GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.351.642/01 zaaknummer rechtbank: C/15/354364 / JU RK 24-979 beschikking van de meervoudige kamer van 26 augustus 2025 in de zaak van [de man] , wonende te [plaats A] , verzoeker in hoger beroep, hierna: de vader of de man, advocaat: mr. M.D. Balesar te Heerhugowaard, en [de vrouw] , wonende te [plaats B] , verweerster in hoger beroep, hierna: de moeder of de vrouw, advocaat: mr. B. Stelling te Velsen-Zuid. Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt: - de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ); - de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna: de GI). In de procedure heeft een adviserende taak: de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] , hierna: de raad. 1De zaak in het kort 1.1 De zaak gaat over de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige] (11 jaar). 1.2 De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter) heeft in een beschikking van 27 november 2024 (hierna: de bestreden beschikking) een zorgregeling vastgesteld. Daarbij is bepaald dat [minderjarige] – kort gezegd – om het weekend bij de vader verblijft, dat de vader tenminste één keer per week met [minderjarige] belt en in welke vakantie [minderjarige] wanneer bij welke ouder verblijft. De vader is het daar niet mee eens en wil dat er een andere zorgregeling komt. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking. De GI wil dat het hof een raadsonderzoek gelast, zodat er een goed onderbouwd advies kan worden gegeven over de meest geschikte zorgregeling. 2De procedure in hoger beroep 2.1 De vader is op 27 februari 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. 2.2 De moeder heeft op 19 maart 2025 een verweerschrift ingediend. 2.3 De GI heeft op 26 maart 2025 een verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep ingediend. 2.4 Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen: - een bericht van de zijde van de moeder van 9 april 2025; - een bericht van de zijde van de vader van 2 juli 2025, met twee producties 2.5 Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft dat gedaan bij ongedateerde brief, ingekomen bij het hof op 1 juli 2025. De voorzitter heeft de inhoud van deze brief, samengevat, aan partijen voorgehouden. 2.6 De zitting heeft op 17 juli 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. J.J.C. Engels, waarnemend advocaat voor mr. M.D. Balesar; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI; - de raad, vertegenwoordigd door L.C.M. Varkevisser. 3De feiten 3.1 De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van: - [minderjarige] , geboren [in] 2014 te [plaats B] . De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 16 mei 2022 gescheiden. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder. 3.2 Bij (echtscheidings)beschikking van de rechtbank van 29 maart 2022 is de volgende zorgregeling vastgesteld: 3.3 Bij beschikking van de kinderrechter van 24 januari 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Bij beschikking van de kinderrechter van 14 januari 2025 is deze ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd tot 24 januari 2026. 3.4 Bij beschikking van 6 februari 2024 heeft de kinderrechter de zorgregeling zoals vermeld onder 3.2 onverkort gehandhaafd, met dien verstande dat: -de vader en [minderjarige] minimaal twee weekenden per maand omgang met elkaar hebben, waarbij de GI de regie voert over de planning van de weekenden tussen de vader en [minderjarige] ; -de vader uiterlijk de 20e van elke maand zijn werkrooster dient door te geven aan de GI, die met behulp van dit werkrooster een omgangsrooster met betrekking tot de weekenden tussen de vader en [minderjarige] opstelt en dat omgangsrooster zo spoedig mogelijk aan de ouders van [minderjarige] toestuurt. 4De omvang van het hoger beroep 4.1 De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking – voor zover hier van belang – met wijziging van de beschikking van 6 februari 2024, het volgende bepaald 4.2 De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking: - een (flexibele) zorgregeling vast te stellen, gebaseerd op zijn werkrooster, die in de praktijk haalbaar en uitvoerbaar is zodat de omgang tussen de vader en [minderjarige] spoedig hervat kan worden, waarbij de vader vóór elke 20e van de maand zijn werkrooster aanlevert bij de GI, zodat de GI een omgangsrooster kan vaststellen op basis van het werkrooster van de vader, en te bepalen dat in de weken waarin een omgangsweekend niet mogelijk is, dit wordt vervangen door een moment doordeweeks, zodat structureel contact tussen de vader en [minderjarige] gewaarborgd kan blijven; - te bepalen dat de haal- en brengregeling evenredig tussen de ouders zal worden verdeeld, bij zowel de uitvoering van de zorgregeling als bij de verdeling van vakanties en feestdagen; - te bepalen dat [minderjarige] beide kerstdagen doorbrengt bij de ouder bij wie hij volgens de reguliere vakantieverdeling in de eerste week van de kerstvakantie verblijft, en oud en nieuw doorbrengt bij de ouder bij wie hij volgens de reguliere vakantieverdeling in de tweede week van de kerstvakantie verblijft, en het jaar erop andersom en dat dan op deze manier jaarlijks afgewisseld; - te bepalen dat niet de volledige verantwoordelijkheid voor de wekelijkse belmomenten enkel bij de vader komt te liggen, maar de moeder de omgang en belmomenten ook (positief) blijft stimuleren en verantwoordelijkheid hierin krijgt. 