GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel) zaaknummers : 200.328.753/01 en 200.331.257/01 zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/683377/HA ZA 20-468 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 september 2025 in de gevoegde zaken van zaaknummer 200.328.753/01: DATA PRIVACY STICHTING, gevestigd te Amsterdam, appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, advocaat: mr. J.H. Lemstra te Amsterdam, tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht META PLATFORMS INC., gevestigd te Californië, Verenigde Staten, FACEBOOK NETHERLANDS B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerden in principaal appel, appellanten in incidenteel appel, advocaat: mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam. zaaknummer 200.331.257/01: de rechtspersoon naar buitenlands recht META PLATFORMS IRELAND LTD., gevestigd te Dublin, Ierland, appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel, advocaat: mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam, tegen DATA PRIVACY STICHTING, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel, advocaat: mr. J.H. Lemstra te Amsterdam. Data Privacy Stichting wordt hierna aangeduid als DPS. De andere partijen tezamen worden Meta c.s. genoemd. 1Het geding in hoger beroep DPS is bij appeldagvaarding van 14 juni 2023 in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Zij heeft geconcludeerd dat het hof alsnog de door haar gevorderde verklaringen voor recht zal toewijzen. Meta Ierland is bij appeldagvaarding van 15 juni 2023 in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Meta Ierland heeft geconcludeerd dat het hof DPS alsnog niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen, althans haar deze, voor zover toegewezen, ontzegt. In beide zaken zijn memories van antwoord genomen en is een mondelinge behandeling bepaald op 13-14 oktober 2025. Bij incidentele conclusie houdende verzoek tot aanhouding en tot stellen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) heeft Meta Ierland verzocht dat het hof de procedure zal aanhouden tot het HvJEU de prejudiciële vragen in de Amazon-zaak (hierna te bespreken) heeft beantwoord, en dat het hof zelf prejudiciële vragen zal stellen aan het HvJEU over de uitleg van artikel 80 AVG. DPS concludeert tot afwijzing van de incidentele vorderingen van Meta c.s. Partijen hebben hun standpunten toegelicht tijdens de mondelinge behandeling in het incident op 26 september 2025, aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Ten slotte is arrest gevraagd in het incident. 2Beoordeling 2.1. Deze zaak is een collectieve actie naar het vóór inwerkingtreding van de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie (WAMCA) geldende collectieve actierecht (art. 3:305a (oud) BW). DPS komt hierin op voor de belangen van Nederlandse gebruikers van de Facebookdienst. Het gaat in deze procedure in de kern om de vraag of Meta c.s. onrechtmatig hebben gehandeld bij de verwerking van persoonsgegevens van Nederlandse Facebookgebruikers in de periode van 1 april 2010 tot 1 januari 2020. 2.2. Meta c.s. hebben hun incidentele vordering ingesteld naar aanleiding van de volgende, op 23 juli 2025 door de rechtbank Rotterdam aan het HvJEU gestelde prejudiciële vragen (ECLI:NL:RBROT:2025:9088): Artikel 80 lid 1 AVG stelt eisen aan een belangenorganisatie als in die bepaling bedoeld. Laat het Unierecht toe dat Nederland in de WAMCA nadere ontvankelijkheidseisen heeft opgenomen voor belangenorganisaties die vorderingen als bedoeld in de artikelen 77, 78, 79 en 82 AVG instellen ten behoeve van betrokken natuurlijke personen? Zijn de ontvankelijkheidseisen in de WAMCA, in het bijzonder aangaande gelijksoortigheid en representativiteit, voor belangenbehartigers die ten behoeve van betrokkenen een collectieve schadevergoedingsactie willen instellen tegen een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker vanwege schendingen van de AVG, geoorloofd in het licht van artikel 80 lid 1 AVG? Houdt de eis in artikel 80 lid 1 AVG dat een belangenorganisatie actief is op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de bescherming van dienst persoonsgegevens, meer of anders in dan de nationale eis dat de belangenorganisatie voldoende ervaring en deskundigheid bezit ten aanzien van de te voeren procedure (artikel 3:305a lid 2 sub e BW), in combinatie met de eisen aan de statuten (artikel 3:305a lid 1 BW)? Volgt uit de activiteitseis van artikel 80 lid 1 AVG dat de belangenorganisatie een track record moet hebben? Staat het opdrachtbegrip in artikel 80 lid 1 AVG en/of het bepaalde in artikel 80 lid 2 AVG in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan een belangenorganisatie, die voldoet aan de eisen van artikel 80 lid 1 AVG, een collectieve schadevergoedingsvordering kan instellen ten behoeve van betrokkenen tegen een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker vanwege schendingen van de AVG, terwijl die belangenorganisatie geen opdracht heeft van betrokkenen? In hoeverre is in het kader van vraag 4, bij de uitleg van het opdrachtbegrip in artikel 80 AVG, relevant dat op grond van de nationale regelgeving (de WAMCA) de betrokkene niet op voorhand kenbaar hoeft te maken dat hij gebonden wil zijn aan de collectieve schadevergoedingsactie? Daarbij geldt dat hij (in voorkomend geval) op twee momenten schriftelijk kan kiezen om geen gebruik te maken van de belangenbehartiging door de belangenbehartiger en dus niet gebonden te zijn, namelijk (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.