GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie -en jeugdrecht) zaaknummers: 200.342.289/01 en 200.342.291/01 zaaknummers rechtbank: C/13/731791/FA RK 23-2142 en C/13/741564 / FA RK 23-7238 beschikking van de meervoudige kamer van 29 juli 2025 inzake [de vrouw] , wonende te [plaats] , verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. S. Karami te Amsterdam, en [de man] , wonende te [plaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. E.M. Rengelink te Amsterdam. Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt: - de jongmeerderjarige [kind 1] , hierna: [kind 1] , - de minderjarige [kind 2] , hierna: [kind 2] , - de minderjarige [kind 3] , hierna: [kind 3] . In de procedure heeft een adviserende taak: de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie [plaats] , hierna: de raad. 1De zaak in het kort 1.1 De zaak gaat over de zorgregeling, de kinderalimentatie voor [kind 1] (18 jaar), [kind 2] (16 jaar) en [kind 3] (12 jaar) en de vermogensrechtelijke afwikkeling. 1.2 De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in een echtscheidingsbeschikking van 8 maart 2024 (hierna: de bestreden beschikking) een zorgregeling vastgesteld, een door de man aan de vrouw met ingang van 8 maart 2024 te betalen kinderalimentatie van € 175,- per maand vastgesteld en de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen gelast. De vrouw is het daar niet mee eens. Zij wil dat [kind 2] en [kind 3] zelf kunnen bepalen wanneer zij bij de man verblijven en is van mening dat een hogere kinderalimentatie moet worden vastgesteld. De vrouw heeft ook verzoeken gedaan met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling. De man is het ook niet eens met de bestreden beschikking. Hij verzoekt (in ieder geval voor [kind 3] ) een zorgregeling vast te stellen, waarbij zij de ene week van vrijdag 17.00 tot 21.00 uur en de andere week van vrijdag 17.00 tot zaterdag 12.00 uur bij hem verblijft. Verder is de man van mening dat een lagere kinderalimentatie moet worden vastgesteld. Hij heeft ook verzoeken gedaan met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling. 2De procedure in hoger beroep 2.1 De vrouw is op 8 juni 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij heeft op 26 augustus 2024 de bij het beroepschrift ontbrekende stukken van de procedure bij de rechtbank overgelegd. 2.2 De man heeft op 18 september 2024 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend. 2.3 De vrouw heeft op 10 december 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. 2.4 Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen: - een bericht van de zijde van de vrouw van 25 februari 2025 met bijlage; - een bericht van de zijde van de man van 11 april 2025 met bijlage; - een bericht van de zijde van de man van 17 april 2025 met bijlage; - een bericht van de zijde van de vrouw van 23 april 2025 met bijlagen. 2.5 De zitting heeft op 23 april 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers. Mr. Rengelink heeft ter zitting verklaard dat zij door de jongmeerderjarige [kind 1] is gemachtigd om voor en namens haar op te treden voor zover het in de onderhavige procedure de bijdrage in haar levensonderhoud en studie betreft. 2.6 De oudste raadsheer heeft na de zitting, op 11 juni 2025, met [kind 2] en [kind 3] gesproken, in het bijzijn van de griffier. De advocaten van partijen zijn in de gelegenheid gesteld op de zakelijke weergave van dit gesprek te reageren. De advocaat van de man heeft bij bericht van 30 juni 2025, met bijlagen, gereageerd, de advocaat van de vrouw bij bericht van 3 juli 2025. 3De feiten 3.1 De man en de vrouw zijn getrouwd geweest van [datum] 2006 tot 26 juni 2024. 3.2 Partijen hadden na het huwelijk hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland. Partijen hebben nu de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. 3.3 Partijen zijn de ouders van: - [kind 1] , geboren op [datum] 2007 te [plaats] ; - [kind 2] , geboren op [datum] 2008 te [plaats] ; - [kind 3] , geboren op [datum] 2012 te [plaats] , hierna samen te noemen: de kinderen. 