← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:2101

afdeling strafrecht parketnummer: 23-000855-23 datum uitspraak: 24 maart 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 15 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 96-067275-21 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart

  1. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij, op of omstreeks 16 september 2020 te Julianadorp, gemeente Den Helder als bestuurder van een voertuig (land- of bosbouwtrekker), daarmee rijdende op de weg, de Callantsogervaart, plotseling opzij stuurde en/of een plotselinge uitwijkmanoeuvre maakte althans heeft gemaakt, tengevolge waarvan het voertuig (land- of bosbouwtrekker) van verdachte is gaan kantelen, althans is gekanteld, en/of (vervolgens) in de (aldaar) naastgelegen sloot terecht is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bewijsoverweging De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van een gevaarzettende gedraging in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). De verdachte heeft juist het door [getuige 1] veroorzaakte gevaar – het met haar auto overschrijden van de haaientanden op de aan de door de verdachte bereden kruisende weg – van een aanrijding afgewend door een sturende beweging te maken. Het hof overweegt als volgt. Niet ter discussie staat dat de verdachte op eerdergenoemde weg een plotselinge uitwijkmanoeuvre heeft gemaakt waardoor zijn voertuig is gekanteld. Wat wel ter discussie staat, is of er een legitieme aanleiding bestond om die manoeuvre te maken. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat van dat laatste niet is gebleken. Het hof ziet voor dat oordeel geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van mevrouw [getuige 1] en de getuige [getuige 2] , die beiden hebben verklaard dat [getuige 1] ruim vóór de haaientanden van de kruising is gestopt. Ook uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de politie ter plaatse zag dat de personenauto van [getuige 1] ongeveer één tot anderhalve meter vóór de haaientanden stilstond. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er voor de verdachte geen goede reden bestond om de plotselinge uitwijkmanoeuvre te maken. Door deze manoeuvre uit te voeren, heeft de verdachte een situatie gecreëerd waarin gevaar en hinder op de weg kon ontstaan. Het voornoemde, door de verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario, dat erop neerkomt dat de verdachte moest uitwijken voor [getuige 1] omdat zij over de haaientanden reed en het leek alsof zij de kruising op kwam rijden, is – gelet op het voorgaande – niet aannemelijk geworden. De schriftelijke verklaring van [getuige 3] is onvoldoende om aan te nemen dat [getuige 1] in de periode tussen het incident en de aankomst van de politie haar auto zou hebben verplaatst, reeds omdat deze verklaring op dat punt onvoldoende concreet is. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 16 september 2020 te Julianadorp, gemeente Den Helder, als bestuurder van een voertuig (landbouwtrekker), daarmee rijdende op de weg, de Callantsogervaart, een plotselinge uitwijkmanoeuvre heeft gemaakt, ten gevolge waarvan het voertuig (landbouwtrekker) van verdachte is gaan kantelen, en vervolgens in de aldaar naastgelegen sloot terecht is gekomen, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt en het verkeer op die weg kon worden gehinderd. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet
  2. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Geen straf of maatregel De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 500,00, te vervangen door 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Het hof heeft in hoger beroep bij zijn overwegingen over een eventueel op te leggen straf gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich op 16 september 2020 schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW. Hij heeft – kort gezegd – als bestuurder van een landbouwtrekker een plotselinge uitwijkmanoeuvre gemaakt, waarbij hij in de sloot terecht is gekomen, waardoor hinder en gevaar op de weg kon ontstaan. Het hof heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. Aannemelijk is dat de verdachte van de onderhavige bewezenverklaring aanzienlijke financiële consequenties zal ondervinden. Gelet op het voorgaande acht het hof het passend te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.I.M. van Bergen, mr. H.A. van Eijk en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Vermeijden en R.S. Toornvliet, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.