GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 23/791 13 mei 2025 uitspraak van de vijfde enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , woonachtig te [Z] , [X] , (gemachtigde: mr. A. Bakker) tegen de uitspraak van 20 juli 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/5554 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen [X] , en de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
- De heffingsambtenaar heeft bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet Waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) op de waardepeildatum 1 januari 2021 voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op € 177.
- 1.
- De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 september 2022 het bezwaar tegen de bovenstaande beschikking ongegrond verklaard. 1.
- [X] heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
- Het tegen deze uitspraak door [X] ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 30 augustus 2023 en aangevuld bij brief van 29 maart
- De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.
- Het Hof heeft op 30 januari 2025 een nader stuk ontvangen van de heffingsambtenaar. 1.
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari
- Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten [X] is huurder van de woning. De woning is een appartement, is gebouwd in 1984, heeft een oppervlakte van 46 m² en is voorzien van een berging. 3Geschil in hoger beroep In hoger beroep is in geschil of het hoger beroep ontvankelijk is, en zo ja, of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. 4Beoordeling van het geschil in hoger beroep 4.
- In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar gesteld dat de verhuurder van de woning een woningbouwvereniging is, dat de huursom voor de woning € 456 per maand bedraagt, dat een huursom voor de woning in de sociale huursector maximaal € 752,33 per maand mag bedragen en dat een wijziging in de WOZ waarde niet tot een lagere huur dan de genoemde € 456 per maand kan leiden. Deze stelling heeft hij met stukken onderbouwd. Hieraan heeft hij de gevolgtrekking verbonden dat [X] geen belang heeft bij een wijziging van de WOZ waarde van de woning. Hij meent dat [X] daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep. 4.
- [X] heeft de in 4.1 weergegeven stellingen niet weersproken, ook niet toen hij daartoe ter zitting van het Hof uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld. Hij verbindt daaraan echter niet de gevolgtrekking dat [X] geen belang heeft bij een wijziging van de WOZ waarde van de woning. Ter zitting van het Hof verklaarde hij daarover “Je weet pas wat het belang is als de waarde wordt verlaagd”. De stelling dat hij wel een belang heeft bij een lagere WOZ waarde (en wat dat belang dan zou kunnen zijn) heeft [X] echter niet betrokken. Evenmin heeft hij feiten of omstandigheden naar voren gebracht die die stelling zouden kunnen onderbouwen. Daarnaast heeft [X] er ter zitting van het Hof op gewezen dat het procederen teneinde de WOZ waarde te verhogen is toegestaan en zich op het standpunt gesteld dat het gelijkheidsbeginsel er daarom toe dwingt dat ook een huurder (naar het Hof begrijpt: zonder financieel belang bij een verlaging van de WOZ waarde) moet worden toegestaan over de WOZ waarde te procederen. 4.
- In zijn arrest van 8 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:238) heeft de Hoge Raad onder andere als volgt overwogen: “4.1.2 Bij de beoordeling van het middel is uitgangspunt dat op grond van het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020 [voetnoot 3: HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:467, rechtsoverweging 2.4.3.] moet worden aangenomen dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking is bekendgemaakt, bij die beschikking en dus bij de daarin vastgestelde waarde een belang heeft. Dat belang omvat de juiste toepassing van artikel 17 Wet WOZ, welke bepaling strekt tot bescherming van de belangen van al degenen ten aanzien van wie een beschikking is genomen zoals genoemd in Hoofdstuk IV Wet WOZ. De bestreden uitspraak, waarin is aangenomen dat artikel 8:69a Awb in dit geval van toepassing is omdat de rechtsregel van artikel 17 Wet WOZ niet strekt tot bescherming van het belang van een gebruiker als belanghebbende, berust in zoverre op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel is daarom terecht voorgedragen. Het kan echter niet tot cassatie leiden gelet op het volgende. 4.1.3 In het arrest van 20 maart 2020 is de Hoge Raad ervan uitgegaan dat het hiervoor in 4.1.2 genoemde uitgangspunt in alle gevallen zou kunnen worden toegepast, en dat daarmee een praktisch goed uitvoerbare regeling zou ontstaan. [voetnoot 4: Vgl. HR 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2656, rechtsoverweging 2.3.4.] De Hoge Raad is daarbij ervan uitgegaan dat de heffingsambtenaar procedures waarbij de gebruiker geen belang heeft bij een eigen WOZ-beschikking, kan vermijden door ten aanzien van die gebruiker te volstaan met het toezenden van een afschrift van de beschikking die is genomen ten aanzien van de gerechtigde als bedoeld in artikel 24, lid 3, letter a, Wet WOZ. Die handelwijze blijkt echter op problemen te stuiten. [voetnoot 5: Vgl. onderdeel 6.7 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal.] De Hoge Raad vindt daarin aanleiding om ter vermijding van procedures waarbij de gebruiker geen belang heeft, een uitzondering op het hiervoor in 4.1.2 genoemde uitgangspunt te aanvaarden in gevallen waarin uit de vaststaande feiten voortvloeit dat de gebruiker door een wijziging van de vastgestelde WOZ-waarde niet in een gunstiger positie kan komen. In die gevallen dient, in afwijking van het hiervoor in 4.1.2 genoemde uitgangspunt, te worden aangenomen dat een rechtsmiddel (bezwaar, beroep of hoger beroep) niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener daarbij geen belang heeft, in die zin dat het aanwenden van dat rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. [voetnoot 6: Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, rechtsoverweging 3.4.2.]” 4.
- Uit de door de heffingsambtenaar gemotiveerd gestelde en door [X] niet weersproken stellingen vloeit naar het oordeel van het Hof voort dat [X] niet in een gunstiger positie kan komen door een wijziging van de vastgestelde WOZ waarde van de woning. Het bedrag van de door belanghebbende verschuldigde huur zal immers bij een lagere WOZ waarde niet wijzigen. Dat [X] een ander belang heeft bij een wijziging van de WOZ waarde is gesteld noch gebleken. Nu [X] enkel de gebruiker (de huurder) van de woning is en een belang bij een wijziging van de WOZ waarde daarvan bij hem ontbreekt, dient het door hem tegen die waarde ingestelde rechtsmiddel niet-ontvankelijk verklaard te worden. 4.
- Ter onderbouwing van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel verwijst [X] naar gevallen waarin bezwaar of (hoger) beroep wordt ingesteld teneinde een hogere dan de vastgestelde WOZ waarde te bepleiten. Het Hof overweegt dat dergelijke gevallen niet gelijk zijn aan dat van [X] (een huurder die een lagere WOZ waarde bepleit terwijl hem dat niet in een betere positie kan brengen). Daar komt bij dat ook in dergelijke gevallen geldt dat de insteller van het bezwaar of (hoger) beroep een belang dient te hebben bij de vastgestelde WOZ waarde, in de zin dat deze in een gunstiger positie kan komen door een wijziging (in de door [X] bedoelde gevallen: een verhoging) daarvan. Bij ontbreken van een dergelijk belang dient het rechtsmiddel ook in die gevallen niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt om de hiervoor genoemde redenen. Slotsom 4.
- Gelet op het hiervoor overwogene had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat de insteller daarvan, [X] , bij een wijziging van de WOZ waarde geen belang heeft. Er bestaat echter geen reden de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren omdat de belangen van [X] daarmee niet worden gediend (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033). Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank dan ook bevestigen. 5Kosten Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mr. J-P.R. van den Berg, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 13 mei 2025 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: