← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:2077

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001598-24 datum uitspraak: 2 mei 2025 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-166283-24 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984, adres: [adres] , thans gedetineerd in [detentieadres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 april 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit om die reden bevestigen, behalve ten aanzien van de beslagbeslissing – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging van de rechtbank vervangt door de hierna volgende overweging. Bewijsoverweging De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Allereerst heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is geweest van een onrechtmatige fouillering wat een onherstelbaar vormverzuim oplevert zodat bewijsuitsluiting dient te volgen op grond van artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daartoe heeft hij aangevoerd dat het signalement dat door de meldkamer aan de politie was verstrekt dermate algemeen was en zodanig weinig onderscheidend dat daarop geen redelijk vermoeden van schuld kon worden gebaseerd. Daarnaast bestaat er onvoldoende aanleiding om het gedrag van de verdachte als ‘afwijkend’ aan te merken, waarop de verdenking mede gebaseerd zou zijn geweest. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , inhoudende een voor-categorisering van het vuurwapen dat op 12 mei 2024 heeft plaatsgevonden, niet ondertekend is noch op ambtseed is opgemaakt. Om die reden kan dit bewijsmiddel slechts als geschrift ex. artikel 344 lid 1, onderdeel 5, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) tot het bewijs meewerken. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de categorisering van het vuurwapen onzorgvuldig is geweest en dat niet middels een voor-categorisering kan worden vastgesteld dat sprake is van een verboden vuurwapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie (WWM). Er is slechts oppervlakkig onderzoek verricht en er is gemeld dat het wapen zal worden aangeboden voor proefschieten, maar dat is kennelijk niet gebeurd. Volgens de raadsman kan niet worden vastgesteld onder welke categorie van de WWM het aangetroffen wapen valt. Het hof overweegt als volgt. Rechtmatigheid van de fouillering Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] volgt dat hij op 18 mei 2024 om 05:27 uur een melding kreeg van een beroving die had plaatsgevonden onder bedreiging van een vuurwapen. De verbalisant ontving het signalement van de dader (man, 25 jaar, licht getint) en de live locatie van de weggenomen telefoon, die via de telefoon van de vriendin van het slachtoffer zichtbaar was. Om 05:45 uur peilde de telefoon uit bij het Damrak ter hoogte van de Haringpakkersteeg. De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zijn naar de Haringpakkersteeg gegaan en zagen daar een licht getinte man lopen van circa 30 jaar oud,later blijkend verdachte. Het viel verbalisant [verbalisant 2] op dat de verdachte zich afwijkend gedroeg toen hij de verbalisant zag: hij hield de verbalisant nauwlettend in de gaten en versnelde zijn looppas toen de verbalisant hem naderde. Hierop is de verdachte staande gehouden en gefouilleerd. Gelet op hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht over de aanleiding om de verdachte te fouilleren en de vraag of er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a, eerste lid, Sv, overweegt het hof als volgt. Artikel 52, tweede lid, Wet wapens en munitie (WWM) luidt: De opsporingsambtenaren zijn bevoegd personen aan hun kleding te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van: a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt; b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27; c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd. In de wetsgeschiedenis bij de wijziging van artikel 52, tweede lid, WWM met ingang van 10 september 2002 (Kamerstukken II, 2000-2001, 26 865, nr. 7, p. 2-3) is vermeld dat de eis, dat tegen de betrokkene ernstige bezwaren moesten bestaan voordat tot onderzoek aan de kleding kan worden overgegaan, een te zware eis werd gevonden. Voor zover van belang is in de wetsgeschiedenis vermeld: “Omdat het onderzoek aan de kleding een zwaardere inbreuk op de persoonlijke integriteit van een persoon met zich meebrengt dan het onderzoek van een vervoermiddel of verpakkingen van goederen, heeft de wetgever hieraan indertijd zwaardere eisen gesteld. Gevolg hiervan is wel dat een persoon eenvoudig kan voorkomen dat een wapen wordt ontdekt, door het niet los in zijn auto