afdeling strafrecht parketnummer: 23-002766-22 datum uitspraak: 19 juni 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 oktober 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-162534-21 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, adres: [adres] Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primairhij, op of omstreeks 23 mei 2021 te Zwanenburg openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de Dennenlaan, in elk geval op of aan een openbare weg en/of voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] , door die [benadeelde partij] - te slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht/hoofd en/of - te duwen tegen het lichaam ten gevolge waarvan die [benadeelde partij] al dan niet ten val is gekomen en/of - te schoppen en/of stompen en/of slaan tegen het lichaam; subsidiairhij op of omstreeks 23 mei 2021 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] -in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen en/of -tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Vrijspraak primair tenlastegelegde De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. De raadsman heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn vader. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de subsidiair tenlastegelegde mishandeling, enkel bestaande uit het slaan van aangever, kan worden bewezen. Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. Daarbij baseert het hof zich in belangrijke mate op de in het dossier aanwezige camerabeelden, in dit geval het meest objectieve bewijs. Op 23 mei 2021 in Zwanenburg stapt de verdachte uit zijn bus, loopt meteen en met versnelde pas naar de aangever toe en slaat hem met zijn vuist meermalen tegen zijn hoofd, waaronder tegen zijn oog. Vervolgens ontstaat een worsteling waarin door de verdachte opnieuw meerdere stompen zijn uitgedeeld aan aangever en waarbij de verdachte aangever ook schopt. De verdachte heeft bekend dat hij geweld heeft gebruikt tegen de aangever. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld. Hoewel op de beelden te zien is dat ook geweld tegen aangever door ten minste een ander wordt gebruikt, is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen vaststellen dat de verdachte opzet had op het "in vereniging" plegen van het door hem gepleegde geweld. Niet blijkt immers van enig, hoe kort ook, overleg of andere vorm van afstemming tussen de verdachte en de onbekend gebleven andere persoon die ook geweld tegen aangever gebruikte, en de eruptie van geweld tegen aangever is naar het oordeel van het hof te kort om uit de duur daarvan te kunnen vaststellen dat de verdachte zich bewust is geweest van, laat staan het opzet te hebben gehad, op enige vorm van samenwerking in het geweld tegen aangever. Het hof acht daarom – evenals de raadsman – niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging heeft begaan, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Wel is het door de verdachte tegen de aangever gebruikte geweld te kwalificeren als mishandeling, zoals subsidiair ten laste gelegd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 23 mei 2021 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] - tegen het hoofd te stompen en - tegen het lichaam te stompen en te schoppen. Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis. De raadsman heeft een taakstraf van 30 uur bepleit, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in voorwaardelijke vorm, of anders maximaal de door de politierechter opgelegde straf. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich in het openbaar schuldig gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer door hem op straat in aanwezigheid van vele andere personen tegen zijn hoofd en lichaam te stompen, en tegen zijn lichaam te schoppen. Hij heeft hiermee een inbreuk gemaakt op diens lichamelijke integriteit en heeft hem letsel toegebracht en pijn gedaan. Met zijn handelen heeft hij niet alleen een beangstigende situatie geschapen voor het slachtoffer, maar ook voor de omstanders die ongevraagd werden geconfronteerd met het geweld. Het hof acht dit gedrag van de verdachte, temeer omdat het een plotselinge eruptie van geweld zonder een duidelijke aanleiding was, ernstig en zorgelijk. Dit werkt niet in het voordeel van de verdachte. Het strafblad van de verdachte vermeldt geen eerdere veroordelingen waarmee het hof rekening houdt, wel twee latere veroordelingen voor andersoortige feiten. Hoewel de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak idealiter wordt afgedaan in hoger beroep in aanzienlijke mate is overschreden, zal het hof, vanwege de hoogte van de op te leggen straf, volstaan met de constatering daarvan. Wel houdt het hof bij de strafoplegging rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.607,62, bestaande uit € 107,62 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 607,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.