← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:1972

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001080-23 datum uitspraak: 3 april 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-013908-23 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2003, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof: de navolgende bewijsoverweging in de plaats stelt van de bewijsoverweging van de politierechter; de door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen uitwerkt en aanvult in de op te maken aanvulling op dit arrest na het eventueel instellen van beroep in cassatie; artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toevoegt aan de toepasselijke wettelijke voorschriften. Bewijsoverweging Het hof komt ten aanzien van de verdachte tot dezelfde bewezenverklaring van openlijke geweldpleging aan de [plek] in Hoorn als de rechtbank. Daartoe overweegt het hof als volgt. Aangever [aangever] hoorde op 13 januari 2023 omstreeks 22.00 uur van zijn zoon [persoon] dat er beneden in de centrale hal van het wooncomplex vier jongens aan het hangen en blowen waren. Hij besloot er naartoe te gaan en sprak de jongens aan. Op camerabeelden is te zien dat hij vervolgens met vier jongens buiten voor de deur stond. Daar, zo verklaart de aangever, werd hij door een van de jongens twee keer met de vuist in het gezicht geslagen. Daarna voelde hij een harde klap op zijn achterhoofd. Van twee van de jongens kreeg hij nog meerdere klappen. De andere twee stonden er scheldend bij. Zoon [persoon] stond eerst verderop, kwam terug gerend en zag dat zijn vader in elkaar werd geslagen door twee jongens, waaronder een donkergetinte jongen met een North Face jas. Hij zag ook dat een jongen zijn vader een trap gaf op het achterhoofd. De vier jongens renden weg. Op camerabeelden heeft het hof het geweldsincident waargenomen en gezien dat erna een persoon als eerste wegrende, geheel in het donker gekleed en met een flinke haardos. Daarna renden nog drie jongens weg, die elk ofwel lichte schoenen ofwel een lichte broek droegen. De politie is op het incident afgekomen en heeft even verderop de verdachte met twee andere jongens aangehouden. Op een foto van de verdachte na zijn aanhouding is te zien dat hij geheel in het donker was gekleed, een North Face jas aan had en een haardos had die overeenkomsten vertoonde met het haar dat bij de hiervoor benoemde persoon op de beelden was te zien. Tot slot heeft het hof op de camerabeelden waargenomen dat de donker geklede persoon met de flinke haardos zich ten tijde van het geweldsincident mengde in het geweld jegens de aangever. De auto van de verdachte is nabij het incident aangetroffen. De verdachte heeft erkend daar eerder met zijn auto naartoe te zijn gereden. Een van de andere twee aangehouden jongens heeft verklaard dat hij eerder die avond met een vriend naar de plaats van het latere incident was gereden. Uit voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang leidt het hof af dat de verdachte bij het geweldsincident aanwezig was en dat hij zich met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens de aangever. Het hof schuift de verklaringen van de verdachte dat hij wel in de buurt aanwezig was maar anderen tegenkwam en toen opeens door de politie werd aangehouden, als volstrekt ongeloofwaardig terzijde. In al het voorgaande ligt ook de verwerping van het verweer strekkende tot vrijspraak besloten. Vordering van de benadeelde partij [aangever] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 4.585,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze bestaat uit een bedrag van € 3.585,00 ter compensatie van materiële schade (een bedrag van € 385,00 als vergoeding voor eigen risico en een bedrag van € 3.200,00 aan verlies van arbeidsvermogen) en een bedrag van € 1.000,00 ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van in totaal € 3.785,

  1. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft op de terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd dat de vordering conform de beslissing van de politierechter toewijsbaar is, dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering en dat een schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd. Van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering gelet op het gevoerde vrijspraakverweer. Het hof overweegt als volgt. Materiële schade Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte tot een bedrag van € 3.585,00 rechtstreeks materiële schade heeft geleden, in aanmerking genomen dat de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij dienaangaande van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dan ook voor toewijzing gereed. Immateriële schade Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van deze vordering van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de benadeelde partij aangezichtsletsel en een hersenschudding had ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Gelet op het voorgaande en op de vergoedingen die in gelijksoortige gevallen worden opgelegd, zal het hof de vordering voor wat betreft de geleden immateriële schade geheel toewijzen. Daarbij komt dat de gemotiveerde en onderbouwde stellingen dienaangaande van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist, in het bijzonder niet met betrekking tot het optreden van dergelijke schade en de causale relatie met het bewezenverklaarde. De toe te wijzen bedragen zullen, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis voor zover het betreft de beslissing op de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht. Vordering van de benadeelde partij [aangever] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.585,00 (vierduizend vijfhonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 3.585,00 (drieduizend vijfhonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.585,00 (vierduizend vijfhonderdvijfentachtig euro) bestaande uit € 3.585,00 (drieduizend vijfhonderdvijfentachtig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 13 januari
  2. Bevestigt het vonnis voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. N. van der Wijngaart en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 april
  3. mr. N. van der Wijngaart en mr. S. Bonset zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.