GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.336.303/01 zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/337348 / HA ZA 23-131 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 september 2025 in de zaak van [appellant] , wonend te [plaats 1] , Zwitserland, appellant, advocaat: mr. Th.C. Visser te Rotterdam, tegen 1 [geïntimeerde 1] , 2. [geïntimeerde 2] , beiden wonend te [plaats 2] , geïntimeerden, advocaat: mr. J.N. Heeringa te Amsterdam. Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd. 1De zaak in het kort Partijen zijn buren. Zij discussiëren in hoger beroep in het bijzonder over de vraag of de door [appellant] aangebrachte dakramen binnen twee meter van de erfgrens van [geïntimeerden] (een plat dak) in strijd zijn met artikel 5:50 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) of dat de situatie valt gelijk te stellen aan de uitzondering in artikel 5:50 lid 2 BW dat het uitzicht niet verder reikt dan tot een zich binnen twee meter van het werk bevindende muur. Net als de rechtbank oordeelt het hof dat de dakramen in strijd zijn met artikel 5:50 lid 1 BW. 2Het geding in hoger beroep [appellant] is bij dagvaarding van 6 november 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 9 augustus 2023 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie (hierna: het bestreden vonnis). Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met een productie. Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 3 april 2025 laten toelichten, [appellant] door mr. S.I. Herlitschek en mr. J.J. Blok, advocaten te Rotterdam, en [geïntimeerden] door mr. Heeringa voornoemd, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Namens [appellant] zijn nog producties in de procedure gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad – het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog zijn vorderingen zal toewijzen en de vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties, met nakosten. [geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, met rente. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 3Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3.1 tot en met 3.15 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat deze feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen deze neer op het volgende. 3.1. [geïntimeerden] zijn sinds juli 2021 eigenaar van de maisonnette gelegen op de bovenste twee verdiepingen van het pand aan [straat] [nummer 2] te [plaats 2] (hierna ook: nr. [nummer 2] ). 3.2. [appellant] is sinds 10 maart 2020 eigenaar van het pand gelegen aan [straat] [nummer 2] te [plaats 2] (hierna ook: nr. [nummer 2] ). 3.3. Op 2 oktober 2020 heeft [appellant] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend bij de gemeente Amsterdam . De vergunning, die ziet op de bouwkundige splitsing van het pand in vier zelfstandige woningen, is op 24 februari 2021 verleend. Zowel de aanvraag als het besluit zijn gepubliceerd in het Gemeenteblad. 3.4. De aan [appellant] verleende omgevingsvergunning vermeldt onder het kopje ‘nadere aanwijzingen’: Buren en bouwen In het Burgerlijk Wetboek (boek 5, titel 4) zijn regels opgenomen over de rechten en plichten van buren. Als niet aan deze regels wordt voldaan kan uw project mogelijk niet of slechts gedeeltelijk worden uitgevoerd. Het is verstandig om vooraf met uw buren over de (ver)bouwplannen te overleggen. Daarmee kunt u problemen voorkomen. 3.5. Ten tijde van de aankoop van de maisonnette door [geïntimeerden] werd het pand van [appellant] verbouwd. [appellant] heeft de door hem gerealiseerde appartementen inmiddels verhuurd. 3.6. De woning van [geïntimeerden] bestaat uit twee verdiepingen die zijn verbonden door een trap die doorloopt naar het platte dak en daar uitkwam in een dakhuisje. Er was al decennialang een dakhuisje aanwezig. Het bevond zich schuin tegenover de dakkapel in het zadeldak van [appellant] . De vorige eigenaar van nr. [nummer 2] heeft het dakhuisje in verband met lekkage in 2012 vervangen. [geïntimeerden] maken op dagelijkse basis gebruik van het dak. 3.7. Voor de aanwezigheid van het dakhuisje op het dak van nr. [nummer 3] was door de gemeente Amsterdam geen vergunning verleend. 3.8. In de tweede helft van december 2021, terwijl [geïntimeerden] in het buitenland verbleven, heeft [appellant] twee dakramen laten plaatsen in het zadeldak van nr. [nummer 2] aan de zijde van de woning van [geïntimeerden] (hierna ook: de dakramen). [geïntimeerden] hebben bij thuiskomst telefonisch contact gezocht met [appellant] om over de geplaatste ramen te spreken. Zij vreesden – onder meer – voor inbreuk op hun privacy op het dak. 3.9. De kamers die [appellant] heeft gerealiseerd op de bovenste verdieping van zijn pand (en die grenzen aan het dak van nr. [nummer 3] ) zijn twee slaapkamers. Deze kamers beschikken tevens over ramen aan de andere zijde van het pand. 3.10. Op 10 januari 2022 hebben [geïntimeerden] en [appellant] met elkaar gesproken over de dakramen. Dat gesprek heeft niet tot een oplossing geleid. 3.11. Na het gesprek hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd over de dakramen. [geïntimeerden] menen van [appellant] te kunnen verlangen dat ofwel de oude toestand wordt teruggebracht ofwel dat de ramen ondoorzichtig worden gemaakt en worden vastgezet. [appellant] is van mening dat het [geïntimeerden] überhaupt niet is toegestaan het dak te betreden waardoor zij niet van hem kunnen verlangen dat hij de dakramen verwijdert dan wel ondoorzichtig maakt en vastzet. 