GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.346.477/01 zaaknummer rechtbank: C/13/737035 / FA RK 23-4808 beschikking van de meervoudige kamer van 16 september 2025 in de zaak van [de moeder] , wonende te [plaats A] , verzoekster in hoger beroep, hierna: de moeder, advocaat: mr. P. Minkes te Amsterdam, en [naam] , vennoot van [X] Bewindvoering, gevestigd te [plaats A] (hierna: de bewindvoerder), in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan: [de vader] , verweerder in hoger beroep, hierna: de vader. Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt: - de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [in] 2018 te [plaats A] . 1De zaak in het kort 1.1 In deze zaak heeft het hof op 20 mei 2025 een beschikking gegeven, waarbij de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder is bepaald en een zorgregeling is bepaald tussen [minderjarige] en de vader. Het hof heeft toen nog geen beslissing genomen over de door de moeder verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie), omdat op de zitting van 6 februari 2025 was gebleken dat de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 27 januari 2025 een bewind had uitgesproken over de goederen van de vader. Het hof heeft de bewindvoerder gevraagd zich uit te laten over de voortgang van de procedure. 1.2 De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) had eerder in een beschikking van 2 juli 2024 (hierna: de bestreden beschikking), voor zover nu van belang, bepaald dat de vader met ingang van de datum van de bestreden beschikking aan de moeder een kinderalimentatie van € 76,- per maand moet voldoen. De moeder is het daar niet mee eens. Zij is van mening dat een hogere kinderalimentatie moet worden vastgesteld. Op de zitting in hoger beroep van 6 februari 2025 heeft zij uiteindelijk verzocht om een bedrag van € 200,- per maand. De bewindvoerder meent dat vanwege de schuldenlast van de vader en zijn lage inkomen er geen capaciteit is voor het voldoen van kinderalimentatie. 2De verdere procedure in hoger beroep 2.1 Het hof heeft na zijn beschikking van 20 mei 2025 ontvangen: - een brief van de bewindvoerder van 28 mei 2025, ingekomen ter griffie op 30 mei 2025 met een bijlage (een schuldenoverzicht); - een bericht van de kant van de moeder van 30 juni 2025, met als bijlage een brief van de advocaat van de moeder van die datum. In de informatie die het hof na de zitting van 6 februari 2025 van partijen heeft ontvangen ziet het hof geen aanleiding om een tweede mondelinge behandeling plaats te laten vinden. 2.2 het hof heeft vervolgens de einduitspraak bepaald op vandaag. 3De motivering van de beslissing Kinderalimentatie 3.1 De moeder stelt dat de behoefte van [minderjarige] € 779,- per maand bedraagt (geïndexeerd naar 2024). De rechtbank heeft de vader ten onrechte gevolgd in zijn stelling dat de behoefte van [minderjarige] op basis van zijn aangifte IB 2020 moet worden vastgesteld, omdat de moeder tegenover de betwisting van de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat de vader een resultaat uit onderneming van € 50.000,- per jaar had. De vader had tijdens de relatie en ook in 2020 naast zijn inkomen uit dienstverband een eigen onderneming genaamd [Y] , waarin hij koerierswerkzaamheden verrichtte. Op de zitting bij de rechtbank heeft de vader erkend dat [Y] zijn onderneming is. Hij heeft onvoldoende openheid gegeven over zijn inkomen en heeft hiermee de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geschonden, aldus de moeder. De moeder schat het resultaat van de onderneming van de vader in 2020 op € 50.000,-, ervan uitgaande dat hij tijdens de relatie voor gemiddeld € 1.000,- per week aan opdrachtgevers factureerde. De moeder voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat zij ermee zou hebben ingestemd dat wordt uitgegaan van een inkomen van de vader ter hoogte van het minimumloon. Op de zitting heeft de vader medegedeeld dat hij in maart 2024 is begonnen bij een transportbedrijf, zonder dat te onderbouwen met stukken. Omdat hij geen inkomensgegevens heeft overgelegd, kan de draagkracht van de vader niet worden vastgesteld. Het standpunt van de moeder was en is dat op basis van artikel 21 Rv ervan moet worden uitgegaan dat de vader in staat is om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De vader heeft verdiencapaciteit en kan in staat worden geacht om minstens het inkomen te verdienen dat hij in 2020 heeft verdiend, dus een resultaat uit onderneming van € 50.000,- en een inkomen van € 10.537,-. De rechtbank heeft verder ten onrechte rekening gehouden met een aflossing op schulden van € 100,- per maand. De rechtbank heeft niet uitgelegd waarom zij dit bedrag, gelet op de beschikbare financiële gegevens, passend acht. De vader heeft niet toegelicht of de schulden buiten zijn macht zijn ontstaan, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de schulden verwijtbaar en vermijdbaar zijn. De vader heeft niet aangetoond dat hij daadwerkelijk op schulden aflost. Het is in strijd met het belang van [minderjarige] om aan de zijde van de vader rekening te houden met een fictief bedrag aan maandelijkse aflossing, aldus nog steeds de moeder in haar beroepschrift. 3.2 De vader heeft op de zitting in hoger beroep van 6 februari 2025 een arbeidsovereenkomst tussen hem en [Z] BV overgelegd. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar, ingaande op 1 april 2024, met een dienstverband van 60 uur per maand tegen een uurloon van € 14,16 bruto per uur. De vader heeft toen ook drie salarisspecificaties overgelegd. Zijn netto loon in die maanden bedroeg volgens deze specificaties in november 2024 € 811,47, in december 2024 € 879,09 en in januari 2025 € 842,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.