4.3 De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4.4 De GI verzoekt het hof een onderzoek door te raad te gelasten, zodat er een goed onderbouwd advies kan worden gegeven over de meest geschikte zorgverdeling. 5De motivering van de beslissing Het wettelijk kader 5.1 Uit artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op verzoek van onder andere een met het gezag belaste ouder en de GI kan de kinderrechter deze beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De standpunten van partijen 5.2 De vader stelt dat de kinderrechter ten onrechte de zorgregeling heeft gewijzigd. De vader heeft door zijn werk als cabin attendant bij Transavia veel onregelmatige diensten. Het is voor hem daarom niet mogelijk om zaterdag en zondag als vaste vrije dag te benutten. Doordat de vader de zorgregeling niet kan nakomen, heeft hij nu al 2,5 maand geen contact met [minderjarige] gehad. Dit is schadelijk voor [minderjarige] en niet in zijn belang. Een raadsonderzoek of de benoeming van een bijzondere curator kan mogelijk zorgen voor meer inzicht in de problematiek tussen partijen, de gezinssituatie bij zowel de vader als de moeder en waarom er geen verbetering komt in de situatie van [minderjarige] . De haal- en brengregeling wil de vader tussen de ouders verdelen zodat [minderjarige] zal gaan ervaren dat hij vrij contact kan hebben met beide ouders en dit vanuit de andere ouder wordt gestimuleerd. De regeling ten aanzien van de kerstdagen en oud en nieuw wil de vader in het belang van [minderjarige] gewijzigd zien door het aantal wisselmomenten te beperken, zodat er voor hem meer rust en stabiliteit is. 5.3 De moeder vindt dat de kinderrechter terecht de zorgregeling heeft gewijzigd. De vaste zorgregeling is het meest in het belang van [minderjarige] , die structuur en voorspelbaarheid nodig heeft. Een flexibele zorgregeling zoals eerder was vastgesteld is in de praktijk niet goed haalbaar voor de ouders, omdat het hen niet lukt uitvoering aan die regeling te geven. De moeder heeft bovendien het gevoel dat er alleen van haar zijde flexibiliteit wordt verwacht en niet van de zijde van de vader. Ook de moeder heeft een werkrooster dat niet zomaar kan worden aangepast. De moeder wenst ook de haal- en brengregeling te handhaven, mede omdat zij geen rijbewijs heeft en het telkens reizen met openbaar verzoek te belastend is voor [minderjarige] . De regeling van de kerstdagen en oud en nieuw wil de moeder eveneens ongewijzigd laten omdat het in het belang van [minderjarige] is dat hij op deze wijze elk jaar een feestdag met het gezin kan doorbrengen. De moeder onderschrijft dat een raadsonderzoek dan wel de benoeming van een bijzondere curator zinvol zal zijn. 5.4 De GI is van mening dat het, gezien de ontstane situatie en het gebrek aan een werkbare regeling, noodzakelijk is dat het hof een raadsonderzoek instelt met betrekking tot een passende zorgregeling voor [minderjarige] . De afgelopen periode is duidelijk geworden dat de regeling, zoals deze door de kinderrechter is vastgesteld, niet werkt omdat het de vader niet lukt de vooraf vastgestelde weekenden vrij te zijn en de zorgregeling na te komen. Voorts zijn er nog steeds conflicten tussen de ouders en is een constructieve samenwerking niet mogelijk. Het is daarom nodig dat een objectieve partij onderzoekt wat het meest in het belang van [minderjarige] is. Verder is de GI voorstander van het beperken van het aantal wisselmomenten tijdens de kerstdagen en oud en nieuw. 5.5 De raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd een raadsonderzoek te gelasten, zodat er meer zicht komt op de problematiek in het gezin. Er is een stagnatie in de ontwikkeling van [minderjarige] en er zijn zorgen in hoeverre hij emotionele toestemming vanuit de moeder krijgt om de vader te zien. Het is belangrijk dat de stem van [minderjarige] naar voren komt en een raadsonderzoek kan daarvoor zorgen. Ook de benoeming van een bijzondere curator acht de raad in het belang van [minderjarige] . De beoordeling door het hof (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.