3.12. [geïntimeerden] hebben een advocaat ingeschakeld en die heeft [appellant] bij brief van 7 februari 2022 gesommeerd binnen veertien dagen de ramen vast te zetten en ondoorzichtig te maken. [appellant] heeft daar geen gehoor aan gegeven. 3.13. De advocaat van [appellant] heeft op 26 augustus 2022 een verzoek tot handhaving bij de gemeente Amsterdam ingediend met betrekking tot het dakhuisje van [geïntimeerden] 3.14. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de gemeente Amsterdam [geïntimeerden] bij besluit van 29 december 2022 gesommeerd om het dakhuisje binnen 16 weken na dagtekening van het besluit te verwijderen op straffe van een dwangsom. Het dakhuisje – in het besluit opleggen last onder dwangsom dakopbouw genoemd – vormt volgens het college een aantasting van het daklandschap. In dit besluit is tevens opgenomen: Een dakterras – waarop overigens niet wordt aangeschreven – op een deel van de achterste helft van de hoofdbebouwing is denkbaar, echter moet deze dan zodanig gepositioneerd worden dat deze niet zichtbaar is vanuit de openbare ruimte. (…) 3.15. [geïntimeerden] hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaar van [geïntimeerden] is door het college van burgemeester en wethouders ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 mei 2024 heeft de rechtbank [plaats 2] het door [geïntimeerden] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. 3.16. Tegen deze uitspraak hebben [geïntimeerden] hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 29 november 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd. 3.17. Op 3 april 2025 hebben [geïntimeerden] het dakhuisje verwijderd. 4Eerste aanleg 4.1. [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg in conventie (samengevat) gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: - primair: [appellant] te veroordelen om de twee dakramen te verwijderen en het dak te herstellen in de oude staat; - subsidiair: [appellant] te veroordelen om de twee dakramen zodanig vast te doen zetten dat zij niet meer geopend kunnen worden en te doen voorzien van melkglas dan wel melkfolie; - een en ander op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, met nakosten. 4.2. [appellant] heeft (samengevat) in reconventie – uitvoerbaar bij voorraad – gevorderd om: - [geïntimeerden] te veroordelen om het dakhuisje, inclusief trapconstructie, te verwijderen en verwijderd te houden; - [geïntimeerden] te verbieden om, anders dan voor onderhoud c.q. noodsituaties, gebruik te maken van het platte dak van nr. [nummer 3] ; - een en ander op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten. 4.3. De rechtbank heeft de subsidiaire vorderingen van [geïntimeerden] op straffe van verbeurte van een dwangsom toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. 5Beoordeling 5.1. [appellant] is met negentien grieven vanuit verschillende invalshoeken tegen de beslissing van de rechtbank opgekomen. Verschrijving rechtbank en weergave stellingen (grieven 1 tot en met 3) 5.2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank opgenomen dat de mondelinge behandeling op 17 februari 2013 heeft plaatsgevonden. Dit is echter op 17 februari 2023 geweest. Het gaat hier evident om een typefout in het bestreden vonnis. Voor zover de klacht hierover als grief aangemerkt kan worden, is deze weliswaar terecht voorgesteld, maar leidt deze niet tot een andere beslissing. De eerste grief heeft geen succes. 5.3. De volgende grieven (2 en 3) keren zich tegen rov. 5.5 en 5.9 van het bestreden vonnis. De tweede grief klaagt erover dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerden] “net zoals hun rechtsvoorgangers” veel gebruik maken van het platte dak. Met zijn derde grief betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de vergunningverlening aan [appellant] voor het plaatsen van de dakramen geen rekening is gehouden met mogelijke inkijk. 5.4. In de bestreden rechtsoverwegingen geeft de rechtbank de standpunten van partijen weer. Voorop wordt gesteld dat aan de rechter grote vrijheid toekomt om zelf te bepalen hoe specifiek de weergave van de standpunten van partijen dient te zijn. Met name is echter van belang of de rechtbank bij haar beslissing de verweren van partijen voldoende in acht heeft genomen. De bestreden rechtsoverwegingen bevatten geen inhoudelijke beoordeling. Die beoordeling is opgenomen verderop in het bestreden vonnis (vanaf rov. 5.11). Daarbij komt dat de derde grief feitelijke grondslag mist omdat de rechtbank in haar vonnis bij de weergave van de standpunten van [appellant] wel degelijk heeft overwogen (in rov. 5.9) dat bij de vergunningverlening rekening is gehouden met mogelijke inkijk. Gelet op het voorgaande falen de tweede en derde grief. Plaatsing dakramen in strijd met artikel 5:50 BW (grieven 4 tot en met 13) 5.5. Met de grieven 4 tot en met 11 bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat hij met de plaatsing van de dakramen in strijd heeft gehandeld met artikel 5:50 lid 1 BW en om die reden de dakramen moet blinderen en vastzetten. [appellant] voert daartoe aan, samengevat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.