3.4 Bij de in zoverre niet bestreden beschikking is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald. 3.5 Bij beschikking van de rechtbank van 16 april 2025 is het, in de bestreden beschikking pro forma aangehouden, verzoek van de man met betrekking tot de vaststelling van een vakantie- en feestdagenregeling afgewezen. Tijdens de mondelinge behandeling in die procedure is besproken dat het belangrijk is dat er weer contact komt tussen de man en de kinderen. De vrouw en de man hebben afgesproken dat vanaf dat moment totdat het hof uitspraak heeft gedaan [kind 3] en [kind 2] iedere vrijdag bij de man zullen verblijven van 17.00 uur tot 21.00 uur, waar zij ook samen zullen eten. De man haalt de kinderen bij de vrouw op en brengt hen weer terug. 4De omvang van het hoger beroep 4.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, een zorgregeling vastgesteld, waarbij [kind 3] en [kind 2] de ene week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur omgang met de man hebben en de andere week op vrijdag van 17.00 uur tot 21.00 uur bij de man verblijven. De man haalt de kinderen en brengt de kinderen terug bij de vrouw. Verder is een door de man aan de vrouw met ingang van 8 maart 2024 te betalen kinderalimentatie van € 175,- per maand vastgesteld. Tot slot is de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen gelast. Principaal hoger beroep 4.2 De vrouw verzoekt in hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, na wijziging van haar verzoek, te bepalen dat: - haar verzoek betreffende de zorgregeling alsnog wordt toegewezen en dat wordt bepaald dat [kind 3] en [kind 2] iedere week op vrijdag van 17.00 uur tot 21.00 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen ophaalt van school en naar de vrouw terugbrengt, welk verzoek de vrouw ter zitting in hoger beroep heeft aangepast in die zin dat [kind 2] en [kind 3] zelf kunnen bepalen wanneer zij bij de man verblijven; - haar verzoek met betrekking tot de vaststelling van de kinderalimentatie alsnog wordt toegewezen en dat wordt bepaald dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een kinderalimentatie van € 310,- per maand dient te voldoen. - haar verzoek met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap wordt toegewezen; - en dat de man wordt bevolen om volledige inzage te geven in zijn bankafschriften over de periode van 14 mei 2018 tot en met 30 maart 2023. 4.3 De man vraagt om de verzoeken van de vrouw in hoger beroep (inclusief het verzoek tot afgifte van een bevel tot inzage op de voet van artikel 843a Rv) niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Incidenteel hoger beroep 4.4 De man verzoekt in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap: - de door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 8 maart 2024 te bepalen op € 25,- per kind per maand; - bevel af te geven aan de vrouw om afschriften te verstrekken van rekeningafschriften van alle bankrekeningen die op haar naam staan en onder haar beheer vallen, waaronder in elk geval de volgende rekeningen: * betaalrekening van de vrouw met nummer [rekeningnummer 1] ; * spaarrekening (nummer onbekend); * jongerenrekening op naam van [kind 1] [rekeningnummer 2] ; * ING Groei groter rekening op naam van [kind 3] [rekeningnummer 3] , en afschrift te verstrekken dan wel inzage te geven in het eigendomsbewijs van het huis dat in het bezit is van haar familie in [plaats B] , Marokko, waarvan de man gesteld heeft dat de vrouw mede-eigenaar is, een en ander op de voet van artikel 843a Rv; - de verdeling van de op 30 maart 2023 ontbonden huwelijksgoederengemeenschap te gelasten of vast te stellen, zoals door de man voorgesteld en omschreven onder 28 t/m 75 van het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, met inachtneming en aanvulling van de informatie die de vrouw nog in het geding behoort te brengen, dan (het hof leest: wel) op een door het hof te bepalen wijze. Bij wijze van voorwaardelijk incidenteel hoger beroep verzoekt de man, indien de voorwaarde zich verwerkelijkt dat het hof het verzoek tot afgifte van een bevel tot inzage op de voet van artikel 843a Rv (het hof leest: toewijst), zoals door de vrouw verzocht, het hof een gelijkwaardig bevel aan de vrouw (het hof leest: afgeeft) om inzage te geven in het verloop van alle bankrekeningen die op haar naam en onder haar beheer vallen, waaronder in elk geval de rekeningen met nummers: * betaalrekening van de vrouw met nummer [rekeningnummer 1] ; * spaarrekening (nummer onbekend); * jongerenrekening op naam van [kind 1] [rekeningnummer 2] ; * ING Groei groter rekening op naam van [kind 3] [rekeningnummer 3] ; gedurende de loop van het huwelijk, dan wel een gelijke termijn als de door de vrouw verzochte termijn van de laatste vijf jaren, dan wel een door het hof juist geachte termijn. 