afdeling strafrecht parketnummer: 23-000308-24 datum uitspraak: 4 september 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-271755-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, de raadsman en de benadeelde partij en zijn vertegenwoordiger naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit om die reden bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof: de bewezenverklaring aanvult met het gedachtestreepje: ‘kleding over het hoofd van die [slachtoffer] te trekken’. Deze aanvulling laat de kwalificatie van het bewezenverklaarde onveranderd; een aanvullende strafmotivering opneemt met betrekking tot de oplegging van de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Aanvullende strafmotivering De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat - als het hof aan strafoplegging toekomt - aan de verdachte geen GVM dient te worden opgelegd, omdat volgens het reclasseringsadvies van reclasseringswerker [naam] van RN Advies & Toezichtunit 3 Zuid-West van 1 augustus 2025 de geschatte risico’s ook toereikend kunnen worden ingeperkt door aan de verdachte de in dat advies opgenomen bijzondere voorwaarden op te leggen in een (deels) voorwaardelijk strafkader. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat is voldaan aan de formele wettelijke eisen voor het opleggen van de GVM en dat de oplegging van de maatregel in het geval van de verdachte noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappij. Hiertoe overweegt het hof dat de verdachte zijn aandeel in de woningoverval minimaliseert en de schuld bij (met name één van) de medeverdachten legt, zo blijkt ook uit zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep. Daarmee heeft hij aangetoond onvoldoende verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen. De verdachte was ten tijde van het plegen van de woningoveral bovendien voorwaardelijk in vrijheid gesteld van een gevangenisstraf van 5 jaren; een straf die aan hem is opgelegd, nota bene wegens een andere woningoverval. Dit heeft hem echter niet weerhouden van het nogmaals plegen van een ernstig soortgelijk strafbaar feit, namelijk deze gewapende woningoverval. Dit alles baart het hof ernstige zorgen. Uit de verschillende rapportages volgt dat de verdachte een moeilijk verleden heeft en een licht verstandelijke beperking en een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline kenmerken heeft. Het hof heeft kennis genomen van de eerdergenoemde reclasseringsrapportage van 1 augustus 2025, maar anders dan de reclassering en de verdediging is het hof er niet van overtuigd dat het geadviseerde voorwaardelijke kader voldoende waarborgen biedt om de geschatte risico’s toereikend in te perken. Dat komt niet alleen door de blijvende psychiatrische problematiek waar de verdachte blijkens de processtukken mee kampt, maar ook door zijn (strafrechtelijke) verleden en de interventies die daarin tevergeefs hebben plaatsgevonden. De oplegging van de GVM is naar het oordeel van het hof dan ook noodzakelijk om toekomstige risico’s ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen terug te dringen of aanvaardbaar te maken, alsook voor de verdachte om zijn patroon van het plegen van zware strafbare feiten te doorbreken. Vordering benadeelde partij De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 19.604,00, bestaande uit € 11.604,00 materiële schade en € 8.000,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 13.986,00, bestaande uit € 8.986,00 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte schade heeft geleden tot een bedrag ter hoogte van € 9.895,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.