← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:2953

GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling strafrecht Parketnummers: 23-000591-24 (Z.A.); 23-000579-24 (N.B.); 23-000592-24 (A.B.); 23-000601-24 (A.B.); 23-000587-24 (Z.H.); 23-000561-24 (B.H.); 23-000609-24 (W.M.); 23-000594-24 (M.M.); 23-000586-24 (R.O.); 23-000584-24 (M.R.); 23-000565-24 (S.R.); 23-000595-24 (Z.R.); 23-000573-24 (Mao R.); 23-000545-24 (Mario R.); 23-000583-24 (R.T.). Tegenwoordig zijn: mr. R. Veldhuisen, voorzitter, mr. L.I.M. van Bergen en mr. S. Jongeling, leden, en mr. A.F. van der Heide en mr. N. van Gelder, griffiers. Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door de advocaat-generaal. Overwegingen en beslissingen van het hof ter terechtzitting van 3 november 2025. Inhoudsopgave 1. Inleidend 5 1.1 In alle zaken 5 1.2 In het bijzonder in de zaak tegen R.T. 6 2. De omvang van het hoger beroep 9 2.1 Weergave per verdachte 9 2.1.1 Z.A. 9 2.1.2 N.B. 10 2.1.3 A.B. 10 2.1.4 Z.H. 10 2.1.5 B.H. 11 2.1.6 W.M. 11 2.1.7 M.M. 11 2.1.8 R.O. 11 2.1.9 M.R. 12 2.1.10 S.R. 12 2.1.11 Z.R. 12 2.1.12 Mao R. 12 2.1.13 Mario R. 13 2.1.14 R.T. 13 2.2 Nadere overwegingen in de zaken tegen Z.R. en Mao R. 14 2.2.1 Standpunten verdediging 14 2.2.2 Standpunt Openbaar Ministerie 14 2.2.3 Beoordeling hof 15 3. Maatstaf beoordeling verzoeken 16 4. De verzoeken met betrekking tot het onderwerp PGP-bewijs 19 4.1 Verzoeken 19 4.2 Beoordeling hof 21 4.2.1 Inleidend 21 4.2.2 Beoordelingsmaatstaf 30 4.2.3 Het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU 30 4.2.4 Het verzoek om Van Eijk en Graus als getuigen en/of als deskundigen te horen 31 4.2.5 Het verzoek om een deskundigenonderzoek naar de “chain of evidence” 34 4.2.6 Het verzoek om een deskundigenonderzoek naar de geheimhoudingsprocedure 36 4.2.7 Het verzoek om verstrekking van zogenoemde brondata 37 4.2.8 Het verzoek om toegang tot de volledige Ennetcom- en PGPSafedata(sets) 37 5. De verzoeken met betrekking tot de kroongetuige: de rechtmatigheid van de overeenkomst en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen 39 5.1 Inleidend 39 5.2 Het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad 41 5.3 De verzoeken tot het horen van N.B., de TBG-officier van justitie en de (voormalige) TGB-officier van justitie 44 5.4 De verzoeken met betrekking tot het bezit en/of gebruik door N.B. van communicatiemiddelen in detentie 47 5.4.1 Aanleiding 47 5.4.2 Verantwoording en verslaglegging in het dossier - algemeen 48 5.4.3 Horen van de (toenmalige) partner van de kroongetuige en een nader te identificeren officier van justitie als getuigen 48 5.4.4 Bezit/gebruik van devices in 2025 49 5.5 Het verzoek tot het verstrekken van/bieden van inzage in mutaties uit het LP-journaal en 52 e-mailcorrespondentie 52 5.6 Het verzoek tot het geven van een opdracht aan het Openbaar Ministerie tot het verstrekken van nadere inlichtingen met betrekking tot aan de kroongetuige gedane toezeggingen 53 5.7 Het verzoek tot het horen van de rechter-commissaris als getuige 53 5.8 Het verzoek tot kennisneming van de inhoud van (medische) rapporten die over de kroongetuige in het kader van het kroongetuigentraject zijn opgesteld 54 5.9 De verzoeken in verband met de onderzoeken Amazone en Orinoco 55 5.9.1 Amazone 55 5.9.2 Orinoco 56 5.10 Het verzoek tot verstrekking van/inzage in aantekeningen griffier van wat ter terechtzitting van het hof van 6 september 2018 bij gelegenheid van de behandeling van de strafzaak tegen N.B. (achter gesloten deuren) is verhandeld, verricht en voorgevallen 58 6 De verzoeken met betrekking tot de Dubai-observatie en het verificatieproces-verbaal 26Koper 59 7 Overige verzoeken per verdachte 62 7.1 De verzoeken in de zaak tegen A.B. 62 7.1.1 Het verzoek tot het horen van Marokkaanse verbalisanten 62 7.1.2 Het verzoek tot het verstrekken van zendmastgegevens/metadata SkyECC ID B72EEE 63 7.1.3 Het verzoek tot het verstrekken van metadata Samsung telefoon (DOM161.05.04.003) 65 7.1.4 Het verzoek tot het verstrekken van politiemutaties A.B. 65 7.2 Het verzoek in de zaak tegen M.M. 66 7.3 Het verzoek in de zaak tegen R.O. 66 7.4 De verzoeken in de zaak tegen M.R. 67 7.4.1 Het verzoek tot het houden van een schouw 67 7.4.2 Het verzoek tot kennisneming veiliggestelde camerabeelden 69 7.4.3 Het verzoek tot het opmaken van een overzichtsverslag in de zin van artikel 3 van het Besluit processtukken in strafzaken 70 7.4.4 Het verzoek tot het horen van tenaamgestelden van twee voertuigen 74 7.5 De verzoeken in de zaak tegen S.R. 77 7.5.1 De verzoeken met betrekking tot de uitlevering 77 7.5.2 Het verzoek met betrekking tot de devices in Colombia 83 7.5.3 Het verzoek ex artikel 78 lid 4 Sv 85 7.6 De verzoeken in de zaak tegen Mao R. 89 7.6.1 De verzoeken met betrekking tot reisbewegingen 89 7.6.2 De verzoeken met betrekking tot de uitzetting 90 7.7 De verzoeken in de zaak tegen Mario R. 95 7.7.1 Het verzoek tot inzage (zaakdossier Aker) 95 7.7.2 De verzoeken met betrekking tot de uitzetting 97 8 Beslissingen in de zaak tegen R.T 100 De voorzitter deelt als overwegingen en beslissingen van het hof mede: 1Inleidend 1.1 In alle zaken Op 10 juni 2025 is het onderzoek in alle zaken geschorst tot de terechtzitting van 2 september 2025. Ondertussen heeft de verschoningskamer van het hof bij beslissing van 24 juni 2025 het verschoningsverzoek van de (toenmalige) oudste raadsheer toegewezen. In de maand juli heeft het gerechtsbestuur van het hof de zaken toebedeeld aan de oudste raadsheer, die sindsdien als lid van de zittingscombinatie aan de berechting deelneemt. Vervolgens is het onderzoek in alle zaken ter terechtzitting van 2 september 2025 door het hof in gewijzigde samenstelling hervat. Overeenkomstig het daartoe door het hof ambtshalve gegeven bevel is het onderzoek ter terechtzitting in de zaken opnieuw aangevangen, en heeft de advocaat-generaal de zaken op de voet van artikel 284 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voorgedragen. Het hof heeft in de loop der dingen aanleiding gezien een regieronde in te lassen. Nadat raadslieden en de advocaat-generaal informeel (te weten bij e-mailberichten, daartoe uitgenodigd door de voorzitter) hun licht hebben laten schijnen over de wijze waarop het hof in de voorliggende zaken toepassing zou dienen te geven aan de strafvorderlijke regeling van de hervatting en voortgang van het onderzoek ter terechtzitting, heeft het hof het onderzoek in de zaken – afgezien van de zaak tegen de verdachte R.T., waarover later meer – onderbroken tot de terechtzitting van 29 september 2025. Het is die zitting, waarop - na een schriftelijke voorbereiding - in de zaken tegen de hierna te noemen verdachten standpunten zijn ingenomen, en verzoeken zijn gedaan en toegelicht. Op de terechtzitting van 2 oktober 2025 heeft de advocaat-generaal in reactie op die standpunten en verzoeken het woord gevoerd. Vervolgens heeft het hof op 7 oktober 2025 beslist over voeging in de dossiers in de zaken tegen de andere verdachten van zekere stukken, die zich wél in het op naam van N.B. gestelde dossier bevonden, maar niet ook in die andere strafdossiers. Een aanzienlijk aantal verzoeken is herhaald gedaan. De verdediging in de zaak tegen M.R. heeft in dat verband uiteengezet dat, en waarom vanuit verdedigingsperspectief een herhaling van zetten is aangewezen. Omdat het onderzoek ter terechtzitting op 2 september 2025 opnieuw is aangevangen, is het niet ondenkbaar dat het (gewijzigd samengestelde) hof op die verzoeken alsnog (deels) toewijzend beslist. Maar ook in het geval waarin door het hof weer afwijzend wordt beslist is daarmee het belang van de verdediging gediend. Immers, alleen in dat laatstbedoelde geval is het voor de verdediging mogelijk om in het voorkomende geval naar aanleiding van die beslissingen met succes te kunnen klagen bij de Hoge Raad. Heden geeft het hof de beslissingen op de resterende verzoeken, die in categorieën uiteenvallen. Zo zijn eerder in dit hoger beroep verzoeken gedaan, waarop het hof de beslissingen heeft aangehouden. En er zijn eerder aangekondigde verzoeken, waarvan de bespreking en beslissing was voorzien ter terechtzitting in juni 2025, maar die als gevolg van het procesincident toen niet zijn gedaan. En tot slot zijn er de verzoeken die in deze ingelaste regieronde zijn gedaan. De verzoeken worden in het navolgende weergegeven, beoordeeld en beslist. Uit de inhoudsopgave blijkt, dat de bespreking van verzoeken zoveel mogelijk is gerubriceerd naar de onderwerpen waarop deze betrekking hebben. Verder blijkt uit die inhoudsopgave dat aan de bespreking van de verzoeken vooraf zal gaan een overzicht van de omvang van het hoger beroep in de afzonderlijke zaken, waarbij het hof zal ingaan op de standpunten die door de verdediging in de zaken tegen Z.R. en Mao R. in dat verband zijn ingenomen. Het hof kiest voor de navolgende werkwijze. Waar het hof van de verdediging heeft gevergd in het geval van herhaald gedane of nog hangende verzoeken, die – in plaats van te volstaan met verwijzing naar de vindplaats ervan – andermaal ondubbelzinnig te formuleren, volgt het hof hetzelfde spoor. In het voorkomende geval waarin het hof herhaald gedane verzoeken afwijst en daartoe gelijkluidend aan een eerdere beslissing overweegt, wordt niet verwezen naar vindplaatsen, maar zal het hof die eerder gebezigde motivering – al dan niet voorzien van een aanvulling daarop – andermaal weergeven. Daarmee streeft het hof het belang van het hebben en behouden van overzicht na, niet alleen voor het hof, maar ook voor de procespartijen. En zo wordt de kans op het ontstaan van een lappendeken sterk gereduceerd. Ter vermijding van misverstand en tot slot nog dit. Door de verdediging in een aantal zaken is om het verhoor van getuigen verzocht, welke verhoren het hof eerder heeft bevolen, maar die nog niet hebben plaatsgevonden. Het hof heeft daarbij het oog op getuigen, wier verhoor was voorzien in de maand juni jl. Als gevolg van het procesincident (verschoningsverzoek) hebben die verhoren toen geen doorgang gevonden. De beslissingen tot het horen van deze getuigen blijven in stand, en de verhoren zullen worden gehouden in de maand december. En het hof heeft ter terechtzitting van 19 juli 2024 beslist, dat op een nader te bepalen moment de verdachten in elkaars zaak als getuigen zullen worden gehoord. Ook die beslissing blijft in stand. 1.2 In het bijzonder in de zaak tegen R.T. Rechtsbijstandverlening en voortgang behandeling Het hof heeft het onderzoek in de zaak tegen de verdachte R.T. ter terechtzitting van 2 september 2025 onderbroken tot de terechtzitting van heden. Ook op die zitting van 2 september jl. stond het hof stil bij het manco van rechtsbijstandverlening in zijn strafzaak. Het hof volstaat met verwijzing naar het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal. En dat manco duurt tot en met de dag van vandaag voort. De voorzitter van het hof heeft op 14 oktober 2025 aan de eerder door hem aangeschreven secretaris van het Dekenberaad van de Nederlandse Orde van Advocaten een rappelbericht verzonden. In reactie daarop heeft het Dekenberaad bij e-mailbericht van 17 oktober 2025 laten weten, dat de kwestie van rechtsbijstandverlening de intensieve aandacht heeft, dat binnen beperkte mogelijkheden maximale inspanning wordt verleend, en dat berichtgeving aan het hof volgt, zodra er ontwikkelingen zijn die zich lenen voor het delen daarvan. Vervolgens heeft dat Dekenberaad op 31 oktober jl. als resultaat van die inspanning aan het hof gemeld, dat er voor aan de verdachte R.T. in de strafzaak te verlenen rechtsbijstand geen serieuze kandidaten beschikbaar zijn. De tussenbalans is, dat ondanks die door het Dekenberaad als maximaal gekwalificeerde inspanning het concrete zicht op rechtsbijstandverlening aan de verdachte R.T. in de strafzaak nog steeds ontbreekt. Gedurende de loop van het geding in hoger beroep heeft het hof meer dan een enkele keer stilgestaan bij dit onderwerp. Bij wijze van voorbeelden verwijst het hof naar de processen-verbaal die van de terechtzittingen van 19 juli 2024, 10 oktober 2024, 16 december 2024, 9 januari 2025 en, als gezegd 2 juni 2025 en 2 september 2025 zijn opgemaakt. Gerekend vanaf de eerste terechtzitting in hoger beroep (8 april 2024) beloopt de procedure in hoger beroep heden nagenoeg 19 maanden. In die periode van 19 maanden heeft de (in voorlopige hechtenis verblijvende) verdachte R.T. in zijn strafzaak slechts gedurende twee periodes rechtsbijstand genoten. De eerste periode beliep 4 maanden, waarvan de laatste anderhalve maand naar het inzicht van de toenmalige verdediging enigszins gemankeerd is geweest (de na vertrek van twee confrères overgebleven raadsman typeerde zijn bijstandverlening met zoveel woorden als “demissionair”). In deze periode zijn overigens namens de verdachte preliminaire verweren gevoerd en verzoeken tot (nader) onderzoek gedaan. De tweede periode duurde ongeveer 5 maanden, en eindigde medio april 2025. In deze periode heeft het verhoor van de kroongetuige ter terechtzitting plaatsgevonden. Kortom: inmiddels 19 maanden onderweg in hoger beroep, waarvan 10 maanden zonder rechtsbijstandverlening in de strafzaak. En niet onvermeld mag blijven, dat voorafgaand aan de fase van het hoger beroep ook tijdens het geding in eerste aanleg sinds april 2023 de continuïteit van rechtsbijstandverlening evident gebrekkig is geweest. Het wekt dan ook geen verbazing dat het hof hierover meer dan eens die zorgen heeft geuit, eerst en vooral met het oog op de positie van de verdachte in zijn strafzaak. Zowel binnen als buiten het bestek van de strafvorderlijke regeling zijn op rechtsbijstandverlening gerichte inspanningen verricht. In de strafvorderlijke context heeft de verdachte geprobeerd om advocaten bereid te vinden om hem als zijn gekozen raadslieden bij te staan, en heeft de advocaat-generaal op zijn beurt in relatie tot de Raad voor Rechtsbijstand gedaan, waartoe hij op grond van de wet is gehouden (artikel 40 Sv). En het hof heeft