4.5 De vrouw vraagt om de verzoeken van de man betreffende de kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap af te wijzen, met veroordeling van de man om aan haar te voldoen een bedrag van € 10.000,-, met bevel aan de man om dit bedrag binnen drie dagen na de door het hof af te geven beschikking aan de vrouw over te maken. Verder verzoekt de vrouw de voorwaardelijke verzoeken van de man in incidenteel hoger beroep met betrekking tot het verschaffen van inzage in de betaal-, spaar-, en jongerenrekeningen af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht. 5De motivering van de beslissing 5-I Algemeen 5.1 Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp gezamenlijk bespreken. 5.2 Het hof stelt vast dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de verzoeken van partijen met betrekking tot de zorgregeling, de kinderalimentatie en de verdeling kennis te nemen. Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het Nederlandse recht wordt toegepast ten aanzien van de zorgregeling en de kinderalimentatie en dat vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking Marokkaans recht van toepassing is en Nederlands recht in ieder geval van toepassing is geworden in 2016, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. 5-II De zorgregeling De reguliere zorgregeling voor de minderjarige kinderen [kind 2] en [kind 3] 5.3 De vrouw stelt zich op het standpunt dat de huidige regeling, waarbij [kind 3] en [kind 2] de ene week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur omgang met de man hebben en de andere week op vrijdag van 17.00 uur tot 21.00 uur bij de man verblijven, niet in het belang van de kinderen is. Hoewel de vrouw het contact van de kinderen met de vader probeert te stimuleren, verlopen de omgangsmomenten niet goed. De kinderen maken geen huiswerk in het weekend dat zij bij de man zijn. [kind 2] had al een leerachterstand vanwege een periode van thuisonderwijs. [kind 2] haalt vaak onvoldoendes voor toetsen nadat hij het weekend ervoor bij de man heeft verbleven. De kinderen zitten op de bank en spelen op hun telefoon. De man komt de zorgregeling alleen na wanneer het hem uitkomt. De man brengt de kinderen veel eerder thuis dan is afgesproken. De kinderen vinden het niet leuk dat zij bij oma (vaderszijde) moeten logeren vanwege gebrek aan (leef)ruimte in de woning van de man. Door de omgang iedere vrijdag van 17.00 uur tot 21.00 uur plaats te laten vinden, hoopt de vrouw dat de man en de kinderen een band kunnen opbouwen en versterken. Zodra de verzochte regeling goed verloopt en het weer goed gaat met de kinderen op school, kan de zorgregeling worden uitgebreid. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw hieraan toegevoegd dat de kinderen zich van de man afkeren en afstand tot hem ervaren doordat de man tijdens het huwelijk van partijen nooit wat met de kinderen heeft ondernomen. Als de man af en toe voor de kinderen zorgt, heeft de vrouw wat tijd voor zichzelf. [kind 2] heeft behoefte aan contact met zijn vader, zodat hij naar de man zal blijven gaan. Omdat [kind 3] weerstand heeft tegen contact met de man, verzoekt de vrouw het contact telkens met een uur per keer op te bouwen, voor zover het hof een zorgregeling zal bepalen. Zij heeft haar verzoek ter zitting in hoger beroep gewijzigd, in die zin dat zij nu verzoekt om vast te leggen dat de kinderen zelf kunnen bepalen wanneer zij bij de man verblijven. 5.4 De man voert verweer. In de bestreden beschikking zijn de door partijen ter zitting gemaakte afspraken vastgelegd. De zorgregeling verloopt niet goed. Sinds de bestreden beschikking heeft de man [kind 2] met enige regelmaat en [kind 3] af en toe gezien. De man heeft nu geen contact meer met [kind 3] . De vrouw wil de kinderen bij de man weghouden. De vrouw wil niets meer met de man en zijn familie te maken hebben, zij laat zich negatief uit over de man tegenover de kinderen en zij betrekt hen bij de problemen die tussen hen als ouders spelen. De man heeft gedurende het huwelijk het merendeel van de zorgtaken uitgevoerd. De vrouw heeft haar diskwalificaties van de man als ouder niet onderbouwd. De korte periode waarin de kinderen bij de man verblijven kan niet alleen maar kan worden ingevuld met zaken zoals het maken van huiswerk. Achterstanden van de kinderen op school kunnen niet aan de man worden toegeschreven; de