bijna 17 maanden is overschreden. Vanwege de uiteindelijke forse termijnoverschrijding in beide instanties wordt de op te leggen gevangenisstraf verminderd met 12 maanden. Aan de verdachte zal dus een gevangenisstraf worden opgelegd van 10 jaar. Tenuitvoerlegging Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet, de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Beslag Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en niet teruggegeven: 1. 1.00 STK Personenauto [kenteken 2] [automerk 2] in gebruik bij [verdachte] ; 2. Geld Euro - een bedrag van in totaal € 61.425,00. De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen verzocht te beslissen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank De raadsman heeft – in algemene zin – teruggave verzocht van de onder 1 en 2 genoemde voorwerpen. Verbeurdverklaring Het onder feit 9 bewezenverklaarde witwassen is begaan met betrekking tot het onder 2 genoemde en onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag. Het onder 2 genoemde geldbedrag zal daarom verbeurd worden verklaard. Het hof moet daarbij rekening houden met de draagkracht van de verdachte. In dit geval betreft de verbeurdverklaring het onder de verdachte in beslag genomen geld, dat van misdrijf afkomstig is. Dat geld krijgt de verdachte niet meer terug, maar die beslissing is verder niet van invloed op de legale inkomenspositie van de verdachte. Teruggave aan de verdachte Het hof zal ten aanzien van de onder 1 genoemde [automerk 2] teruggave aan de verdachte gelasten, omdat het hof geen aanleiding ziet voor de verbeurdverklaring daarvan. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 impliciet primair, 9 primair en 10 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 impliciet primair, 9 primair en 10 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: - 2. Geld Euro - een bedrag van bij elkaar 61.425. Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: - 1. 1.00 STK Personenauto [kenteken 2] [automerk 2] . Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P. den Otter, mr. J. Piena en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juli 2025.