telkens door het (ten overvloede) doen van navraag bij de advocaat-generaal erop toegezien dat deze Raad zich metterdaad inspant. En het hof heeft op momenten de stand van zaken rond dit onderwerp met de verdachte ter terechtzitting besproken, nadat het hof daartoe op voorhand bij de – doorgaans ter terechtzitting niet-verschenen – verdachte op zijn aanwezigheid ter terechtzitting had aangedrongen. Buiten de strafvorderlijke regeling heeft (de voorzitter van) het hof, zowel bij de lokale Deken als de landelijke Deken als bij het Dekenberaad van de Nederlands Orde van Advocaten, zoals hierboven is uiteengezet, aandacht gevraagd voor, en herhaald aangedrongen op het leveren van een bijdrage die leidt tot het gewenste resultaat: rechtsbijstandverlening in de strafzaak aan de verdachte R.T. De gemankeerde rechtsbijstandverlening vertraagt de voortgang van de behandeling van de strafzaak tegen R.T. in hoger beroep. Dat er nog steeds een op 26 juni 2024 gedane vordering tot wijziging van de tenlastelegging ter beslissing door het hof voorligt is illustratief. En de bezwaren tegen het vonnis van de appellerende verdachte zijn nog altijd met onvoldoende strafvorderlijke scherpte geëxpliciteerd. Eerder is gebleken – en het hof heeft daaraan beschouwingen gewijd – dat de appelschriftuur niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Inmiddels meer dan een jaar geleden, ter terechtzitting van 26 juni 2024, heeft het hof naar aanleiding van het door de toenmalige verdediging, die zoals gezegd preliminaire verweren heeft gevoerd, als appelschriftuur gelabelde pakket aan documenten verzucht en huiselijk verwoord, dat het erop leek dat een even omvangrijk als minder toegankelijk pakket over de spreekwoordelijke schutting is gegooid. En de advocaat-generaal heeft zich, gelet op die vorm en de inhoud daarvan, niet in staat geacht om inhoudelijk te reageren op die appelschriftuur. Zowel het eerst als het laatst aangetreden verdedigingsteam van de verdachte R.T. onderkende dat grote manco, maar vanwege hun neerleggen van de verdediging is geen van beide teams erin geslaagd te doen wat aanvankelijk wél door elk van die teams was aangekondigd: het alsnog en voor het hof toegankelijk formuleren van bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep, en het gerichter en concreter doen van verzoeken, in het verlengde daarvan. Heden geeft het hof beslissingen op de verzoeken die in de andere onder de Marengo-vlag voorliggende zaken bij gelegenheid van een derde regieronde zijn gedaan. In de zaak tegen R.T. heeft het als gevolg van die rechtsbijstandsperikelen – los gezien van de reden(

  1. en)daarvan – nog niet tot een afsluitende regiezitting kunnen komen. De voortgang is al haperend blijven steken, en zijn zaak draait nog steeds en ondertussen onverantwoord lang stationair. Ter terechtzitting van 2 september 2025 heeft het hof met zoveel woorden overwogen “(…) dat de wettelijke handvatten voor (de voorzitter van) het hof als zittingsrechter sterk beperkt zijn om te kunnen voorzien in een afdoende oplossing voor het repeterende probleem van het ontbreken van rechtsbijstandsverlening aan de verdachte in de strafzaak. In het onverhoopte geval van voortduren van deze impasse, is het niettemin uiteindelijk aan het hof om regie te nemen. Daarbij geldt, dat naast het evidente belang van rechtsbijstandsverlening aan de verdachte, ook het maatschappelijke belang van voortgang van de behandeling van zijn strafzaak in het geding is. Vooruitlopen op dat scenario is echter thans niet aan de orde.” Het is niet zonder reden dat het hof die overweging op deze plaats herhaalt. Hierboven is aangegeven dat de Raad voor Rechtsbijstand er niet in is geslaagd een of meer raadslieden aan te wijzen. De daarbij door het Dekenberaad geleverde bijdrage is in deze zaak op niets uitgelopen. Daarom zal het hof regie hebben te nemen. Met het oog op die regievoering zal het hof de standpunten over die regievoering inventariseren, bij de advocaat-generaal en bij de verdachte R.T. Daartoe wordt in zijn zaak het onderzoek onderbroken tot de terechtzitting van 6 november as. Het voorgaande betekent niet, dat er in de zaak tegen R.T. in het geheel geen regiebeslissingen door het hof worden gegeven. Ter terechtzitting van 19 juli 2024 heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat, gelet op de evidentie van de onderwerpen kroongetuige en PGP-bewijs als onderwerpen van debat (in eerste aanleg en naar verwachting in hoger beroep), ook in de zaak tegen R.T. onderzoek op die onderwerpen wordt voorgestaan. De (toenmalige) verdediging in de zaak tegen R.T. heeft zich zonder nadere onderbouwing aangesloten bij de verzoeken die in andere zaken zijn gedaan, en heeft zich waar het gaat om de keuze van de verzoeken gerefereerd aan het oordeel van het hof, waar het gaat om het onderkennen van het belang dat de verdediging bij een verzoek wordt verondersteld te hebben. Gelet hierop zal het hof de (herhaalde) verzoeken ten aanzien van de onderwerpen PGP-bewijs, kroongetuige, hetzij aanmerken als te zijn gedaan in de zaak tegen R.T. - middels het zoeken van aansluiting daarbij door de (toenmalige) verdediging van R.T. - hetzij ambtshalve beoordelen, ook in de zaak tegen R.T. Het hof neemt dit op dezelfde grond aan waar het gaat om het onderwerp Dubai-observatie. Door de verdediging in de zaak tegen M.R. is gepersisteerd bij verzoeken die reeds in de appelschriftuur zijn opgegeven en in de eerste regieronde zijn gedaan die betrekking hebben op dat onderwerp. Het hof heeft de beslissing toen aangehouden, omdat R.T. op dat moment geen rechtsbijstand had, er namens hem nog geen gespecificeerde verzoeken waren gedaan en het hof de kans aanwezig achtte dat de verdediging van R.T. in een later stadium deze of soortgelijke verzoeken zou doen met een op zijn zaak toegesneden onderbouwing. Op de terechtzitting van 2 oktober 2025 heeft het Openbaar Ministerie het hof verzocht om het nemen van een beslissing niet langer aan te houden. In dat kader heeft het Openbaar Ministerie opgemerkt dat het aangewezen lijkt met de behandeling van de zaken van de overige verdachten door te gaan, nu lastig te voorspellen is hoe de strafzaak tegen R.T. zich zal ontwikkelen. Het hof onderschrijft de duiding van het Openbaar Ministerie over de voortgang in de behandeling van de zaak tegen R.T.: het zicht op het moment waarop eindbeslissingen in de zaak tegen de verdachte R.T. worden gegeven, is in de tijd bezien voor het hof niet meer dan een onzeker vergezicht. Immers, zoals hiervoor reeds geschetst, van het doen van gerichte en concrete verzoeken van de verdediging is het nog niet gekomen, terwijl het ontbreekt aan enig aanknopingspunt voor hernieuwde rechtsbijstandverlening in de strafzaak. Daar komt bij, dat aangenomen moet worden, dat in het veronderstelde geval van hernieuwde rechtsbijstandverlening in de strafzaak door de op dat moment aangetreden raadslieden aan het hof zal worden verzocht een periode toe te staan die door hen kan worden benut voor de voorbereiding van de verdediging. In dat verband memoreert het hof dat met dat doel aan de drie advocaten die de verdachte tot april 2025 hebben bijgestaan een periode van 13 maanden is toegestaan. Daarom merkt het hof om redenen van proces-economie ook de verzoeken die zien op het onderwerp Dubai-observatie aan, als verzoeken die in de zaak tegen R.T. door middel van het zoeken van aansluiting daarbij zijn gedaan. De (toenmalige) verdediging in de zaak tegen R.T. heeft zich zonder nadere onderbouwing aangesloten bij de verzoeken die in andere zaken zijn gedaan, en heeft zich waar het gaat om de keuze van de verzoeken gerefereerd aan het oordeel van het hof, waar het gaat om het onderkennen van het belang dat de verdediging bij een verzoek wordt verondersteld te hebben. 2De omvang van het hoger beroep 2.1 Weergave per verdachte Het hof heeft in de eerdere regiefase uitgebreid stilgestaan bij de omvang van het hoger beroep in de afzonderlijke zaken. Het hof verwijst naar het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 juli 2024. Het hof blijft bij hetgeen destijds is overwogen en vastgesteld, en stelt vast dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 september 2025 dienovereenkomstig de zaken heeft voorgedragen. Ten behoeve van het overzicht zal het hof hierna per verdachte, in alfabetische volgorde, de omvang van het hoger beroep weergeven. Daarna zal het hof nader ingaan op de omvang van het hoger beroep in de zaken tegen de verdachten Z.R. en Mao R., gelet op hetgeen de verdediging in die zaken ter terechtzitting van 29 september 2025 naar voren heeft gebracht. 2.1.1 Z.A. Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft (beperkt) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De officier van justitie zal bij eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van zaak C feiten 1 en 2. In de zaak tegen Z.A. liggen in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: zaak A : deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr) zaak B feit 1 : betrokkenheid bij de moord op H. Changachi (Roos) zaak B feit 2 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op K.H. (Doorn) zaak C feit 3 : betrokkenheid bij de poging tot moord op K.B. (Plato) Ter terechtzitting van 1 juli 2024 zijn de tenlasteleggingen van zaak B feit 2 en zaak C feit 3 gewijzigd. 2.1.2 N.B. Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. In de zaak tegen N.B. liggen in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: - zaak A : betrokkenheid bij de moord op H. Changachi (Roos) of betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op K.H. (Doorn) zaak B : deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr) zaak C feit 1 : betrokkenheid bij de moord op R. Scekic (Kreta) zaak C feit 2 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op R. Scekic (Kreta) zaak D : betrokkenheid bij de poging tot moord op A.A. (Tennis) 2.1.3 A.B. Vonnis rechtbank Amsterdam Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft (beperkt) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. In deze zaak tegen A.B. liggen in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: zaak A feit 1 : betrokkenheid bij de moord op S. Erraghib (Ster) zaak A feit 2 : betrokkenheid bij de moord op H. Changachi (Roos) zaak A feit 3 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op K.H. (Doorn) zaak A feit 4 : deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr) zaak B : betrokkenheid bij de poging tot moord op K.B. (Plato) Ter terechtzitting van 1 juli 2024 zijn de tenlasteleggingen van zaak A feit 3 en zaak B gewijzigd. Vonnis rechtbank Midden-Nederland Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft (beperkt) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De officier van justitie zal bij eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van feit 4. In deze zaak tegen A.B. liggen in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: feit 1 : betrokkenheid bij de moord op M.M. Kok (Zeilboot) feit 2 : betrokkenheid bij de poging tot moord op M.M. Kok op 8 december 2016 (Zeilboot) feit 3 : voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie feit 5 : aanwezig hebben van hennep en/of hasjiesj feit 6 : witwassen van een geldbedrag van € 6.900,00 2.1.4 Z.H. Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De verdachte zal bij eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van zaak B feiten 1 en 2, voor zover dit ziet op E. Buzhu. De officier van justitie zal bij eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van zaak B feit 2, voor zover dit ziet op E. Buzhu. In de zaak tegen Z.H. liggen in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: zaak A feit 1 : betrokkenheid bij de moord op S. Erraghib (Ster) zaak A feit 2 : deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr) zaak B feit 1 : betrokkenheid bij de moord op R. Scekic (Kreta) zaak B feit 2 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op R. Scekic, M.E. en A.E. (Kreta) Ter terechtzitting van 24 juni 2024 is de tenlastelegging van zaak A feit 2 gewijzigd. 2.1.5 B.H. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De verdachte zal bij eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van feit 2, voor zover dit ziet op A.E. en E. Buzhu. In de zaak tegen B.H. liggen in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: feit 1 : betrokkenheid bij de moord op R. Scekic (Kreta) feit 2 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op R. Scekic en M.E. (Kreta) feit 3 : deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr) 2.1.6 W.M. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. In de zaak tegen W.M. liggen in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: feit 1 : deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr) feit 2 : betrokkenheid bij de voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing in de spyshop aan de [straatnaam] in Nieuwegein (Rudolf) - feit 3 : betrokkenheid bij de moord op S. Erraghib (Ster) 2.1.7 M.M. Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. In de zaak tegen M.M. liggen in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: zaak A feit 1 : betrokkenheid bij de moord op S. Erraghib (Ster) zaak A feit 2 : deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr) zaak B : witwassen van een geldbedrag van € 195.000,00 (Alpine) Ter terechtzitting van 4 juli 2024 is de tenlastelegging van zaak A feit 2 gewijzigd. 2.1.8 R.O. Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. In de zaak tegen R.O. ligt in hoger beroep de volgende verdenking voor: - deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr) Ter terechtzitting van 24 juni 2024 is de tenlastelegging van dit feit gewijzigd. 2.1.9 M.R. Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Zowel de verdachte als de officier van justitie zal bij eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van zaak C feit 2, voor zover dit ziet op E. Buzhu. In de zaak tegen M.R. liggen in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: zaak A feit 1 : betrokkenheid bij de moord op H. Changachi (Roos) zaak A feit 2 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op K.H. (Doorn) zaak B : deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr) zaak C feit 1 : betrokkenheid bij de moord op R. Scekic (Kreta) zaak C feit 2 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op R. Scekic, M.E. en A.E. (Kreta) Ter terechtzitting van 10 juli 2024 is de tenlastelegging van zaak A feit 2 gewijzigd. 2.1.10 S.R. De verdachte heeft (beperkt) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De verdachte zal bij eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van zaak A feit 1, voor zover dit ziet op E. Buzhu. In de zaak tegen S.R. liggen in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: zaak A feit 1 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op R. Scekic, M.E. en A.E. (Kreta) zaak A feit 2 : betrokkenheid bij de moord op R. Scekic (Kreta) zaak A feit 3 : betrokkenheid bij de poging tot moord op A.A. (Tennis) zaak A feit 4 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op K.H. (Doorn) zaak A feit 5 : betrokkenheid bij de moord op H. Changachi (Roos) zaak A feit 6 : deelneming aan een criminele organisatie, inclusief de verdenking dat hij leider of bestuurder van die organisatie was (140 Sr) 2.1.11 Z.R. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De officier van justitie zal bij eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van feit 2, voor zover dit ziet op E. Buzhu. In de zaak tegen Z.R. liggen – onder verwijzing naar hetgeen het hof hierna nog zal overwegen – in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: feit 1 : betrokkenheid bij de moord op R. Scekic (Kreta) feit 2 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op R. Scekic, M.E. en A.E. (Kreta) feit 3 : deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr) 2.1.12 Mao R. Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De verdachte zal bij eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van zaak A feiten 2, 3, 4, 5, voor zover dit ziet op E. Buzhu, en 6. De officier van justitie zal bij eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van zaak A feiten 2 en 5, voor zover dit ziet op E. Buzhu. In de zaak tegen Mao R. liggen – onder verwijzing naar hetgeen het hof hierna nog zal overwegen – in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: - zaak A feit 1 : deelneming aan een criminele organisatie, inclusief de verdenking dat hij leider of bestuurder van die organisatie was (140 Sr) - zaak A feit 3 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op S. Erraghib en M.F. (Ster) zaak A feit 4 : betrokkenheid bij de moord op R. Scekic (Kreta) zaak A feit 5 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op R. Scekic, M.E. en A.E. (Kreta) zaak A feit 6 : betrokkenheid bij de moord op R.K. Bakker (Rudolf) zaak B : betrokkenheid bij de voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing in de spyshop aan de [straatnaam] in Nieuwegein (Rudolf) Ter terechtzitting van 4 juli 2024 is de tenlastelegging van zaak B gewijzigd. 2.1.13 Mario R. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. In de zaak tegen Mario R. liggen in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: zaak A feit 1 : betrokkenheid bij de moord op R.K. Bakker (Rudolf) zaak A feit 2 : deelneming aan een criminele organisatie (140 Sr) zaak B : betrokkenheid bij de voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing in de spyshop aan de [straatnaam] in Nieuwegein (Rudolf) - zaak C : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op A. Belhadj (Aker) De rechtbank heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van zaak A feit 2 verklaard voor zover dit ziet op de periode van 1 juli 2015 tot en met 15 juli 2015. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 1 juli 2024 meegedeeld dat het Openbaar Ministerie zich in deze beslissing kan vinden. 2.1.14 R.T. Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft (beperkt) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De officier van justitie zal bij eindarrest niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van zaak A feit 2, voor zover dit ziet op E. Buzhu, zaak B feit 3 en zaak C feit 1, voor zover dit ziet op het voltooide delict. In de zaak tegen R.T. liggen in hoger beroep de volgende verdenkingen voor: zaak A feit 1 : betrokkenheid bij de moord op S. Erraghib (Ster) zaak A feit 2 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op R. Scekic, M.E. en A.E. (Kreta) zaak A feit 3 : betrokkenheid bij de moord op R. Scekic (Kreta) zaak A feit 4 : betrokkenheid bij de poging tot moord op A.A. (Tennis) zaak A feit 5 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op K.H. (Doorn) zaak A feit 6 : betrokkenheid bij de moord op H. Changachi (Roos) zaak A feit 7 : deelneming aan een criminele organisatie, inclusief de verdenking dat hij leider of bestuurder van die organisatie was (140 Sr) - zaak B feit 1 : betrokkenheid bij de voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing in de spyshop aan de [straatnaam] in Nieuwegein (Rudolf) zaak B feit 2 : betrokkenheid bij de moord op R.K. Bakker (Rudolf) zaak B feit 4 : betrokkenheid bij de poging tot moord op K.B. (Plato) zaak B feit 5 : betrokkenheid bij de poging tot moord op M.M. Kok op 8 december 2016 (Zeilboot) zaak B feit 6 : betrokkenheid bij de moord op M.M. Kok (Zeilboot) zaak C feit 1 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op A. Belhadj (Aker) zaak C feit 2 : betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op S. Erraghib en M.F. (Ster) Ter terechtzitting van 26 juni 2024 heeft de advocaat-generaal een wijziging van de tenlasteleggingen van zaak B feiten 1 en 4 gevorderd. Het hof heeft de beslissing op deze vordering tot op heden aangehouden. 2.2 Nadere overwegingen in de zaken tegen Z.R. en Mao R. 2.2.1 Standpunten verdediging De verdediging van de verdachte Z.R. heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie (ook) niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van feit 1 (betrokkenheid bij de moord op R. Scekic). Daartoe heeft de verdediging – net zoals zij in de eerdere regiefase heeft gedaan – aangevoerd dat de verdachte door de rechtbank overeenkomstig de vordering van de officier van justitie van dit feit is vrijgesproken en dat de appelschriftuur van de officier van justitie geen grieven ten aanzien van deze beslissing bevat. Bovendien is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van dit feit, aldus deze verdediging. De verdediging van de verdachte Mao R. heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie (ook) niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep ten aanzien van zaak A feiten 3 (betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op S. Erraghib en M.F.) en 4 (betrokkenheid bij de moord op R. Scekic). Daartoe heeft de verdediging – net zoals zij in de eerdere regiefase heeft gedaan – aangevoerd dat de verdachte door de rechtbank van deze feiten is vrijgesproken en dat de appelschriftuur van de officier van justitie geen grieven, in de zin van artikel 410 lid 1 Sv, ten aanzien van deze beslissingen bevat. De zinsnede in deze appelschriftuur dat “niet (kan) worden uitgesloten dat tijdens de behandeling van de strafzaken in hoger beroep feiten of omstandigheden naar voren komen die een ander licht zullen werpen op het verwijt dat verdachte ten aanzien van deze feiten kan worden gemaakt” kan niet als zodanig gelden. Hoewel de wet in dit geval niet dwingt tot het niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, ligt die beslissing in deze zaak in de rede, ook gezien de uitgangspunten van de Wet stroomlijnen hoger beroep. “We zijn inmiddels geruime tijd verder in het proces en er is nog steeds geen nieuw materiaal naar voren gekomen waarmee de verwachting dat dit überhaupt nog zal komen afneemt”, aldus deze verdediging. 2.2.2 Standpunt Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich in zowel de zaak tegen Z.R. als de zaak tegen Mao R. op het standpunt gesteld dat de verdediging niet in haar betoog kan worden gevolgd. Daartoe heeft de advocaat-generaal in de zaak tegen Z.R. aangevoerd dat niet de appelschriftuur, maar de akte rechtsmiddel bepalend is voor de omvang van het hoger beroep, en dat het Openbaar Ministerie een rechtens te respecteren belang heeft bij de behandeling van feit 1 in hoger beroep. In de zaak tegen Mao R. heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de appelschriftuur van de officier van justitie wél grieven ten aanzien van zaak A feiten 3 en 4 bevat, getuige de eerdere overwegingen van het hof ter terechtzitting van 19 juli 2024. 2.2.3 Beoordeling hof Naar het oordeel van het hof lenen de standpunten van de verdediging in de zaken tegen Z.R. en Mao R. zich voor gezamenlijke bespreking. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft ter terechtzitting van 19 juli 2024 uitvoerige overwegingen gewijd aan het wettelijk systeem van het voortbouwend hoger beroep en de betekenis daarin van de artikelen 410 en 416 Sv. Nadat het hof heeft geciteerd uit zowel een arrest van de Hoge Raad, als een conclusie van een Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad, heeft het hof geoordeeld dat de advocaat-generaal op juiste gronden heeft gesteld dat de inhoud van de akte hoger beroep de doorslag geeft bij de beantwoording van de vraag naar de omvang van het hoger beroep (en dus niet de appelschriftuur). Het hof neemt deze overwegingen en dit oordeel over en verwijst daartoe naar het proces-verbaal van eerdergenoemde terechtzitting. Het hof stelt vast dat de officier van justitie zowel in de zaak tegen Z.R. als in de zaak tegen Mao R. – blijkens de akte hoger beroep – onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld en dat dit hoger beroep nadien niet door partiële intrekking daarvan is beperkt. Voorts stelt het hof vast dat de officier van justitie in beide zaken tijdig een appelschriftuur heeft ingediend. De kennelijk aan de standpunten van de verdediging ten grondslag liggende opvatting dat in geval van cumulatief ten laste gelegde feiten, de appelschriftuur ten aanzien van elk van die feiten (afzonderlijk) een of meer grieven moet bevatten, op straffe van (mogelijke) partiële niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep, vindt geen steun in het recht. Aldus ligt in de zaak tegen Z.R. ook feit 1 (betrokkenheid bij de moord op R. Scekic) aan het hof ter beoordeling voor en in de zaak tegen Mao R. ook zaak A feiten 3 (betrokkenheid bij de voorbereiding van moord op S. Erraghib en M.F.) en 4 (betrokkenheid bij de moord op R. Scekic). Ten aanzien van deze feiten doet zich niet de situatie voor dat het Openbaar Ministerie zich op het standpunt stelt geen belang (meer) te hebben bij een inhoudelijke behandeling en beoordeling daarvan in hoger beroep. In dat verband verdient het volgende opmerking. De advocaat-generaal heeft eerder gemotiveerd uiteengezet dat, en waarom, het Openbaar Ministerie een rechtens te respecteren belang ziet bij die behandeling in hoger beroep. Het hof citeert uit de nadere toelichting van het Openbaar Ministerie van 3 juli 2024: “De behandeling in hoger beroep van de moord op Scekic inzake het zaakdossier Kreta is nog aan de orde bij de verdachten R.T., S.R., M.R., N.B. en B.H. en dat is wat ons betreft dus ook zo bij Mao R., Z.H. en Z.R.. De behandeling in hoger beroep van de voorbereiding van de moord op Erraghib en M.F. inzake het zaakdossier Ster is nog aan de orde bij verdachte R.T. Dat is wat ons betreft dus ook geval bij verdachte Mao R. Ofschoon we bij hem geen aanknopingspunten zien (en ook niet meer verwachten) voor betrokkenheid bij de feitelijke moord op Erraghib, zijn de verklaringen van de verdachten die daarvoor door de rechtbank wel veroordeeld zijn, voor de beoordeling van de rol van Mao R. bij de voorbereiding daarvan (mogelijk) mede relevant. De behandeling in hoger beroep van die moord is nog aan de orde bij de verdachten R.T., A.B., Z.H. en M.M.. In het belang van de waarheidsvinding worden (naar verwachting) in hoger beroep in deze zaakdossiers nog een groot aantal getuigen, waaronder ook medeverdachten gehoord. Zulks kan nieuw licht werpen op de feiten. Voorts is in de Marengo‐zaak reeds eerder gebleken dat niet valt uit te sluiten dat tijdens de behandeling van de strafzaken in hoger beroep nieuwe feiten of omstandigheden naar voren komen, die van belang kunnen zijn voor de bewijsvraag. Daarbij nemen wij in ogenschouw dat kort voordat de rechtbank vonnis ging wijzen nog nieuw ontsleutelde PGP‐berichten beschikbaar kwamen. In een onlangs toegevoegd proces‐verbaal is door de recherche opgemerkt dat het niet is uit te sluiten dat wanneer nieuwe technologieën beschikbaar komen, het mogelijk is om meer versleutelde berichten inzichtelijk te maken. We menen dat de ernst van de feiten rechtvaardigt dat die mogelijkheid niet afgesloten wordt. Wij concluderen dan ook dat een feitelijke behandeling in twee instanties recht doet aan de ernst van de feiten. Wij zouden het niet uit kunnen leggen wanneer aan nieuwe feiten en omstandigheden in hoger beroep geen gevolgen meer kunnen worden verbonden.” Anders dan de verdediging in de zaken tegen Z.R. en Mao R. is het hof van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat het Openbaar Ministerie hierin niet redelijkerwijs kan worden gevolgd. Uit de uiteenzetting van de advocaat-generaal is genoegzaam gebleken van een rechtens te respecteren belang bij het ingestelde hoger beroep. Het hof gaat in deze zaken dan ook voorbij aan het verzoek tot partiële niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in het hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf. Ten overvloede overweegt het hof dat de officier van justitie zowel in de appelschriftuur in de zaak tegen Z.R. als in de appelschriftuur in de zaak tegen Mao R. grieven heeft geformuleerd ten aanzien van de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de verkrijging en verwerking van de PGP-data en de