kinderen verblijven het leeuwendeel van de tijd bij de vrouw. Partijen zullen in onderling overleg afspraken moeten maken over de opvoeding, waaronder de tijdstippen waarop de kinderen huiswerk maken en hoe zij omgaan met telefoon- en beeldschermgebruik. Het is niet in het belang van de kinderen dat zij geen tot weinig contact hebben met hun vader. Overnachten bij de niet-verzorgende ouder is van groot belang voor de band tussen de kinderen en die ouder. De man heeft een eigen woning, die zo is ingericht dat de kinderen daar kunnen overnachten. Ter zitting in hoger beroep heeft de man herhaald dat hij tijdens het huwelijk betrokken is geweest bij de zorg voor de kinderen en hij heeft toegevoegd dat de vrouw niet wil dat de kinderen bij hem overnachten. De man wil dat de kinderen met plezier naar hem toekomen. Het is niet aan de kinderen om de verantwoordelijkheid voor omgang met hun vader te dragen, dat kunnen zij niet. Hij verzoekt (in ieder geval voor [kind 3] ) een zorgregeling vast te stellen, waarbij zij de ene week van vrijdag 17.00 tot 21.00 uur en de andere week van vrijdag 17.00 tot zaterdag 12.00 uur bij hem verblijft. 5.5 De raad heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de ouders en de kinderen belangrijk voor elkaar zijn. Het is belangrijk dat ieder van de ouders zich tegenover de kinderen niet over de andere ouder uitlaat. Gelet op de leeftijd van [kind 2] adviseert de raad om voor hem geen zorgregeling vast te stellen. Hij moet, gelet op zijn leeftijd, de gelegenheid krijgen om zich een zelfstandig beeld van beide ouders te vormen in voorbereiding op zijn jongvolwassenheid. Daarvoor is contact met zijn vader nodig, maar door de rechter vastgesteld contact is niet noodzakelijk. Als hij naar zijn vader wil gaan, moet hij daarvoor de ruimte krijgen. Als [kind 3] zich bij haar vader welkom voelt en zij bij hem haar eigen bezigheden kan hebben, dingen die zij belangrijk vindt, is het voor haar leuker om naar haar vader te gaan. Als de man een goede invulling aan de omgang met [kind 3] geeft, kan zij mogelijk ook bij de man overnachten. Omdat het vastleggen van een overnachting druk kan geven, adviseert de raad om alleen omgang op de vrijdagavond vast te leggen. 5.6 Het hof overweegt als volgt. [kind 2] en [kind 3] hebben in de procedure die tot de beschikking van 16 april 2025 heeft geleid op 13 januari 2025 met de kinderrechter gesproken. De kinderen hebben kort gezegd aan de kinderrechter verteld dat hun vader weinig interesse in hen toont en dat hij, als ze contact met hem hebben, vooral negatief praat over hun moeder en haar familie. Dat vinden ze niet leuk. Ze willen wel af en toe leuke dingen met hem doen, maar niet verplicht worden om naar hem toe te gaan. Hun moeder praat niet negatief over hun vader en zij wil juist dat ze naar hem toegaan. In de onderhavige procedure hebben de kinderen tijdens het gesprek met de oudste raadsheer volhard in dit standpunt. [kind 2] heeft verklaard dat hij naar zijn vader wil gaan op momenten die hem goed uitkomen, dus niet op een vaste dag en tijdstip. Hij gaat liever niet op vrijdag naar zijn vader, want in het weekend wil hij graag andere dingen doen. [kind 3] heeft verklaard dat zij zich niet heeft gehouden aan de afspraak om bij haar vader te gaan avondeten. Zij wil graag eenmaal in de paar maanden bij haar vader zijn. Als zij naar haar vader moet gaan, wil zij dat graag samen met haar broer doen, zodat zij iemand heeft om mee te spelen en te praten. Naar het oordeel van het hof dient, gezien de leeftijd van [kind 2] (16 jaar), aan zijn mening een doorslaggevend belang te worden gehecht. Het hof neemt in aanmerking dat hij zijn vader niet op vaste momenten wil zien, maar naar hem toe wil gaan wanneer hij dat wil. Ook acht het hof van belang dat de man niet heeft weersproken dat [kind 2] het contact met zijn vader zal onderhouden, omdat [kind 2] daaraan zelf behoefte heeft. Hij kan dan in overleg met de man zelf bepalen hoe vaak en wanneer hij naar zijn vader zal gaan. Gelet op het voorgaande zal het hof geen zorgregeling voor [kind 2] vaststellen. Het hof vindt het belangrijk dat er (ook) contact is tussen [kind 3] en haar vader, zelfs al heeft [kind 3] daartegen op dit moment (enige) weerstand. Het hof is met de raad van oordeel dat het voor [kind 3] ’s ontwikkeling van belang is dat dit contact er is. [kind 3] is twaalf jaar en kan gezien haar leeftijd