beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 000930-24 (530 Sv) parketnummer in eerste aanleg: 13-029814-20 Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2024 op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. E.G.S. Roethof, Ceintuurbaan 67, 1072 EV Amsterdam. 1Procesverloop Het hoger beroep is op 10 oktober 2024 ingesteld door verzoeker (hierna appellant). Op 13 maart 2025 is het standpunt van de advocaat-generaal kenbaar gemaakt. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 23 april 2025 de advocaat-generaal en de waarnemend advocaat van appellant, mr. Z.L. Moezel, advocaat te Amsterdam, ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen. 2Inhoud van het verzoek Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep met het verzoek onder c - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van: kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 4.070,50; kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,
- kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,
- 3Beoordeling Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Het inleidende verzoek is tijdig ingediend. De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dit betekent enerzijds dat bij verzoeken op de voet van de artikelen 530 en 533 Sv als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Deze oordeelsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals (ook) neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De onschuldpresumptie verlangt dat – ongeacht de aard van de aan de strafzaak gekoppelde procedure en ongeacht de vraag of de strafprocedure is geëindigd met een vrijspraak dan wel een sepot – de motivering van het oordeel in de gekoppelde procedure (in casu: de onderhavige verzoekschriftprocedure) niet alsnog neerkomt op het uiten van de mening dat de voormalige verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van een strafrechtelijke norm en daarmee aan het plegen van een strafbaar feit (EHRM (GK) 11 juni 2024, appl. nos. 32483/19 & 35049/19, Nealon & Hallam t. het Verenigd Koninkrijk). Gelet hierop is het hof van oordeel dat het door de rechtbank gehanteerde criterium bij een beleidssepot, namelijk of de situatie zich voordoet dat de zaak onmiskenbaar tot een veroordeling van appellant zou hebben geleid, en bij bevestiging hiervan een afwijzing van het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding moet volgen, geen bruikbaar criterium is. Hiermee wordt de grens van de oordeelsvrijheid overschreden. Het hof zal de beschikking waarvan beroep derhalve vernietigen en opnieuw recht doen. De advocaat-generaal heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, ‘stevige ernstige bezwaren’ tegen appellant bestonden in de strafzaak, dat ook de voordeelsberekening in het kader van een ontnemingsvordering goed was onderbouwd en dat bij een beleidssepot in die omstandigheden slechts gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van de helft van de kosten van een raadsman en voor toekenning van de kosten voor het opstellen en indienen van een verzoekschrift in één instantie. Het hebben bestaan van ernstige bezwaren alleen is door het hof in eerdere zaken onvoldoende gevonden voor matiging van de verzochte schadevergoeding. Nu voorts niet is gebleken dat het ontstaan dan wel het voortduren van die ernstige bezwaren aan het handelen van de gewezen verdachte zijn te wijten, ziet het hof geen gronden van billijkheid voor matiging van het verzoek. Dit geldt ook voor het ‘goed onderbouwd zijn’ van een voordeelsberekening. Hierin ziet het hof geen grond van billijkheid voor matiging van het verzoek. Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak ten bedrage van € 4.070,
- Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,
- Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,
- 4Beslissing Het hof: Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht. Wijst het verzochte toe. Kent op de voet van artikel 530 Sv aan appellant een vergoeding toe van € 5.090,50 (vijfduizend negentig euro en vijftig cent). Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, J.L. Bruinsma en A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 21 mei
- De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 5.090,50 (vijfduizend negentig euro en vijftig cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden mr. E.G.S. Roethof o.v.v. schadevergoeding [verzoeker] . Amsterdam , 21 mei 2025, mr. A.M.P. Geelhoed, voorzitter.