beslagbeslissingen. Die grieven hebben een feiten-overstijgend karakter. Daarnaast heeft de officier van justitie in de appelschriftuur in de zaak tegen Mao R. gesteld dat “niet (kan) worden uitgesloten dat tijdens de behandeling van de strafzaken in hoger beroep feiten of omstandigheden naar voren komen die een ander licht zullen werpen op het verwijt dat verdachte ten aanzien van deze feiten kan worden gemaakt. Bovendien is, gelet op de overige inhoud van het dossier, het ontbreken van PGP-gesprekken na 24 mei 2016 voor de conclusie van de rechtbank tot vrijspraak van feit 4 niet zonder meer redengevend”. Zoals het hof – onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad – eerder heeft geoordeeld, zijn dit grieven in de zin van artikel 410 lid 1 Sv. 3Maatstaf beoordeling verzoeken Waar het gaat om de door het hof aan te leggen maatstaf aan de hand waarvan de gedane verzoeken worden beoordeeld en beslist, herhaalt het hof op deze plaats wat het eerder heeft overwogen, ter terechtzitting van 10 oktober 2024, inhoudend: “Het hof herhaalt op deze plaats wat het ter terechtzitting van 19 juli jl. in alle zaken heeft overwogen: “Verzoeken en het karakter van het hoger beroep: voortbouwend Waar het gaat om de vraag of de door het hof aan te leggen maatstaf bij de beoordeling van de gedane verzoeken de aanwezigheid van noodzakelijkheid dan wel het verdedigingsbelang is, is van belang dat de wettelijke regeling in ogenschouw wordt genomen. Voor zover de verzoeken een verhoor van personen als getuigen beogen, terwijl die personen al eerder ter terechtzitting of in het voorbereidende onderzoek zijn gehoord, waarbij de verdediging van de appellerende verdachte het ondervragingsrecht bij die gelegenheid heeft kunnen uitoefenen, heeft als uitgangspunt te gelden dat voor de toewijzing daarvan uit de onderbouwing van die verzoeken genoegzaam moet blijken waarom een herhaald verhoor noodzakelijk is. In het geval waarin het hoger beroep door het Openbaar Ministerie is ingesteld bieden de toepasselijke wettelijke bepalingen in het bestek van de regeling van het voortbouwend appel, in het bijzonder artikel 414, eerste en tweede lid, Sv, geen afzonderlijke regeling. Voor de opgave van getuigen geldt in die situatie weliswaar de regeling van artikel 263 Sv, maar daaraan doet niet af dat het hof bij de beoordeling van verzoeken die zijn gedaan op de voet van artikel 414, tweede lid, Sv in verbinding met artikel 263, tweede en derde lid, Sv het karakter van het voortbouwend appel kan betrekken. Dit betekent dat in het geval waarin door de niet-appellerende verdachte wordt verzocht om de oproeping als getuigen van personen die eerder in het voorbereidende onderzoek of ter terechtzitting onder vorenweergegeven omstandigheden zijn gehoord, bij de beoordeling daarvan betrokken kan worden of genoegzaam is onderbouwd waarom die personen andermaal aan een getuigenverhoor onderworpen dienen te worden. Voor zover de verzoeken strekken tot aanvulling van het dossier met schriftelijke bescheiden zullen die verzoeken worden beoordeeld aan de hand van de gebleken noodzaak daartoe. Waar het gaat om – al dan niet naar aanleiding van een door of namens de verdachte te voeren verweer – door het hof te verrichten rechtmatigheidstoetsingen, stelt het hof vast dat door functionarissen van politie en justitie processen-verbaal zijn opgesteld, en onder meer door een officier van justitie als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging (m.u.v. die van de verdachte S.R.) verklaringen zijn afgelegd.” Waar het gaat om de betekenis die moet worden toegekend aan de inhoud van het procesdossier markeert het hof op deze plaats het in het strafvorderlijk stelsel besloten liggende uitgangspunt, dat neerkomt op rechterlijk vertrouwen in de behoorlijke invulling van de gehoudenheid tot informatieverstrekking door het Openbaar Ministerie. Het hof heeft daarover eerder in een andere zaak het volgende overwogen: “(…) Het hof stelt bij de beoordeling van de verzoeken bij wijze van uitgangspunt voorop dat de advocaat-generaal op grond van het bepaalde in artikel 149a van het Wetboek van Strafvordering verantwoordelijk is voor de samenstelling van de processtukken. Op grond van het relevantiecriterium behoren tot die processtukken alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor enige door het hof in de strafzaken van de verdachten te geven beslissing, zowel in ontlastende als in belastende zin. Het voorgaande neemt niet weg dat de rechter hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de verdediging dan wel op vordering van het openbaar ministerie alsnog de toevoeging aan het dossier van bepaalde stukken kan gelasten. De vraag of stukken aan het relevantiecriterium voldoen hangt telkens af van hun concrete inhoud en betekenis voor de desbetreffende strafzaak. Gelet op de hiervoor genoemde wettelijke verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de samenstelling van het procesdossier gaat het hof, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, ervan uit dat zowel de officier van justitie in eerste aanleg als de advocaat-generaal in hoger beroep dienovereenkomstig hebben gehandeld. Het hof stelt vervolgens vast dat een omvangrijk procesdossier tot stand is gekomen, dat herhaald is aangevuld met processen-verbaal, opgemaakt op ambtseed of -belofte, ook naar aanleiding van door de verdediging opgeworpen vragen die gedurende de behandeling van de zaak in eerste aanleg naar voren zijn gekomen.(…)” Het hof voegt daaraan nog het volgende toe. Waar met verzoeken door de verdediging is beoogd nader feitelijk materiaal te vergaren dat kan bijdragen aan het kunnen voeren van rechtmatigheidsverweren is het volgende van belang. Aan de verdachte en zijn verdediging komt het aan het EVRM ontleende en vanzelfsprekende recht toe zijn verdediging te kunnen voeren: “adequate facilities for the preparation of his defence” (…). Daartoe dient in het concrete geval toereikend materiaal te worden aangeboden op basis waarvan die rechtmatigheidsverweren kunnen worden gevoerd, waarop de rechter de gegrondheid daarvan heeft te onderzoeken en te beslissen. Als gezegd is de officier van justitie op grond van artikel 149a, eerste lid, Sv tijdens het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken in het dossier. Het onderhavige dossier is omvangrijk, en is tijdens de loop van het geding in eerste aanleg aangevuld met stukken, veelal voorzien van een daarop door de officier van justitie gegeven toelichting. Het onverhoopte geval kan zich voordoen dat redelijke aanknopingspunten bestaan voor de indruk dat het Openbaar Ministerie heeft verzuimd een behoorlijke invulling en uitvoering te geven aan de even bedoelde gehoudenheid tot informatieverstrekking. In de regel levert een dergelijk verzuim niet alleen een deuk op in het rechterlijk vertrouwen, welk vertrouwen, zoals gezegd, als uitgangspunt van het strafvorderlijk stelsel heeft te gelden, maar kan dat een aanleiding vormen voor het gelasten van nader onderzoek, het aanvullen van het dossier met bescheiden, of het horen van getuigen. Waar het gaat om tijdens het voorbereidend onderzoek toegepaste bevoegdheden wordt daarover verantwoording afgelegd door de functionaris die de bevoegdheid heeft toegepast althans door de functionaris onder wiens gezag of verantwoordelijkheid zulks is geschied. De wijze waarop die verantwoording wordt afgelegd geschiedt in de regel door het opmaken van processen-verbaal, die door het Openbaar Ministerie vanwege de relevantie daarvan aan de stukken van het dossier worden toegevoegd. En in het voorkomende geval aanvullend, doordat die functionaris nader proces-verbaal opmaakt of als getuige ten overstaan van de rechter daarover een verklaring aflegt, na daartoe te zijn opgeroepen door het Openbaar Ministerie, ambtshalve bepaald door de rechter, of op verzoek van de verdediging. In bijzondere gevallen worden (ook) nog andere bronnen aangeboord, die kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding met het oog op een te verrichten rechtmatigheidstoetsing van toegepaste bevoegdheden, zoals de burger die uit eigen wetenschap kan verklaren over de (wijze van) toepassing van een bevoegdheid. Dat bijzondere geval doet zich bijvoorbeeld voor wanneer op de (nadere) informatieverstrekking door of gegeven onder het gezag van het Openbaar Ministerie, of een gehouden getuigenverhoor niet (zonder meer) kan worden vertrouwd of anderszins niet genoegzaam is.” Aanvullend op het bovenstaande is er nog het volgende. Voor zover een verzoek betrekking heeft op een getuige, wiens oproeping eerder ter terechtzitting is verzocht, maar door het hof is afgewezen, legt het hof als maatstaf aan, of de noodzaak van wat wordt verzocht aan het hof is gebleken. Hetzelfde heeft te gelden voor een verzoek dat betrekking heeft op de oproeping van een getuige, wiens oproeping niet eerder is verzocht. Bij de beoordeling en beslissing van het verzoek dient het hof – naast de genoegzaamheid van de daaraan gegeven onderbouwing – het met het verzochte verhoor beoogde doel te betrekken: draagt het verhoor bijvoorbeeld bij aan te voeren verweren, zoals rechtmatigheids- of betrouwbaarheidsverweren? Daarbij is de op artikel 6 EVRM geënte jurisprudentie mede richtinggevend. Tot slot: in de hierna te bespreken gevallen waarin het hof in een of meer zaken onderzoek beveelt zonder dat in die zaken daarom is verzocht c.q. daartoe is gevorderd, heeft het hof dat onderzoek ambtshalve bevolen, omdat het aspect van materiële samenhang de noodzaak meebrengt dat het onderzoek ook in die zaken wordt verricht. 4De verzoeken met betrekking tot het onderwerp PGP-bewijs 4.1 Verzoeken De verdediging van de verdachte Mao R. heeft ter terechtzitting van 29 september 2025 opnieuw diverse verzoeken gedaan met betrekking tot het onderwerp PGP-bewijs, zoals eerder aangekondigd en toegelicht in haar brief van 1 september 2025. Die brief houdt onder hoofdstuk D. (“Verzoeken met betrekking tot de verkrijging en verwerking van de Ennetcom- en PGPSafedata”) inleidend – en in lijn met haar eerder gedane verzoeken, die door het hof zijn afgewezen – het volgende in (pagina 11): “Bij de rechtbank zijn verweren gevoerd omtrent de onrechtmatigheid van de verkrijging en de verwerking van de data (zowel metadata als berichten) van de gekopieerde Ennetcom en PGPSafe servers, de schending van het verschoningsrecht bij die verkrijging en verwerking evenals over het gebrek aan controle mogelijkheden en waarborgen voor de integriteit, volledigheid en juistheid van de jegens cliënt gepresenteerde (Ennetcom- en PGPSafe) berichten. Om deze verweren, mede gelet op de overwegingen van de rechtbank, in hoger beroep nader te motiveren en de aard en omvang van de verzuimen te onderzoeken om de verweren voldoende te kunnen motiveren en om uw hof weloverwogen over deze verweren te kunnen laten oordelen – en dus ook in het licht van de aan die verzuimen te verbinden rechtsgevolgen – acht de verdediging het van belang getuigen en deskundigen te horen en nader onderzoek te laten uitvoeren. Ook acht de verdediging het gelet op hetgeen bij pleidooi in eerste aanleg in de deel pleitnota PGP en geheimhoudersbelangen, uitgesproken op 16 en 19 september 2022, en op de hieronder nog nader toe te lichten verschillen tussen nationale rechtspraak en die van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het debat omtrent de toepasselijkheid en interpretatie van de regelgeving en rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (…) van belang om prejudiciële vragen aan dit hof te stellen (…).” De verdediging heeft vervolgens – onder uitvoerige verwijzing naar rechtspraak van zowel het Hof van Justitie van de Europese Unie (EU) (hierna: HvJ EU) als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) en de door haar voorgestane uitleg van die rechtspraak en de toepassing daarvan in de voorliggende zaak – de volgende verzoeken gedaan (pagina’s 11-50, in het bijzonder pagina’s 37-50), waarop het hof hierna zal ingaan: 1. Het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU met betrekking tot de verkrijging en verwerking van de data van de gebruikers die aanwezig waren op de door Ennetcom en PGPSafe gehuurde servers in respectievelijk Canada en Costa Rica, in het licht van de artikelen 7, 8, 47, 48 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna: het Handvest), en de al dan niet noodzakelijkerwijs aan de schendingen van het Handvest in dit kader te verbinden rechtsgevolgen. 2. Het verzoek om de volgende personen als getuigen (het hof begrijpt: en/of als deskundigen) te horen: a. ir. E.J. van Eijk en/of een andere direct bij de werking en ontwikkeling van Hansken en de verwerking van de Ennetcom- en PGPSafedata middels Hansken betrokken deskundige met kennis van het samenstellen van de Marengodataset; b. dr. D. Graus. 3. Het verzoek om (een) onafhankelijk deskundige(