en de verstoorde verstandhouding tussen de ouders niet zelf bepalen hoe vaak, wanneer en hoe lang zij bij haar vader zal zijn. Het hof is met de raad van oordeel dat het in haar belang is om iedere vrijdagavond omgang met haar vader te hebben. Het hof zoekt aansluiting bij de op 14 april 2025 door de ouders gemaakte afspraak in de procedure die tot de beschikking van 16 april 2025 heeft geleid en zal bepalen dat [kind 3] iedere vrijdag van 17.00 uur tot 21.00 uur bij de man zal verblijven, waar zij ook samen zullen eten. De man haalt [kind 3] bij de vrouw op en brengt haar weer terug. Indien [kind 3] onverhoopt weerstand tegen het contact met haar vader blijft ervaren kan de hulpverlening desgewenst om ondersteuning worden gevraagd. Het opbouwen van het contact met de man vraagt van de vrouw dat zij [kind 3] blijft steunen en stimuleren. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en beslissen als hierna vermeld. De vakantieregeling 5.7 Omdat geen van partijen in de onderhavige procedure een verzoek heeft ingediend strekkende tot het vaststellen van een vakantieregeling, kan het hof daarover geen beslissing geven. 5-III Kinderalimentatie 5.8 Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld. Ingangsdatum 5.9 De rechtbank heeft de ingangsdatum van de door de vader te betalen gewijzigde kinderalimentatie bepaald op de datum van de bestreden beschikking, dit is 8 maart 2024. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, 30 maart 2023, als ingangsdatum moet worden gehanteerd, omdat de man vanaf dat moment op de hoogte was van zijn verplichting om kinderalimentatie te voldoen. De man stelt dat hij in de periode voorafgaand aan de bestreden beschikking in een zeer moeilijke financiële positie verkeerde en dat hij de financiële middelen mist om met terugwerkende kracht aan de alimentatieverplichting te voldoen. Het hof ziet geen reden om van een andere ingangsdatum uit te gaan dan de rechtbank heeft gedaan. Voorop staat dat de wet de rechter bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting grote vrijheid laat. De vrouw heeft in haar echtscheidingsverzoek van 30 maart 2023 verzocht om bij wijze van nevenvoorziening een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te bepalen, zonder daarbij een ingangsdatum te verzoeken. Daarom ligt de datum waarop de rechter beslist als ingangsdatum het meest voor de hand. Het hof neemt 8 maart 2024 dus als ingangsdatum. Behoefte 5.10 Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank terecht is uitgegaan van een behoefte van de kinderen van € 1.066,- per maand (in 2022), welke behoefte geïndexeerd per 1 januari 2024 € 1.171,- per maand bedraagt en per 1 januari 2025 € 1.247,- per maand. Het hof zal daarom eveneens van deze behoefte uitgaan. Draagkracht van de man en de vrouw 5.11 Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien (artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek). Daarvoor maakt het hof gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van elke ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt het hof welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind. 5.12 Bij een netto besteedbaar inkomen dat lager is dan € 2.065,- per maand in 2024 en € 2.125,- in 2025 maakt het hof gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachttabel’ waarin per inkomenscategorie vaste bedragen aan draagkracht zijn vermeld. Bij een NBI dat hoger is dan € 2.065,- per maand in 2024 en € 2.125,- in 2025 maakt het hof gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een vast bedrag aan lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2024 is dat een bedrag van € 1.270,- per maand en in 2025 een bedrag van € 1.310,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.270)] in 2024 en 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)] in 2025. Gelet op wat hiervoor onder 5.9 over de ingangsdatum is overwogen, zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 8 maart 2024. 