of bagage mee te voeren, maar door het tussen zijn kleding te dragen. De verruiming van de bevoegdheden die ik met dit wetsvoorstel beoog ten aanzien van het onderzoek van voertuigen en verpakkingen van goederen op wapens, zou te niet worden gedaan wanneer niet ook het onderzoek aan de kleding wordt vereenvoudigd. Om die reden stel ik voor om ook voor het onderzoek aan de kleding de «aanleiding» voldoende te achten. In de praktijk kan de wijziging van artikel 52 bijvoorbeeld betekenen dat, wanneer de politie informatie krijgt dat zich op een bepaalde plaats een persoon met een wapen bevindt, alle personen op die plaats kunnen worden gefouilleerd, en dat niet behoeft te worden afgewacht tot een verdachte is geïdentificeerd.” Het hof stelt vast dat uit het dossier volgt dat de verbalisanten korte tijd voor de fouillering van de verdachte informatie hadden gekregen over een beroving met een vuurwapen. Ze waren ook geïnformeerd over de locatie van de bij de beroving gestolen telefoon, die uitpeilde bij de Haringpakkersteeg. De politie beschikte daardoor over informatie dat zich in of nabij de Haringpakkersteeg een persoon met een vuurwapen bevond. Deze informatie was voldoende om alle personen op die plaats te fouilleren. In zoverre bestond redelijkerwijs aanleiding om de verdachte, die uit de Haringpakkersteeg liep, te fouilleren. Daar komt nog bij dat is waargenomen dat de verdachte zijn looppas versnelde toen de verbalisant hem naderde terwijl hij als licht getinte man paste bij het door de meldkamer doorgegeven signalement van de dader van de beroving. Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het verweer van de raadsman, dat onvoldoende aanleiding bestond om de verdachte te fouilleren. Er is geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv. Het proces-verbaal van onderzoek en de categorisering van het vuurwapen De raadsman heeft aangevoerd dat het proces-verbaal van onderzoek aan het wapen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] niet is ondertekend noch onder ambtseed is opgemaakt waardoor het slechts als een geschrift tot het bewijs kan meewerken. Het hof constateert dat dit proces-verbaal twee keer voorkomt in het procesdossier, waarvan één op ambtsbelofte is opgemaakt en ondertekend. Het hof verwerpt daarom het verweer van de raadsman. Tot slot verwerpt het hof het verweer van de raadsman dat niet kan worden vastgesteld onder welke categorie van de WWM het wapen valt. Door verbalisant [verbalisant 1] is onderzoek verricht naar het in beslag genomen wapen. Uit dit onderzoek blijkt dat dit wapen een pistoolmitrailleur is, hetgeen een vuurwapen is in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie II onder 2 van de WWM. Anders dan de raadsman heeft bepleit, is het hof van oordeel dat voldoende kan worden vastgesteld wat voor een wapen het betreft en onder welke categorie van de WWM het wapen valt. Voor de kwalificatie van het wapen is niet vereist dat wordt proefgeschoten met het wapen. Uit het proces-verbaal blijkt bovendien dat het wapen geladen was en door het naar achteren halen van de slede het vuurwapen gereed was geweest om te vuren. Beslag Uit de beslaglijst van 4 juni 2024 blijkt dat de volgende voorwerpen in beslag zijn genomen: STK Pistool (Omschrijving: PL1300-2024116156-G6503081) 1 STK Munitie (Omschrijving: PL1300-2024116156-G6503082) 1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2024116156-G6503083, Rood) 1 STK Weegschaal (Omschrijving: PL1300-2024116156-G6503084) 1 STK Verdovende Middelen(Omschrijving: PL1300-2024116156-G6503085, Cocaine crack) 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2024116156-G6503086, XTC) 2 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2024116156-G6503087, Cocaine crack) 1 STK Ampul (Omschrijving: PL1300-2024116156-G6503091) Het hof constateert dat er op grond van artikel 117 Sv een machtiging tot vernietiging is afgegeven voor de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen waardoor het hof geen beslissing hoeft te nemen over het beslag. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslagbeslissing. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. H.A. Stalenhoef en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 mei 2025. mr. M.T.C. de Vries en mr. M.S. Fritsche zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. Proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2024, opgemaakt door [verbalisant 3] (p. 14 politiedossier). Proces-verbaal van onderzoek van 18 mei 2024, opgemaakt door [verbalisant 1] (digitale pg. 56 t/m 59 procesdossier).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.