  2. n)te benoemen teneinde de verwerkingen van de gekopieerde data van de servers van Ennetcom en PGPSafe op de volgende elementen te onderzoeken en in kaart te brengen: a. de effectiviteit, waaronder ook de betrouwbaarheid, van de methode om middels zoekwoorden een selectie van de uit de ontsloten Ennetcom- en PGPSafedata die is verkregen in de onderzoeken DeVink en Sassenheim te maken voor waarheidsvinding in de zaak jegens cliënt; b. hoe (en of voldoende) is voorzien in waarborging van de betrouwbaarheid van onderliggende brondata, de verwerking van de ruwe data (verkregen door het kopiëren van de servers), de ontsleuteling en verdere verwerking van de data middels software en menselijk handelen. 4. Het verzoek om een onafhankelijk deskundige te benoemen, teneinde de bejegening van geheimhoudersdata en waarborging van het verschoningsrecht in kaart te brengen, alsmede de aard en omvang van schendingen in dat kader bij de verkrijging en verwerking van de gekopieerde data van de servers van Ennetcom en PGPSafe. 5. Het verzoek om verstrekking van de zogenoemde brondata, zodat de verdediging middels een eigen deskundige en aan de hand van de onder 3. verzochte rapportage kan nagaan of de in het dossier gepresenteerde berichten en onderzoeksresultaten naar aanleiding van onderzoek aan de Ennetcom- en PGPSafedata betrouwbaar zijn. 6. Het verzoek om toegang tot (primair) alle versleutelde (in verband met mogelijke metadata) en ontsleutelde berichten van de kopieën van de servers van Ennetcom en PGPSafe om deze zelfstandig op nader ontlastend materiaal te onderzoeken, bij voorkeur vanaf de eigen werkplek middels een ter beschikking gestelde laptop en/of toegang tot Hansken in dezelfde interface althans met gelijkwaardige zoek- en analysetools als de politie gebruikt. Subsidiair verzoekt de verdediging om toegang tot de berichten binnen de ten laste gelegde periode, te weten 1 juli 2015 tot en met 14 januari 2017. De verdediging in de zaken tegen de verdachten A.B., M.R., S.R. (met uitzondering van verzoeken 5 en 6) en Mario R. heeft zich ter terechtzitting van 29 september 2025 bij deze verzoeken aangesloten. En onder verwijzing naar wat het hof in paragraaf 1.2 heeft overwogen heeft dat aansluiten ook te gelden in de zaak tegen R.T.. Standpunt Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich – onder verwijzing naar zijn regiebrief van 16 september 2025 (pagina’s 34-47, in het bijzonder pagina’s 41-47) op het standpunt gesteld dat de verzoeken opnieuw dienen te worden afgewezen. 4.2 Beoordeling hof Hierna volgen de overwegingen en de beslissingen van het hof op de gedane verzoeken. De beslissingen gelden in alle zaken waarin het verzoek, al dan niet middels aansluiting, is gedaan. Wat betreft de overwegingen merkt het hof op dat deze in alle zaken ambtshalve worden gegeven, gelet op het belang van het PGP-bewijs in alle zaken. 4.2.1 Inleidend Ter terechtzitting van 10 oktober 2024 heeft het hof, toen anders samengesteld, blijkens het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal, het volgende vooropgesteld bij de beoordeling van de toen voorliggende verzoeken met betrekking tot het onderwerp PGP-bewijs: “Algemeen Het hof stelt voorop dat inmiddels meerdere strafzaken aan de Hoge Raad zijn voorgelegd met telkens klachten van de verdediging over de rechtmatige verkrijging en verwerking van, de toegang tot, en de betrouwbaarheid dan wel authenticiteit van de Ennetcom-data. De eerste zaak betrof de strafzaak tegen A.H., één van de uitvoerders van de moord op Samir Erraghib op 17 april 2016 in IJsselstein (zaakdossier Ster). Bij arrest van 28 juni 2022 verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep van deze verdachte en oordeelde hij dat alle cassatiemiddelen falen. Met betrekking tot het eerste cassatiemiddel overwoog de Hoge Raad: “3.5.1 Het cassatiemiddel klaagt allereerst over het kennelijke oordeel van het hof dat de “PGP-gesprekken” in overeenstemming met het Verdrag zijn verkregen. Met de “PGP-gesprekken” wordt in dat verband bedoeld: de gegevens die zich bevonden op de BES-servers waarvan de telefoontoestellen van Ennetcom gebruikmaakten, en die nadien – na overdracht door de Canadese autoriteiten – zijn gevoegd in onder meer het dossier van het onderzoek 09Ster. 3.5.2 De vaststellingen van het hof houden onder meer het volgende in. Door Nederland is ten behoeve van een viertal in Nederland lopende onderzoeken een rechtshulpverzoek aan de Canadese autoriteiten gedaan om de data op de hiervoor genoemde BES-servers veilig te stellen en alle beschikbare gegevens van deze servers over te dragen. Dit verzoek is door de Canadese rechter behandeld. Het Ontario Superior Court of Justice in Toronto heeft onder meer beslist dat de veiliggestelde gegevens aan Nederland zullen worden overgedragen ten behoeve van de vier genoemde in Nederland lopende onderzoeken en dat de gegevens ook mogen worden gebruikt in andere Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken mits daaraan een machtiging van een Nederlandse rechter voorafgaat. Daarbij volgt uit de stukken dat het rechtshulpverzoek is gedaan op grond van het Verdrag. 3.5.3 Hierin ligt als vaststelling van het hof besloten dat het Ontario Superior Court of Justice een toereikende verdragsgrondslag aanwezig heeft geoordeeld voor het veiligstellen en het overdragen van de gegevens. Het kennelijke oordeel van het hof dat, mede gelet op artikel 10 lid 1 Verdrag, bij de beoordeling van het verweer van deze uitspraak van het Ontario Superior Court of Justice moet worden uitgegaan, is juist. (…) 3.6.1 Het cassatiemiddel brengt verder klachten naar voren over het oordeel van het hof dat de gegevens die door de Canadese autoriteiten aan Nederland zijn overgedragen, door het openbaar ministerie rechtmatig zijn verkregen ten behoeve van het onderzoek in de onderhavige strafzaak en ook in dat onderzoek kunnen worden gebruikt. 3.6.2 Het hof heeft vastgesteld dat, nadat de gegevens door de Canadese autoriteiten aan Nederland zijn overgedragen, het openbaar ministerie – in verband met de in de uitspraak van het Ontario Superior Court of Justice gestelde voorwaarde van een voorafgaande machtiging van een Nederlandse rechter – tweemaal een machtiging van de rechter-commissaris heeft gevorderd voor het gebruik van (een deel van) die gegevens ten behoeve van de onderhavige strafzaak en dat die machtiging daarbij telkens door de rechter-commissaris is verleend. 3.6.3 Aan de klachten ligt de opvatting ten grondslag dat een (toereikende) wettelijke grondslag ontbreekt voor het vorderen door de officier van justitie van een machtiging van de rechter-commissaris met het oog op het gebruik ten behoeve van een strafzaak van gegevens die aan Nederland op grond van een rechtshulpverzoek zijn overgedragen. De klachten miskennen daarmee dat het Wetboek van Strafvordering zich in een geval als het onderhavige – waarin de betreffende rechterlijke machtiging voor het gebruik van gegevens niet wordt vereist door het Wetboek van Strafvordering maar wel verband houdt met de, door Nederland op grond van artikel 10 lid 3 Verdrag na te leven, voorwaarden waaronder die gegevens op grond van een rechtshulpverzoek zijn verstrekt door buitenlandse autoriteiten – zich er niet tegen verzet dat de officier van justitie een machtiging vordert van de rechter-commissaris voor het gebruik van dergelijke gegevens in een strafrechtelijk onderzoek en de rechter-commissaris op die vordering beslist. (Vgl. in een enigszins andere context HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rechtsoverweging 6.11.3.) 3.6.5 Voor zover het cassatiemiddel aanvoert dat het hof bij de beoordeling van het verweer ten onrechte voorbij is gegaan aan Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie; hierna: Richtlijn 2002/58/EG) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die daarop betrekking heeft, stuit deze klacht daarop af dat deze richtlijn alleen van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische-communicatiediensten over openbare communicatienetwerken in de Gemeenschap, met inbegrip van openbare communicatienetwerken die systemen voor gegevensverzameling en identificatie ondersteunen (artikel 3 Richtlijn 2002/58/EG), terwijl in hoger beroep niet is aangevoerd en ook uit de vaststellingen van het hof niet volgt dat in deze zaak bij het gebruikmaken van de toestellen van Ennetcom en het vastleggen van gegevens op servers in Canada sprake was van zodanige verwerking van persoonsgegevens.” Het tweede cassatiemiddel klaagde dat het hof de verdachte ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden om inzage in en/of afschrift te krijgen van “alle Ennetcom-data”. In zijn beoordeling van dit middel overwoog de Hoge Raad: “4.4.2 Het door de verdediging gedane verzoek “alle Ennetcom-data (...) door het openbaar ministerie (...) te doen verstrekken aan de verdediging, althans daarin inzage te doen bieden ter selectie en eventuele voeging daarvan in het procesdossier, teneinde de door het openbaar ministerie gepresenteerde berichten op hun volledigheid en context te kunnen beoordelen in ontlastende zin ten behoeve van de betrouwbaarheid van de waarheidsvinding en de door het hof in dat kader te nemen beslissingen”, is door het hof – mede gelet op het verzoek van de verdediging om “het dossier (...) door het openbaar ministerie te doen completeren met voornoemde ontbrekende stukken” – niet onbegrijpelijk opgevat als een verzoek tot voeging van “alle Ennetcom-data” bij de (proces)stukken als bedoeld in artikel 328 Sv, althans tot het bieden van de gelegenheid aan de verdediging tot inzage daarvan. 4.4.3 Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken is op grond van artikel 315 lid 1 Sv in verbinding met artikel 415 Sv of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van zijn beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om de relevantie van die stukken. (Vgl. HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218.) De verdediging kan – mede gelet op het in artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot het voegen van stukken aan het dossier – een gemotiveerd verzoek doen tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken. (…) 4.5 (…) De oordelen van het hof berusten, gelet op wat onder 4.4.3 is vooropgesteld, niet op een onjuiste rechtsopvatting en zijn, mede in aanmerking genomen dat door de verdediging in de kern niet meer aan de verzoeken ten grondslag is gelegd dan dat de Ennetcom-data “mogelijk” ontlastende gegevens bevatten, niet onbegrijpelijk.” Nadien zijn andere arresten gevolgd. Het hof wijst hier met name op de arresten van de Hoge Raad van 23 mei 2023, gewezen in de onderzoeken Bosnië, Brandberg en (onder andere) IJshamer, waarin de Hoge Raad telkens met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) de cassatieberoepen van de verdachten verwierp, en oordeelde dat de cassatiemiddelen falen. Uit de voorafgaande conclusies van de plaatsvervangend Procureur-Generaal (PG) bij de Hoge Raad, advocaat-generaal Harteveld, van 28 maart 2023 blijkt dat de cassatiemiddelen onder meer betrekking hadden op: - de verwerping van het verweer dat de Ennetcom-data onrechtmatig zijn verkregen én van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat daarbij fundamentele rechten zijn geschonden zoals neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Handvest van de EU; - de afwijzing van het verzoek van de verdediging om toegang tot de gehele zogenoemde (PGP) dataset en de verwerping van het verweer dat door die afwijzing het beginsel van “equality of arms” is geschonden; - de afwijzing van het verzoek van de verdediging om (nader) onderzoek naar de betrouwbaarheid van de forensische zoekmachine Hansken en/of de betrouwbaarheid dan wel authenticiteit van de Ennetcom-data, onder andere bestaande uit het horen van eerdergenoemde dr. Graus als deskundige. Voorts wijst het hof, in breder verband, op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 13 juni 2023 in verband met het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken, en het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2024 waarin de Hoge Raad (kort gezegd) verzoeken van de verdediging om dienaangaande – onder andere – prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU afwees. Ook de advocaat-generaal heeft in zijn regiebrief gewezen op het feit dat PGP-bewijs de afgelopen jaren in de strafrechtspleging nadrukkelijk in de belangstelling heeft gestaan in talloze strafzaken en dat inmiddels veel uitspraken van gerechtelijke instanties zijn te noemen, waarin vragen over PGP-berichten aan de orde zijn gekomen. De advocaat-generaal vervolgt (pagina’s 72-73): “Ook in Marengo worden dezelfde vraagstukken opgeworpen, die reeds in andere zaken aan de orde zijn geweest. Treffend voorbeeld hiervan is een conclusie van de PG bij de HR van 28 maart 2023. In die conclusie worden cassatiemiddelen besproken die nagenoeg overeenkomen met de onderwerpen die onderdeel zijn van de huidige verzoeken. Die cassatiemiddelen hebben betrekking op de verkrijging van de data uit Canada en de door de Canadese rechter gestelde voorwaarden, de incidenten die er bij Ennetcom zouden zijn geweest (spoofing en/of hacking), de authenticiteit en betrouwbaarheid van de data middels verwerking in Hansken, het benoemen van een deskundige dienaangaande en de afwijzing van het verzoek tot het horen van dr. Graus als getuige. De conclusie van de PG is dat de cassatiemiddelen in die zaak dienen te worden verworpen. De Hoge Raad deed die zaak af op grond van artikel 81 RO.” Marengo Naast deze vooropstelling stelt het hof vast, dat in het procesdossier Marengo de nodige informatie is opgenomen omtrent zowel de Ennetcom-data als de PGPSafe-data. In de eerste plaats wijst het hof op de mappen 1 en 2 van het PGP-dossier (AD03). In hoofdstuk 2.1 (pagina’s 1-576) wordt verslag gedaan van de (wijze van) verkrijging van de Ennetcom-data (in en uit onderzoek 26DeVink en/of 26Tandem) en in hoofdstuk 2.2 (pagina’s 577-708) wordt dat gedaan ten aanzien van de PGPSafe-data (in en uit onderzoek 26Sassenheim). In beide hoofdstukken (pagina’s 317-321 respectievelijk pagina’s 648-652) bevindt zich informatie over de gevolgde procedure geheimhouders. In hoofdstuk 2.3 zijn vervolgens enkele stukken opgenomen afkomstig uit andere onderzoeken waarin Ennetcom-data en/of PGPSafe-data een rol speelden, te weten: - Briefrapport Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau, gedateerd 16 januari 2018 en opgemaakt door ing. J.H. (26DeVink) (pagina’s 787-794); - NFI-rapport “Beantwoording vragen van mr. Weski inzake onderzoek 26TandemII” (met bijlagen), gedateerd 5 februari 2018 en opgemaakt door ir. E.J. van Eijk (26TandemII) (pagina’s 718-752); - Proces-verbaal van verhoor deskundige ir. E.J. van Eijk op 12 februari 2018 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen N.F., in het bijzijn van mr. I.N. Weski, raadsvrouw van de verdachte, samen met de heer Graus (26TandemII) (pagina’s 773-786); - NFI-rapport “Beantwoording van vragen over Exchange Transactielogs in relatie tot Hansken” (met bijlagen), gedateerd 19 juli 2019 en opgemaakt door