afdeling strafrecht parketnummer: 23-002616-24 datum uitspraak: 14 oktober 2025 VERSTEK (raadsman niet gemachtigd) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 8 november 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-261222-24 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 september 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en wat de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair hij, op of omstreeks 8 augustus 2024 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan, een ambtenaar, [benadeelde partij] , wijkagent bij het [bedrijf] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet - met een (personen)auto aanzienlijk gas heeft gegeven en/of tegen [benadeelde partij] is aangereden; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiairhij op of omstreeks 8 augustus 2024 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, een ambtenaar, [benadeelde partij] , wijkagent bij het [bedrijf] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door met een (personen)auto tegen die [benadeelde partij] is aangereden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt ten aanzien van de opgelegde straf en de vordering benadeelde partij. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 8 augustus 2024 te Heerhugowaard ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan ambtenaar, [benadeelde partij] , wijkagent bij het [bedrijf] , gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een personenauto aanzienlijk gas heeft gegeven en tegen [benadeelde partij] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het primair bewezenverklaarde levert op: poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf en maatregel De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorbracht. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit, waarbij geweld is gepleegd tegen een politieambtenaar die in de rechtmatige uitoefening van haar functie optrad. De aanleiding betrof de ontruiming van de woning van de verdachte. Op enig moment wilde de verdachte met zijn auto vertrekken. Toen de verdachte naast de passagierszijde van de auto stond, is de aangeefster, een politieambtenaar in uniform, voor de auto gaan staan om te verhinderen dat de verdachte weg zou rijden, omdat de verdachte niet verzekerd was en om verder met hem het gesprek te voeren over de ontruiming. De verdachte heeft vervolgens plaatsgenomen in de auto, heeft gas gegeven en is tegen haar aangereden. De aangeefster heeft nog geprobeerd weg te komen, maar zij kon niet voorkomen dat zij ter hoogte van haar knieën werd geraakt door de auto van de verdachte. De aangeefster heeft daarbij letsel opgelopen. Hoewel de snelheid waarmee de verdachte heeft gereden gering was, is het hof van oordeel dat de verdachte een onaanvaardbaar risico heeft genomen met de gezondheid van aangeefster. De situatie had een geheel andere afloop kunnen hebben. Bij het bepalen van de straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik van een wapen geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. In deze zaak heeft de verdachte echter zijn auto als wapen ingezet, wat het hof aanmerkt als strafverzwarend. Ook de omstandigheid dat het geweld is gericht tegen een politieambtenaar die haar werk deed is strafverzwarend. Anderzijds houdt het hof er rekening mee dat in dit geval geen sprake is van voltooid delict, maar van een poging. Dit maakt dat het hof – alles afwegend – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden acht. Nu de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet ter terechtzitting is verschenen en het hof daardoor onvoldoende zicht heeft op zijn (huidige) persoonlijke omstandigheden, ziet het hof anders dan de politierechter geen aanleiding om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.296,88, bestaande uit € 46,88 aan materiële schade en € 1.250,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting de vordering verhoogd met de kosten van het eigen risico (een bedrag van 317,67). Materiële schade De benadeelde partij heeft een bedrag van € 46,88 gevorderd aan materiële schade, bestaande uit abonnementskosten van de sportschool over de periode waarin zij als gevolg van het bewezenverklaarde geen gebruik kon maken van haar abonnement. Dit gedeelte van de vordering is onderbouwd met een berekening en een kostenstaat. Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtsreeks schade heeft geleden. Nu dit gedeelte van de vordering niet is betwist en, mede gelet op de gegeven onderbouwing, het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de verdachte worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan materiële schade aan de benadeelde partij. Immateriële schade Grondslag voor schadevergoeding Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van: (…) lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze; (…) De verdachte heeft de benadeelde partij letsel toegebracht. Daarmee is sprake van lichamelijk letsel in de zin van artikel 6:106 sub b BW. De verdachte heeft aldus onrechtmatig gehandeld jegens de benadeelde partij, zodat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg daarvan. Begroting van de schade omvang De begroting van de omvang van de immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW begroten op een schadebedrag van € 750,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.