5.13 Na de ingangsdatum van 8 maart 2024 hebben de volgende veranderingen invloed op de hoogte van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie. Het salaris van de man is per 1 augustus 2024 gestegen. Verder is [kind 3] in 2024 twaalf jaar geworden, waardoor de vrouw vanaf 1 januari 2025 geen aanspraak meer kan maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De vrouw ontvangt vanaf 1 januari 2025 een hoger salaris. Het salaris van de man is per 1 maart 2025 nogmaals gestegen. Het hof zal de kinderalimentatie daarom voor vier periodes berekenen: de periode van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024, de periode van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025, de periode van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025 en de periode vanaf 1 maart 2025. Draagkracht van de man Inkomen man 5.14 In de periode van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024 gaat het hof uit van een salaris van de man van € 2.466,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag van 8%. Op dit salaris wordt in mindering gebracht: de pensioenpremie van € 138,- per maand, de premie WIA-verzekering van € 8,- per maand en de inhouding WGA ERD van € 7,- per maand. Het NBI van de man bedraagt op basis van dit inkomen, rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, € 2.271,- per maand. In de periode van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025 neemt het hof een salaris van € 2.638,- bruto per maand in aanmerking, te vermeerderen met vakantietoeslag van 8%. Op dit salaris wordt in mindering gebracht: de pensioenpremie van € 138,- per maand, de premie WIA-verzekering van € 8,- per maand, de inhouding WGA ERD van € 7,- per maand. Het NBI van de man bedraagt op basis van dit inkomen, rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, € 2.380,- per maand. In de periode van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025 neemt het hof een salaris van € 2.638,- bruto per maand in aanmerking, te vermeerderen met vakantietoeslag van 8%. Op dit salaris wordt in mindering gebracht: de pensioenpremie van € 150,- per maand, de premie WIA-verzekering van € 7,- per maand, de inhouding WGA ERD van € 8,- per maand. Het NBI van de man bedraagt op basis van dit inkomen, rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, € 2.401,- per maand. Vanaf 1 maart 2025 houdt het hof rekening met een salaris van € 2.728,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Op dit salaris wordt in mindering gebracht: de pensioenpremie van € 150,- per maand, de premie WIA-verzekering van € 8,- per maand, de inhouding WGA ERD van € 8,- per maand. Het NBI van de man bedraagt op basis van dit inkomen, rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, € 2.459,- per maand. Woonlasten man 5.15 De man stelt zich op het standpunt dat met zijn werkelijke woonlast, die hoger is dan het woonbudget, rekening dient te worden gehouden. Hij voert in dit verband de volgende lasten op: de huur van € 837,- per maand inclusief servicekosten (de netto huurlast is € 821,- per maand, de huurtoeslag € 207,- per maand), Waternet € 140,- per jaar (€ 12,- per maand), energiekosten € 142,- per maand, Waternet € 25,- per maand, gemeentelijke belastingen € 350,- per jaar (€ 29,- per maand). Gelet op de plicht en het recht van de vader om zijn minderjarige kinderen te verzorgen en op te voeden (artikel 2:247 BW) is de man gehouden om in de buurt van de kinderen te blijven wonen. Onverkorte toepassing van het woonbudget voor een woning in [plaats] , waarvan de huur hoger is dan in de rest van het land, is volgens de man niet reëel. De vrouw voert hiertegen verweer. Het hof overweegt als volgt. Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kan volgens de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak met die extra lasten rekening worden gehouden als kan worden vastgesteld dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. In dit geval ziet het hof geen aanleiding om wat de woonlasten betreft af te wijken van de aanbeveling om met een woonbudget (0,3 van het NBI) rekening te houden en uit te gaan van de werkelijke woonlast van de man. De huur van de man bedraagt € 836,73 per maand, terwijl zijn huurtoeslag € 207,- per maand bedraagt. De netto huur van de man bedraagt daarmee € 629,73 per maand. Dat is minder dan het woonbudget van € 681,- per maand (van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024), € 714,- per maand (van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025), € 720,- per maand (van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025) respectievelijk € 738,- per maand (vanaf 1 maart 2025). Wat betreft de door de man opgevoerde kosten van gas, water en licht geldt dat deze in beginsel in de bijstandsnorm zijn inbegrepen, en dat de man niet heeft gesteld, laat staan onderbouwd, dat deze meer bedragen