ir. R.S. (13Orinus) (pagina’s 754-771); - NFI-rapport “Verandering eigenschappen van e-mailberichten uit ESE-transactielogs in Hansken versie 33.5.0” (met bijlage), gedateerd 16 juni 2020 en opgemaakt door ir. R.S. (26DeVink) (pagina’s 795-817). Als bijlage is bij dit rapport gevoegd de “Vakbijlage Hansken”. Eerstgenoemd briefrapport van 16 januari 2018 is opgemaakt op verzoek van mr. I.N. Weski, voormalig raadsvrouw van de verdachten Ennetcom Consumer Products B.V. en haar oprichter en middellijk bestuurder D.M. Dit briefrapport houdt onder meer in: “In het kader van het tactisch onderzoek zijn interviews afgenomen met getuige 1 (DAHVO), getuige 2 (Websecurity), R.H. (Ennetcom), P.W. (RIN-IT) en M. (RIN-IT). Getuige 1 is directeur bij DAHVO. DAHVO was verantwoordelijk voor het beheer en de functionaliteit van de BlackBerry Enterprise Server. Getuige 2 is directeur bij Websecurity en was eind 2014 door Ennetcom ingeschakeld om een analyse te maken van het ennetcom-netwerk, teneinde eventuele zwakheden in kaart te brengen. R.H. was als medewerker van Ennetcom verantwoordelijk voor de technische ondersteuning en de productuitleg in relatie tot de resellers. P.W. en M.W. zijn werkzaam bij RIN-IT en waren verantwoordelijk voor het beheer en de functionaliteit exchange server.” In de tweede plaats wijst het hof op de stukken die gedurende het proces in eerste aanleg aan het dossier zijn toegevoegd, vaak naar aanleiding van verzoeken van de verdediging. Zonder volledig te zijn, wijst het hof op: - Proces-verbaal van bevindingen van de rechercheofficier van justitie van het Landelijk Parket van 26 november 2020 inzake de controle van de Marengo-dataset op geheimhouderscommunicatie; - Diverse stukken die als bijlagen zijn gevoegd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie op de PGP-onderzoekswensen van 5 maart 2021, waaronder het NFI-rapport van ir. E.J. van Eijk van 9 maart 2018 (pagina’s 907-921), “Rapport t.a.v. het digitaal forensisch onderzoeksproces en het gebruik van ‘Hansken’ bij het samenstellen van de dataset “Tandem”” van David Graus van 15 januari 2018 (pagina’s 923-943), proces-verbaal van verhoor getuige P.T. (service- en supportmanager van Ennetcom) op 6 februari 2019 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Gelderland in het onderzoek Bosnië (pagina’s 949-956) en het proces-verbaal van bevindingen scenario’s betrouwbaarheid en integriteit gegevens Ennetcom-data van 20 november 2018 (pagina’s 970-978); - Diverse stukken die als bijlagen zijn gevoegd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie op de aanvullende PGP-onderzoekswensen van 15 april 2021, waaronder een aanvullend proces-verbaal van bevindingen over de gevolgde procedure geheimhouders (pagina’s 986-989), “Handleiding verwerking geheimhouderinformatie aangetroffen in inbeslaggenomen voorwerpen en in digitale bestanden”, versie juni 2014, vastgesteld door de landelijke vergadering van rechercheofficieren (pagina’s 991-1005) en twee informatiebladen van het NFI, te weten: “Hansken – Informatieblad Geheimhouderinformatie” van 15 mei 2020 (pagina’s 1007-1012) en “Inzage in selecties van grote data-verzamelingen met Hansken op het NFI” van 3 maart 2021 (pagina’s 1014-1019); - Proces-verbaal van verhoor getuige D.M. voornoemd op 7 juni 2021 door de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het onderzoek Bosnië, met bijlagen; - Proces-verbaal van bevindingen betreffende onderzoek naar spoofing in de dataset Canada_data van 19 april 2021; - Proces-verbaal van beantwoording vragen verdediging in Marengo-proces van 14 april 2021, met bijlagen. Voorts benoemt het hof dat tijdens de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg uitgebreid aandacht is besteed aan het onderwerp PGP-bewijs. Zo heeft de rechtbank op 11 maart 2021 een zogenoemde PGP-inzagedag belegd en op 12 maart 2021 een zogenoemde PGP-regiezitting. Ter gelegenheid van deze zittingen hebben zowel het Openbaar Ministerie als de verdedigingen met betrekking tot dit onderwerp standpunten ingenomen, zoals daarvan blijkt uit de stukken. Bij de pleitaantekeningen van onder meer mr. S. Boersma in de zaken tegen A.B., Mao R., Mario R. en R.T. van 12 maart 2021 zijn verschillende bijlagen gevoegd, waaronder: - “Juridische analyse, vooral over aspecten van gegevensbescherming”, gedateerd 4 en 5 maart 2018 en, op verzoek van mr. I.N. Weski, opgemaakt door mr. dr. H.H., ten behoeve van de verdediging in de strafzaak tegen N.F.; - Proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen N.F.van 29 november 2017, met bijlagen; - Eerdergenoemd rapport van David Graus van 15 januari 2018 én zijn rapport van 4 en 5 maart 2018, getiteld “Rapport Transparantie, Proportionaliteit, en contra-expertise t.a.v. het digitaal forensisch onderzoeksproces in de zaak 26TandemII”. Voorafgaand aan deze zittingen, bij brief van 18 februari 2021, had de verdediging van onder anderen Mao R. reeds de volgende stukken ingebracht: - Proces-verbaal van verhoor getuige R.H. voornoemd op 24 november 2020 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam in de strafzaken tegen onder meer D.M. en Ennetcom Consumer Products B.V.; - Schriftelijke verklaring van getuige 2 voornoemd van 8 november 2017; - Schriftelijke verklaring van D.M. voornoemd van 28 oktober 2019. Ook ter gelegenheid van het requisitoir, de pleidooien en de re- en duplieken in de verschillende zaken zijn door het Openbaar Ministerie respectievelijk de verdedigingen standpunten ingenomen met betrekking tot het onderwerp PGP-bewijs. In de vonnissen waarvan beroep van 27 februari 2024 is de rechtbank vervolgens uitgebreid ingegaan op het PGP-bewijs. De betreffende overwegingen van de rechtbank beslaan meer dan dertig pagina’s en zijn onderverdeeld in diverse (sub)paragrafen; het hof verwijst hier naar de inhoudsopgaven in de vonnissen waarvan beroep.” Het hof neemt deze overwegingen over en voegt daar nog het volgende aan toe. Op 8 juli 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de zaak tegen de hoofdverdachte in het onderzoek Himalaya. Met betrekking tot het zevende cassatiemiddel overwoog de Hoge Raad in die zaak: “3.1 Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de manier waarop de door Canada overgedragen ‘Ennetcom-data’ door de opsporingsautoriteiten zijn verwerkt niet verenigbaar is met het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals gewaarborgd in artikel 8 EVRM. Het cassatiemiddel voert daartoe onder meer aan dat de enkele omstandigheid dat toepassing is gegeven aan de door de Canadese rechter gestelde voorwaarden voor het gebruik van de ‘Ennetcomdata’, niet met zich brengt dat dit gebruik in overeenstemming is met artikel 8 EVRM, terwijl daarnaast wordt gesteld dat het hof de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid, zoals die voortvloeien uit artikel 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), heeft miskend. (…) 3.3 De vaststellingen van het hof houden het volgende in. In 2016 is door Nederland ten behoeve van een viertal in Nederland lopende onderzoeken een rechtshulpverzoek aan de Canadese autoriteiten gedaan om de – op servers in Canada door het bedrijf Ennetcom opgeslagen – data (ook wel ‘Ennetcomdata’) veilig te stellen en alle beschikbare gegevens van deze servers over te dragen. Deze servers werden gebruikt ten behoeve van communicatie met door Ennetcom geleverde mobiele telefoons van het merk BlackBerry, ook wel aangeduid als ‘crypto-telefoons’ of ‘PGP-toestellen’ (Pretty Good Privacy). Deze data zijn op bevel van de Canadese rechter ter beschikking gesteld aan de Nederlandse autoriteiten, onder de voorwaarde dat deze data worden gebruikt ten behoeve van de vier hierboven bedoelde in Nederland lopende onderzoeken. Daarnaast mogen deze data, zo volgt uit dat bevel, in andere Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken worden gebruikt mits daaraan een machtiging van een Nederlandse rechter voorafgaat. Op 19 oktober 2017 heeft de politie in één van die vier strafrechtelijke onderzoeken een ‘proces-verbaal restinformatie’ opgemaakt, waaruit bleek dat data waren aangetroffen die mogelijk van belang konden zijn voor een ander reeds lopend strafrechtelijk onderzoek, te weten 11Himalaya, één van de strafrechtelijke onderzoeken naar een liquidatie waarvoor de verdachte is veroordeeld. Naar aanleiding van dit proces-verbaal heeft de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie een machtiging afgegeven om deze restinformatie ter beschikking te stellen aan het onderzoek 11Himalaya. Naar aanleiding van onderzoek aan deze restinformatie heeft de officier van justitie een vordering gericht aan de rechter-commissaris met het oog op onderzoek in de Ennetcom-data wat betreft twee e-mailadressen van gebruikers die (op basis van de verkregen restinformatie) te maken zouden hebben met de hiervoor bedoelde liquidatie. Deze vordering is toegewezen. Daarna heeft de officier van justitie, ook ten aanzien van de overige strafrechtelijke onderzoeken waarop dit cassatieberoep betrekking heeft, vervolgvorderingen ingediend, die nagenoeg volledig door de rechter-commissaris zijn toegewezen. 3.4 Het hof heeft geoordeeld dat de inbeslagname en de overdracht van de ‘Ennetcom-data’ weliswaar een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers opleveren, maar dat geen sprake is van een schending van artikel 8 EVRM vanwege het onderzoek aan de betreffende data en het gebruik van een deel van die data voor de strafrechtelijke onderzoeken in deze zaak. Het hof heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de overdracht van die data heeft plaatsgevonden overeenkomstig de daarvoor bestaande (wettelijke en verdragsrechtelijke) regeling van de internationale rechtshulp en dat voor het gebruik van de data in die strafrechtelijke onderzoeken telkens een machtiging door de rechter-commissaris is gegeven. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat bij het verlenen van die machtigingen steeds de belangen van derden in de afweging van de rechter-commissaris zijn betrokken, dat in al deze gevallen sprake was van een verdenking van strafbare feiten die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, en dat de machtigingen zijn beperkt tot het verrichten van onderzoek in relatie tot één of meer specifieke e-mailadressen van mogelijke verdachten. Gelet hierop getuigt het hiervoor genoemde oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het – ook in het licht van wat aan het verweer ten grondslag is gelegd – toereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt in zoverre. 3.5.1 Voor zover het cassatiemiddel een beroep doet op artikel 7, 8 en 52 Handvest, mede onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (hierna: CG/Landeck) (HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830), is het volgende van belang. 3.5.2 Het arrest in de zaak CG/Landeck heeft, kort gezegd, betrekking op gevallen waarin in het kader van een strafrechtelijk onderzoek toegang wordt verkregen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens, waarbij die toegang ertoe kan leiden dat inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, en ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die telefoon uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens). De toegang tot al die gegevens kan, in het bijzonder als deze gegevens in onderling verband met elkaar worden gebracht, leiden tot zeer nauwkeurige conclusies over het privéleven van de gebruiker. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de daaruit voortvloeiende inbreuk op de door artikel 7 en 8 Handvest gewaarborgde grondrechten moet worden aangemerkt als ernstig of bijzonder ernstig. In het licht van het evenredigheidsbeginsel moet de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot persoonsgegevens daarom afhankelijk worden gesteld van een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan als die toegang het risico van een ernstige of zelfs zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker met zich brengt. 3.5.3 Zoals de Hoge Raad recent heeft geoordeeld, brengt de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak CG/Landeck met zich dat bij elke vorm van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk die een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt, een voorafgaande betrokkenheid van de rechter-commissaris is vereist. Daarbij is onder meer van belang dat als de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris vordert, in deze vordering voldoende concreet wordt omschreven welk onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk zal worden verricht en hoe dit onderzoek zal worden uitgevoerd, en dat bij het verlenen van een machtiging voor het gevorderde onderzoek de rechter-commissaris zo nodig nadere eisen kan stellen aan het te verrichten onderzoek. (Vgl. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, rechtsoverwegingen 5.2.4-5.2.8.) Er is geen grond om, waar het – zoals in deze zaak – gaat om een in het kader van rechtshulp overgedragen grote hoeveelheid gegevens die op servers waren opgeslagen en die verband houden met communicatie met mobiele telefoons, andersoortige eisen te stellen aan het strafvorderlijk onderzoek aan dergelijke gegevens dan in dat arrest van de Hoge Raad zijn verwoord. 3.5.4 Ook voor zover het cassatiemiddel stoelt op artikel 7, 8 en 52 Handvest, is het tevergeefs voorgesteld. Nog daargelaten dat in het verweer dat bij het hof is gevoerd geen beroep is gedaan op deze bepalingen en het hof daarom in zijn motivering van zijn beslissing niet kenbaar aandacht hoefde te besteden aan deze kwestie, ligt in de vaststellingen van het hof besloten dat in deze zaak bij het verrichten van onderzoek aan de ‘Ennetcom-data’ aan de onder 3.5.3 genoemde eisen is voldaan. 