← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:2438

afdeling strafrecht parketnummer: 23-002109-24 datum uitspraak: 24 april 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Zaandam) van 10 september 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-028735-23 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1979, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2025. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 augustus 2022 tot en met 2 september 2022 te Krommenie, gemeente Zaanstad, althans in Nederland als degene die het gezag uitoefende over de jongere [persoon] , geboren op [geboortedag 2] 2014, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van deze jongere had belast, telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten [school] , stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van 29 augustus 2022 tot en met 2 september 2022 te Krommenie, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [persoon] , geboren op [geboortedag 2] 2014, telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, die als leerling van een school, te weten [school] , stond ingeschreven, deze school na inschrijving geregeld bezocht. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00, subsidiair acht dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, met dien verstande dat de verdachte deze geldboete in acht termijnen van € 50,00 euro mag betalen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om hem geen straf op te leggen. Verdachte heeft erkend dat hij fout zat en dat hij daarvoor verantwoordelijk is, maar benadrukt dat het kwam door een vergissing, dat het hem spijt en dat het niet meer zal gebeuren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte is ervoor verantwoordelijk dat zijn zoon [persoon] , zonder toestemming van de leerplichtambtenaar, een aantal dagen langer op vakantie is geweest. De Leerplichtwet 1969 verplicht de ouder, in het belang van de jongere, te trachten schoolverzuim te voorkomen. Het begin van het schooljaar is een belangrijke periode, die [persoon] nu heeft gemist. Het hof heeft kennis genomen van hetgeen ter terechtzitting hoger beroep door de verdachte zelf naar voren is gebracht over zijn persoonlijke omstandigheden. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Daarbij weegt het hof ten voordele van de verdachte mee dat de verdachte zijn spijt heeft betuigd. Ter terechtzitting is het hof gebleken dat de verdachte doordrongen is van het belang dat zijn kinderen naar school gaan en dat hij het onderwijs hoog in het vaandel heeft staan. Om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw de Leerplichtwet te overtreden, legt het hof een proeftijd van twee jaren op. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Ten aanzien van het bewezenverklaarde Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. A.W.T. Klappe en mr P.J. van Eekeren, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 april 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.