dan hij uit de bijstandsnorm en/of het woonbudget kan voldoen. Schulden 5.16 De man stelt dat hij tot nu toe niet in staat gebleken om zijn lasten en de kinderalimentatie te voldoen, waardoor er een achterstand is ontstaan en het LBIO is ingeschakeld. De man komt maandelijks € 250,- tekort. De man heeft geld moeten lenen om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen, € 2.000,- bij een collega en € 3.000,- bij zijn zus. De man heeft een aflossingsverplichting van € 100, respectievelijk € 150,- per maand. Volgens de man dienen deze lasten als niet-vermijdbaar en niet-verwijtbaar in mindering te worden gebracht op zijn draagkracht voor de komende 20 maanden. De vrouw betwist de leningen. Zij voert onder meer aan dat de twee verklaringen pas achteraf zijn opgesteld en niet zijn ondertekend. De vrouw vindt de ingebrachte verklaringen onvoldoende om tot bewijs te kunnen dienen, terwijl geen bewijs is overgelegd dat de bedragen daadwerkelijk aan de man zijn verstrekt en met welk doel. De financiële problemen die de man stelt, zijn niet onderbouwd, waarbij de vrouw aanvoert dat de man spaargeld heeft in Marokko. Als er al leningen zijn aangegaan, stelt de vrouw zich op het standpunt dat deze schulden verwijtbaar en vermijdbaar zijn, van een noodzaak tot het aangaan ervan is niet gebleken en uit niets blijkt dat op de leningen wordt afgelost. De vrouw stelt zich op het standpunt dat met de door de man opgevoerde schulden geen rekening moet worden gehouden. Omdat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, het bestaan van de leningen, de noodzaak daartoe en de invloed daarvan op zijn draagkracht niet voldoende heeft onderbouwd, zal het hof hiermee geen rekening houden. 5.17 Uitgaande van de hiervoor vermelde gegevens bedraagt de draagkracht van de man volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule in de periode van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024 € 224,- per maand, van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025 € 277,- per maand, van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025 € 260,- per maand en vanaf 1 maart 2025 € 288,- per maand. Draagkracht van de vrouw 5.18 Voor het inkomen van de vrouw in de periode van 8 maart 2024 tot 1 januari 2025 gaat het hof uit van de salarisspecificaties van [X] , waarin een salaris van € 1.963,- bruto per maand is vermeld, te vermeerderen met de vakantietoeslag van 8%. Op dit salaris wordt ingehouden: PAWW wn van € 2,- per maand, premie ouderdomspensioen van € 116,- per maand en de premie gediff. WGA wn van € 13,- per maand. Verder wordt rekening gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en het kindgebonden budget. In deze periode wordt ook met de inkomensafhankelijke combinatiekorting rekening gehouden. Het NBI van de vrouw is in de periode van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024 € 3.023,- per maand en van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025 € 3.100,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule heeft de vrouw dan een draagkracht van € 592,- per maand respectievelijk € 630,- per maand. Vanaf 1 januari 2025 bedraagt het salaris van de vrouw € 2.110,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Op dit salaris wordt ingehouden: PAWW wn van € 2,- per maand, de premie ouderdomspensioen van € 127,- per maand en de premie gediff. WGA wn van € 14,- per maand. Omdat [kind 3] in 2024 twaalf jaar is geworden, kan de vrouw vanaf 1 januari 2025 geen aanspraak meer maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het NBI van de vrouw is vanaf 1 januari 2025 € 2.882,- per maand. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule heeft de vrouw dan een draagkracht van € 495,- per maand. Draagkrachtvergelijking 5.19 De ouders hebben samen een draagkracht: - van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024 van € 816,- per maand; - van 1 augustus 2024 1 januari 2025 van € 907,- per maand; - van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025 van € 755,- per maand; - vanaf 1 maart 2025 van € 783,- per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.171,- per maand zijn (in 2024) respectievelijk € 1.247,- per maand (in 2025). Een draagkrachtvergelijking is hier niet nodig, omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man moet bijdragen in de kosten van de kinderen: - van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024 met € 224,- per maand (€ 75,- per kind per maand); - van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025 met € 277,- per maand (€ 92,- per kind per maand); - van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025 met € 260,- per maand (€ 87,- per kind per maand); - vanaf 1 maart 2025 met € 288,- per maand (€ 96,- per kind per maand). Zorgkorting 5.20 Tot slot is de zorgkorting aan de orde. De achtergrond van de zorgkorting is dat de ouder waar het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft voor een deel niet in de verblijfskosten van het kind voorziet, omdat de andere ouder daarin voorziet in de periode dat het kind bij die andere ouder verblijft. Om die reden dalen de verblijfskosten die de in hoofdzaak verzorgende ouder ten behoeve van het kind heeft. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Omdat de vader gedurende minder dan 1 dag per week de zorg heeft voor [kind 2] en [kind 3] , geldt voor hen een percentage van 5%. Dit komt neer op een bedrag van (0,05 x € 1.117,- : 3=) € 19,- per kind per maand in 2024 en (0,05 x € 1.247,- :3 =) € 21,- per kind per maand in 2025. Gebleken is dat er al geruime tijd geen omgang plaatsvindt tussen de man en [kind 1] . Inmiddels heeft zij de meerderjarige leeftijd bereikt. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting voor [kind 1] . 5.21 Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van de ouders gezamenlijk onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Omdat het tekort aan gezamenlijke draagkracht (meer dan) twee keer zo groot is als de zorgkorting, moet de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht bijdragen. Conclusie 5.22 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man aan de vrouw moet betalen: - van 8 maart 2024 tot 1 augustus 2024 € 224,- per maand (€ 75,- per kind per maand); - van 1 augustus 2024 tot 1 januari 2025 € 277,- per maand (€ 92,- per kind per maand); - van 1 januari 2025 tot 1 maart 2025 € 260,- per maand (€ 87,- per kind per maand); - vanaf 1 maart 2025 € 288,- per maand (€ 96,- per kind per maand). 5.23 Het hof heeft berekeningen gemaakt ten aanzien van het NBI en de draagkracht van de man en de vrouw. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht. 5.24 Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en beslissen als hierna vermeld. 5.IV Vermogensrechtelijke afwikkeling Algemeen 5.25 Tussen partijen staat niet ter discussie dat tussen hen vanaf 2016 een wettelijke gemeenschap van goederen naar Nederlands recht is ontstaan, en dat daarvóór op hun huwelijksvermogensregime het Marokkaanse recht van toepassing was. Evenmin staat tussen partijen ter discussie dat als peildatum voor de samenstelling van de wettelijke gemeenschap van goederen 30 maart 2023 geldt, en dat als peildatum voor de waardering als hoofdregel de datum van feitelijke verdeling geldt, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken. 5.26 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.29 van de bestreden beschikking aangegeven welke vermogensbestanddelen van de huwelijksgemeenschap besproken dienden te worden. Een aantal van die vermogensbestanddelen staat in hoger beroep nog ter discussie. Bankrekeningen en verzoek overleggen bankafschriften 5.27 De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte de man niet heeft veroordeeld om de bankafschriften van zijn bankrekeningen over de periode vanaf 14 mei 2018 tot en met 30 maart 2023 in geding te brengen. Volgens de vrouw heeft de man gedurende hun huwelijk geld van zijn bankrekeningen weggesluisd. De vrouw heeft in dat kader een beroep gedaan op artikel 3:194 BW. Als blijkt dat de man geld heeft weggesluisd, heeft hij zijn aandeel daarin aan de vrouw verbeurd. In zijn incidentele hoger beroep heeft ook de man grieven gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de verdeling van de bankrekeningen. Volgens de man heeft juist de vrouw gedurende het huwelijk nimmer inzage in haar financiën gegeven. De man stelt dat de vrouw zonder toestemming of overleg geld van partijen op de rekening van de kinderen heeft gestort, en dit geld aldus aan de gemeenschap heeft onttrokken. Het saldo van de bankrekeningen van de kinderen dient dan ook in de verdeling te worden meegenomen. Bovendien heeft de man een beroep gedaan op artikel 1:88 BW. Er is geld zonder zijn toestemming naar de bankrekening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.