3.6 Van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie kan worden afgezien, omdat de in de cassatieschriftuur genoemde vragen niet relevant zijn voor de uitkomst van het geschil dan wel kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie of redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop deze vragen over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moeten worden opgelost.” Voorts benoemt het hof dat in de fase van het hoger beroep de volgende stukken aan het dossier zijn toegevoegd: Proces-verbaal van bevindingen onderzoek doorgestuurde berichten PGP dataset (LERAC17002-7297) van 6 december 2024; Aanvullend proces-verbaal van bevindingen omtrent zoektermen in Hansken (LERAC17002-7303) van 24 januari 2025. 4.2.2 Beoordelingsmaatstaf Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in hoofdstuk 3 is overwogen. Het hof markeert verder – zoals het destijds ook ten aanzien van de eerder gedane verzoeken heeft gedaan – dat de verzoeken kennelijk zijn gedaan met het oog op ook ten overstaan van de appelrechter te voeren ontvankelijkheids-, rechtmatigheids- en betrouwbaarheidsverweren. Zo bezien ligt ter beoordeling van de gedane verzoeken de vraag ter beantwoording voor of het procesdossier zoals dat thans voorligt, voorziet in het aan het EVRM ontleende recht van de verdediging “to have adequate facilities for the preparation of his defence”. Anders gezegd: of de verdediging feitelijk al voldoende gelegenheid heeft voor de voorbereiding van ten overstaan van het hof te voeren verweren ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dan wel rechtmatigheids- en betrouwbaarheidsverweren, waarvan vorm, inhoud en strekking in grote lijnen door de verdediging kenbaar zijn gemaakt. Ten overvloede overweegt het hof – ook naar aanleiding van de opmerking van de advocaat-generaal in zijn regiebrief van 16 september 2025 “dat hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, met name daar waar het betreft de bespreking van jurisprudentie van nationale en internationale gerechtelijke instanties, meer het karakter heeft van een inhoudelijk pleidooi dan van een onderbouwing van de onderzoekswensen” – dat het hof bij eindarrest zal responderen op de dan voorliggende verweren. 4.2.3 Het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU De verdediging heeft als bijlage bij haar brief van 1 september 2025 een voorstel gevoegd voor de, bij toewijzing van het verzoek, concrete vraagstellingstelling aan het HvJ EU. Uit die vraagstelling en de onderbouwing van het verzoek volgt dat de verdediging het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU noodzakelijk acht met betrekking tot, kort samengevat, telkens toegespitst op de verkrijging en verwerking van de Ennetcom- en PGPSafedata: de toepasselijkheid van het Unierecht, in het bijzonder Richtlijn 2002/58/EG, Richtlijn (EU) 2016/680 en Verordening (EU) 2016/679; de eis van een voorzienbare nauwkeurige wettelijke regeling, met voorafgaande rechterlijke toetsing en (overige) waarborgen voor de zogenoemde gebruikers; of sprake is van ontoelaatbare algemene en ongedifferentieerde bulkverkrijging en, in dat kader, een – in potentie – ernstige inmenging in de grondrechten van (nota bene: (ook) willekeurige) gebruikers; de aan schendingen van het Unierecht, waaronder het Handvest, te verbinden rechtsgevolgen, indachtig het doeltreffendheidsbeginsel, en de vrijheid van de nationale rechter in dat verband, meer in het bijzonder de vraag of de nationale rechter bij een schending van het Handvest bij de verkrijging en verwerking van gevoelige gegevens als rechtsgevolg kan volstaan met het enkel constateren van die schending, zonder die gegevens uit te sluiten van het bewijs. Eerder gedaan verzoek Het hof stelt vast dat de verdediging eerder in de fase van het hoger beroep een soortgelijk verzoek heeft gedaan. Het hof heeft dat verzoek ter terechtzitting van 10 oktober 2024 als volgt afgewezen: “Artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen a. over de uitlegging van de Verdragen, b. over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen. (…) Indien een dergelijke vraag wordt opgeworpen in een bij een nationale rechterlijke instantie aanhangige zaak betreffende een gedetineerde persoon, doet het Hof zo spoedig mogelijk uitspraak.” Nog daargelaten dat het hof, anders dan de Hoge Raad, niet verplicht is tot vraagstelling aan het Hof van Justitie van de EU, is het hof van oordeel dat een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de EU op de punten die de verdediging heeft opgeworpen, niet noodzakelijk is voor het wijzen van zijn arrest. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU en de eerder genoemde arresten van de Hoge Raad van 28 juni 2022, 13 juni 2023 en 13 februari 2024.” Beslissing Het hof neemt deze overwegingen over en voegt daaraan toe dat het ook acht heeft geslagen op het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2025. Het hof is van oordeel dat, gezien de huidige stand van de jurisprudentie, het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU niet noodzakelijk is voor het wijzen van zijn arrest. Het hof wijst het verzoek af. 4.2.4 Het verzoek om Van Eijk en Graus als getuigen en/of als deskundigen te horen Ten aanzien van het verzoek om Van Eijk (en/of, kort gezegd, een andere betrokken deskundige) en Graus als getuigen en/of als deskundigen te horen – alsmede ten aanzien van het verzoek om deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden (naar het hof begrijpt: verzoek 3) – heeft de verdediging in haar brief van 1 september 2025 het volgende vermeld (pagina 38): “De hierna te verzoeken onderzoekswensen, zowel het horen van de getuigen als het deskundige onderzoek, acht de verdediging noodzakelijk om het als belastend gepresenteerde materiaal dat het resultaat is van de verkrijging en verwerking van de Ennetcom- en PGPSafedata, en dat in feite het belangrijkste, zo niet het enige, belastende materiaal jegens cliënt betreft, effectief te kunnen controleren op rechtmatigheid en betrouwbaarheid en om een weloverwogen oordeel over de overtuigingskracht die kan uitgaan van het materiaal te kunnen vormen en dus om zich effectief te kunnen verweren tegen de feiten waarvan hij beschuldigd wordt.” Wat betreft het verzoek om Van Eijk te horen, heeft de verdediging meer specifiek aangevoerd, dat zij deze getuige – van wie zich rapporten en een verhoor als deskundige in het dossier bevinden – verduidelijkingsvragen wenst te stellen over de controlemogelijkheden die er thans bestaan voor de verdediging en hoe daar zelfstandig en op onafhankelijke wijze gebruik van kan worden gemaakt, anders dan het enkel kijken naar de middels Hansken gepresenteerde resultaten. Daarnaast acht de verdediging het van belang vragen te kunnen stellen over de feitelijke en technische gang van zaken met betrekking tot het samenstellen van de Marengodataset en de export daarvan naar de Excelbestanden en het dossier. Wat betreft het verzoek om Graus te horen, heeft de verdediging meer specifiek aangevoerd dat zij deze getuige – die op verzoek van de verdediging rapporten heeft opgesteld die in eerste aanleg door de verdediging zijn ingebracht – niet enkel wenst te horen over de betrouwbaarheid van de werking van Hansken, maar ook om zijn conclusies uit zijn ingebrachte rapporten, nader toe te lichten. Eerder gedane verzoeken Het hof stelt vast dat de verdediging eerder in de fase van het hoger beroep soortgelijke verzoeken heeft gedaan. Het hof heeft die verzoeken (verzoeken 3 en 4) ter terechtzitting van 10 oktober 2024 als volgt afgewezen (met aanpassing van de verwijzing in voetnoot 57): “Het hof stelt (…) vast dat, zoals hiervoor is weergegeven, het procesdossier reeds de nodige informatie bevat omtrent (kort gezegd) de verwerking van de verkregen PGP-data en de werking van Hansken. Het hof wijst in het bijzonder op de NFI-rapporten van ir. E.J. van Eijk van 5 februari 2018 en 9 maart 2018, het proces-verbaal van diens verhoor op 12 februari 2018, de rapporten van David Graus van 15 januari 2018 en 4 en 5 maart 2018, en de andere rapporten, vakbijlagen en informatiebladen van het NFI. Voorts stelt het hof in dit verband vast dat de verdediging in alle zaken, desgevraagd, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de gelegenheid tot het hebben van inzage heeft (gehad) in de Marengo-dataset en de zogenoemde PGP-dataset ‘eigen lijnen cliënt’. Bovendien heeft de advocaat-generaal in zijn regiebrief onweersproken gesteld dat er in eerste aanleg een inzagemogelijkheid in Hansken bij het NFI is geweest. Ook blijkt uit deze regiebrief, met verwijzing naar het requisitoir in eerste aanleg, dat voor de verdediging in alle zaken de gelegenheid heeft bestaan om gemotiveerd eigen zoektermen aan te dragen ten behoeve van onderzoek in alle ontsleutelde Ennetcom- en PGPSafe-data of gemotiveerd aan te geven op welk(
  3. e)punt(
  4. en)de “bevraging” van Justitie, niet juist of niet volledig zou zijn. (…) De advocaat-generaal heeft in zijn regiebrief, in reactie op de onderhavige verzoeken van de verdediging (pagina’s 73-74 en 77), gewezen op overwegingen van de rechtbank in de beslissing gegeven naar aanleiding van (de verzoeken
  5. op)de PGP-regiezitting van 12 maart 2021 én in de vonnissen waarvan beroep, namelijk: “De rechtbank stelt vast dat reeds diverse rapporten aan het dossier zijn toegevoegd waarin door deskundigen van het NFI is ingegaan op de werking van Hansken. Ook is in die rapporten ingegaan op de gevolgen van door de verdediging gestelde integriteitsschendingen bij Ennetcom voor de betrouwbaarheid van het PGP-materiaal en is daarbij gereageerd op door de verdediging gestelde schriftelijke vragen. (…) De omstandigheid dat die rapportages en vragen niet zijn opgemaakt respectievelijk gesteld in Marengo, doet er niet aan af dat de verdediging kan beschikken over antwoorden op algemene vragen over Hansken en de betrouwbaarheid van het PGP-materiaal. (…)” én “In het kader van het recht op een eerlijk proces (en dus gelijke proceskansen) moet de verdediging kunnen controleren of de door Hansken geproduceerde resultaten betrouwbaar zijn. Daartoe mag van de verdediging echter wel worden verwacht dat zij concreet maakt op welke punten deze controle moet plaatsvinden. Het in algemene zin stellen dat ‘de controlemogelijkheden onvoldoende zijn’ kan niet als zodanig gelden. Het voorgaande klemt temeer nu in het Marengo-dossier stukken zijn gevoegd waarin is ingegaan op de werking van Hansken. (…) De verdediging heeft gesteld dat Van Eijk (…) vragen niet heeft kunnen beantwoorden, maar zij heeft daarbij onvoldoende concreet gemaakt wat zij nog wil controleren en/of onderzoeken. Van Eijk heeft in zijn beantwoording bovendien gezegd, en het Openbaar Ministerie heeft hierop ook herhaaldelijk gewezen, dat bij twijfel over de volledigheid van een bericht altijd extra controles uitgevoerd kunnen worden in Hansken zelf of met analysemogelijkheden buiten Hansken. De mogelijkheid tot controle en contra-expertise (…), zij het dat de verdediging dan wel moet laten weten wat, op welke wijze en door wie onderzocht moet worden. De verdediging heeft dit op de speciale PGP-regiezitting van 11 maart 2021 niet, althans onvoldoende, concreet gemaakt. Ook later heeft zij dit niet gedaan. (…)” Het hof is van oordeel dat in het licht van al het voorgaande, de verdediging haar verzoeken tot het horen van Van Eijk, of een andere direct bij de werking en ontwikkeling van Hansken betrokken deskundige (van het NFI), en dr. D. Graus onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Het hof is van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het niet horen van deze deskundigen – van wie zich reeds rapporten en een verhoor in het procesdossier bevinden – niet in zijn verdediging wordt geschaad. Ook het recht van de verdachte op een eerlijk proces dwingt niet tot het horen van deze deskundigen. Dat inmiddels zes jaren zijn verstreken (sinds de rapporten en het verhoor in 2018) leidt niet tot een ander oordeel. Datzelfde geldt voor hetgeen de verdediging ter terechtzitting van 4 juli 2024, onder verwijzing naar de vakbijlage Hansken (6.4), nog aanvullend heeft opgemerkt ter onderbouwing van het verzoek om Van Eijk te horen (pleitaantekeningen, pagina 5).” Beslissing Het hof neemt deze overwegingen over. Het hof is, in het licht van het voorgaande, met name gelet op de informatie die het dossier reeds bevat omtrent de verwerking van de verkregen PGP-data (inclusief de samenstelling van de Marengodataset) en de werking van Hansken, en hetgeen daaromtrent op de website van het NFI aan vakbijlagen en informatiebladen is gepubliceerd, van oordeel dat de verdediging haar verzoeken tot het horen van Van Eijk (en/of een andere betrokken deskundige) en Graus voor toewijzing van deze verzoeken onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Daarbij wijst het hof, in reactie op de stellingen van de verdediging “dat het dossier geen zorgvuldige verslaglegging bevat van de zogeheten chain of evidence” en dat het gevraagde onderzoek erop ziet “dat de verdediging, en ook uw hof, kan beoordelen of de berichten, zoals die gepresenteerd zijn, ook daadwerkelijk zo zijn verstuurd en ontvangen, althans of dat uit de gekopieerde gegevens kan worden opgemaakt”, onder meer op de volgende stukken in het dossier: Ennetcom proces-verbaal maken kopie servers in Canada (AD03, pagina’s 67-70); proces-verbaal vergelijking zogenoemde hashwaarden (AD03, pagina’s 45-66); proces-verbaal uploaden gegevens in Hansken (AD03, pagina’s 29-44); PGPSafe proces-verbaal maken kopie servers in Costa Rica (AD03, pagina’s 640-643); proces-verbaal vergelijking zogenoemde hashwaarden (AD03, pagina’s 621-632); proces-verbaal uploaden gegevens in Hansken (AD03, pagina’s 636-639), de vakbijlage Hansken, de informatie omtrent de software Microsoft Exchange Server (zoals AD03, pagina’s 303-310, 311-316, 636-639 en, waar het Transactielog-bestanden betreft, 754-771), voorbeelden van concreet gepresenteerde Ennetcom- respectievelijk PGPSafe-berichten (zoals AD03, pagina 338 e.v. respectievelijk pagina 672 e.v.) en de rapporten/verklaringen van Van Eijk en Graus. Dat de verdediging Van Eijk ‘verduidelijkingsvragen’ wenst te stellen over de controlemogelijkheden die er thans bestaan voor de verdediging, en Graus wil vragen om zijn conclusies uit zijn eerder ingebrachte rapporten ‘nader toe te lichten’, is, gelet op het voorgaande en zonder nadere, concrete motivering, die ontbreekt, ontoereikend om de verzoeken toe te wijzen. Het hof is dan ook van oordeel dat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken, waarbij het hof overigens opmerkt dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door deze beslissing niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof wijst de verzoeken af. 4.2.5 Het verzoek om een deskundigenonderzoek naar de “chain of evidence” In de toelichting op dit verzoek heeft de verdediging vermeld dat het voor haar, maar ook voor het hof, noodzakelijk is om de volledige ‘chain of evidence’ van het digitale materiaal na te kunnen gaan – vanaf de verkrijging van de gekopieerde data van de servers tot en met de weergave van berichten en overige onderzoeksresultaten in het dossier – inclusief informatie over de gebruikte soft- en hardware en menselijk handelen. “Alleen op die manier kan namelijk beoordeeld (worden) of er sprake is van betrouwbaar bewijs (in de zin van authentiek, reproduceerbaar etc.) en het recht op een eerlijk proces voldoende gewaarborgd is”, aldus de verdediging. Daarbij heeft de verdediging benadrukt dat het, mede wegens gebrek aan regulering, niet redelijk en in strijd met het recht op een eerlijk proces is om voor toewijzing van dit verzoek van de verdediging concrete aanwijzingen voor onjuistheden, onvolkomenheden en/of onrechtmatigheden te verlangen. De verdediging heeft in dat verband aangevoerd (pagina’s 34-35): “(…) overwogen dat het aan de verdediging is om aannemelijk te maken dat, kort gezegd, redenen zijn om te twijfelen aan de authenticiteit van de in het dossier gepresenteerde berichten. Een helaas veel gehoorde stelling die de bewijslast voor de betrouwbaarheid van het digitale bewijsmateriaal bij de verdediging legt in plaats van bij het openbaar ministerie. Daarbij wordt in de nationale rechtspraak veelal overwogen dat de verdediging in de gelegenheid is geweest de dataset in te zien hetgeen dan kennelijk wordt geacht een effectief middel te zijn om die betrouwbaarheid te controleren. De verdediging benadrukt dat zij niet inziet hoe (zij) op basis van het thans in het dossier aanwezige materiaal de authenticiteit van de jegens cliënt gepresenteerde berichten kan controleren. Die inzage mogelijkheden op het politiebureau of bij het NFI in de zogeheten Marengodataset bieden de verdediging die mogelijkheid uitdrukkelijk niet nu er dan immers niets anders kan plaatsvinden dan kijken naar (vermeende) berichten zonder dat de verdediging (de juistheid van) die berichten kan controleren bijvoorbeeld aan de hand van brondata en zorgvuldige verslaglegging over de verwerkingen (chain of evidence) van de data al dan niet met behulp van een eigen deskundige. (…) Door naar de berichten of excelbestanden of resultaten in het programma Hansken te kijken kan (…) niet worden onderzocht of middels de verwerkingen die hebben plaatsgehad (zowel middels software of menselijk handelen) berichten niet zijn gewijzigd, vernietigd of anderszins aangetast ten opzichte van het bronmateriaal (de ruwe gegevens) waarvan overigens ook niet kan worden gecontroleerd of bij het kopiëren van die gegevens er geen gegevens zijn gewijzigd of anderszins aangetast. (…) Bovendien kan ook de werking van Hansken (…) niet gecontroleerd worden door naar berichten te kijken.” Eerder gedaan verzoek Het hof stelt vast dat de verdediging eerder in de fase van het hoger beroep een soortgelijk verzoek heeft gedaan. Het hof heeft dat verzoek (verzoek 7, onderdelen a-
  6. e)ter terechtzitting van 10 oktober 2024 als volgt afgewezen: “Het hof acht het verzochte onderzoek niet noodzakelijk voor de beantwoording van enige vraag van de artikelen 348 en 350 Sv. Het hof acht zich op basis van het voorliggende dossier voldoende ingelicht om, in de woorden van de verdediging, weloverwogen te kunnen oordelen, ook ten aanzien van de door de verdediging te voeren ontvankelijkheids-, rechtmatigheids- en betrouwbaarheidsverweren. Zowel ten aanzien van de, overigens algemeen geformuleerde, vraagpunten a-e, als ten aanzien van de vraagpunten f-g, bevat het procesdossier de nodige informatie en de verdediging heeft niet aannemelijk gemaakt, noch is dat het hof anderszins gebleken, dat deze informatie hiervoor onvoldoende is. Met de huidige inhoud van het procesdossier en de mogelijkheden tot inzage, het aandragen van eigen zoektermen en het gemotiveerd aangeven bij Justitie van (kort gezegd) onjuistheden of onvolkomenheden (…), moet de verdediging voldoende in staat worden geacht haar verweren te kunnen voeren. Anders gezegd: naar het oordeel van het hof heeft de verdediging “adequate facilities for the preparation of his defence”. Het verzochte onderzoek is ook daarvoor niet noodzakelijk.” Beslissing Het hof neemt deze overwegingen over. Het hof is ook thans van oordeel dat het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is voor de beantwoording van enige vraag van de artikelen 348 en 350 Sv, en dat het zich op basis van het voorliggende dossier voldoende ingelicht acht. Daarbij verwijst het hof ook naar hetgeen het hiervoor ten aanzien van verzoek 2 heeft overwogen, in het bijzonder de verwijzing naar de reeds beschikbare stukken over de vergelijking van de hashwaarden, de werking van Hansken en software, en de wijze van verkrijging en verwerking van de PGP-data. Het hof voegt hieraan toe, dat ook het recht van de verdachte op een eerlijk proces niet dwingt tot toewijzing van het verzoek. Het hof heeft kennisgenomen van de hiervoor geciteerde stellingen van de verdediging, maar het hof stelt vast dat de verdediging, naast dat zij over het procesdossier beschikt, inzage heeft (gehad) in de Marengodataset (inclusief de zogenoemde metadata), de PGP-dataset ‘eigen lijnen cliënt’ en zowel in het procesdossier als ter terechtzitting is ingelicht over de verwerking van de verkregen PGP-data en de werking van Hansken. Bovendien heeft de verdediging de mogelijkheid gehad om eigen zoektermen aan te dragen (zie nader hieronder bij de beoordeling van verzoek 6). Aldus is, en wordt, de verdediging in staat gesteld het bewijsmateriaal in het procesdossier te controleren. Bij die stand van zaken mag van de verdediging worden verlangd dat als zij verdergaande verzoeken heeft, zoals het onderhavige verzoek tot een deskundigenonderzoek, zij de noodzaak daartoe concreet onderbouwt. Die concrete onderbouwing is uitgebleven. Het hof wijst het verzoek af. 4.2.6 Het verzoek om een deskundigenonderzoek naar de geheimhoudingsprocedure De verdediging heeft verzocht dat een onafhankelijk deskundige de volledige door het Openbaar Ministerie gehanteerde geheimhoudingsprocedure in kaart brengt en beoordeelt in hoeverre deze aansluit bij de wettelijke regeling(en), de daarop betrekking hebbende jurisprudentie van de Hoge Raad, alsmede de relevante internationale wet- en regelgeving en jurisprudentie. Daarbij dient de deskundige te onderzoeken of de feitelijke uitvoering van de procedure overeenstemt met hetgeen op papier is vastgelegd, en of deze uitvoering daadwerkelijk heeft geleid tot de noodzakelijke en door nationale en Europese rechtspraak vereiste waarborgen voor de bescherming van het verschoningsrecht. Ook heeft de verdediging verzocht dat onderzoek wordt gedaan naar de aard en omvang van “reeds erkende schendingen van het verschoningsrecht”, waarbij de verdediging doelt op vaststellingen in zowel het vonnis waarvan beroep als het vonnis van de rechtbank Amsterdam in het onderzoek Tandem van 19 april 2018. Eerder gedaan verzoek Het hof stelt vast dat de verdediging eerder in de fase van het hoger beroep een soortgelijk verzoek heeft gedaan. Het hof heeft dat verzoek (verzoek 7, onderdelen f-
  7. g)ter terechtzitting van 10 oktober 2024 afgewezen met de overwegingen die hiervoor bij de beoordeling van verzoek 3 zijn weergegeven. Beslissing Het hof neemt deze overwegingen over. Het hof is ook thans van oordeel – nog daargelaten de verschillende taken van de rechter en een deskundige – dat het verzochte onderzoek niet noodzakelijk is voor de beantwoording van enige vraag van de artikelen 348 en 350 Sv en dat het zich op basis van het voorliggende dossier voldoende ingelicht acht. Ook moet de verdediging bij de huidige stand van zaken voldoende in staat worden geacht haar verweren op dit punt te kunnen voeren. Het verzochte onderzoek is ook daarvoor niet noodzakelijk. Het hof wijst het verzoek af. 4.2.7 Het verzoek om verstrekking van zogenoemde brondata De verdediging heeft dit verzoek gedaan in het verlengde van verzoek 3 en als doel van dit verzoek vermeld: onderzoek door een eigen deskundige om zo de betrouwbaarheid van de berichten en de onderzoekresultaten te onderzoeken en het belastend materiaal effectief te kunnen becommentariëren. “Het onder 3 verzochte deskundige onderzoek en de daaruit voortkomende rapportage over de chain of evidence kan in combinatie met de brondata worden voorgelegd aan een eigen deskundige om te laten onderzoeken of het gepresenteerde materiaal, dat het resultaat is van onderzoek aan en verwerkingen van de brondata, juist is”, aldus de verdediging ter terechtzitting van 29 september 2025. In de toelichting op het verzoek heeft de verdediging gewezen op een recente beslissing van het Obergericht des Kantons Zürich (Zwitserland) van 15 augustus 2025, die de verdediging als bijlage bij haar brief van 1 september 2025 heeft gevoegd. Nieuw verzoek Het hof stelt vast dat de verdediging dit verzoek niet eerder heeft gedaan. Het hof beoordeelt het verzoek aan de hand van de gebleken noodzaak daartoe. Het hof is van oordeel dat de noodzaak van het verzochte onvoldoende concreet is onderbouwd noch anderszins aan het hof is gebleken. Het hof verwijst naar hetgeen ten aanzien van verzoek 3 is overwogen, alsmede naar hetgeen hierna ten aanzien van verzoek 6 wordt overwogen. Het hof wijst het verzoek af. 4.2.8 Het verzoek om toegang tot de volledige Ennetcom- en PGPSafedata(sets) De verdediging heeft in haar toelichting op dit verzoek, in lijn met haar eerder gedane verzoek, gewezen op het recht van de verdachte op een eerlijk proces en het daaruit voortvloeiende beginsel van “equality of arms” en onder de aandacht gebracht dat het Openbaar Ministerie en de politie – anders dan de verdediging – wél toegang hebben tot deze data(sets) (pagina’s 47-48): “Echter die datasets zijn wel in het bezit van het openbaar ministerie en/of onderzoeksteam DeVink en Sassenheim waarbinnen ze verkregen zijn. Deze onderzoeksteams hebben in feite onbeperkte en in ieder geval vergaande toegang tot die data. Deze sets kunnen (en worden) ook daadwerkelijk onderzocht waarna relevant geachte data wordt gedeeld met andere onderzoeken (en landen). Dit levert de situatie op dat het openbaar ministerie en de politie, ook in onderhavig Marengo onderzoek, al dan niet van hun collega’s binnen deze in feite één en ondeelbare instanties, wel degelijk verdergaande mogelijkheden en toegang tot de datasets hebben dan de verdediging.” De verdediging heeft gesteld, zo begrijpt het hof, dat het samenstellen van de Marengodataset aan de hand van zoektermen, ingevoerd in de volledige Ennetcom- en PGPSafedatasets, risico’s voor de waarheidsvinding met zich brengt, namelijk het risico op tunnelvisie en het risico op onjuiste interpretatie van de berichten, en dat deze wijze van samenstellen bovendien onvoldoende wetenschappelijk is onderbouwd. Het is mede daarom in het belang van de verdediging om zelf onderzoek te kunnen doen in de volledige Ennetcom- en PGPSafedatasets. Daarbij heeft de verdediging gewezen op de uitspraken van het EHRM in de zaken Sigurður Einarsson e.a./IJsland en Yüksel Yalçinkaya/Turkije, alsmede de eerdergenoemde beslissing van het Obergericht des Kantons Zürich (Zwitserland). Het opgeven van zoektermen om de, naar het hof begrijpt, Marengodataset te laten uitbreiden met de resultaten ervan berust naar de overtuiging van de verdediging op een te grote mate van willekeur waarmee de waarheidsvinding en het zoeken naar ontlastend materiaal om zich effectief tegen de beschuldigingen te kunnen verweren onvoldoende gediend is. Voorts is de verdediging van mening dat privacybelangen van derden niet aan toewijzing van het verzoek in de weg mogen staan (pagina’s 49-50): “Eventuele belangen van derden die, door de keuze van politie en openbaar ministerie om op deze buitenproportionele en buitenwettelijke wijze ongericht de data van communicatie-gebruikers te verkrijgen, in hun privacy zijn geraakt, zijn niet de verantwoordelijkheid van deze verdediging (…). Een beperking op grond van de privacybelangen verdraagt zich blijkens voornoemde Europese rechtspraak (…) ook niet (met) het recht op een eerlijk proces en kan niet (voldoende) worden gecompenseerd door de mogelijkheid om zelf zoektermen op te geven.” Eerder gedaan verzoek Het hof stelt vast dat de verdediging eerder in de fase van het hoger beroep een soortgelijk verzoek heeft gedaan. Het hof heeft dat verzoek (verzoek 8) ter terechtzitting van 10 oktober 2024 als volgt afgewezen: “Met de advocaat-generaal wijst het hof in de eerste plaats op hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 28 juni 2022 in zijn beoordeling van het tweede cassatiemiddel heeft overwogen, zoals dat eerder door het hof is geciteerd. Voorts overweegt het hof dat de verdediging op grond van (de rechtspraak van het EHRM over) artikel 6 EVRM weliswaar in beginsel het recht heeft om toegang te verkrijgen tot al het materiaal dat zowel ten nadele als ten gunste van de verdachte kan worden gebruikt – waarbij het niet alleen gaat om “material evidence”, maar ook om “other evidence that might relate to the admissibility, reliability and completeness of the evidence” – maar dat dat recht niet absoluut is. Ten eerste is dit recht op toegang onderhevig aan beperkingen die worden gevonden in andere belangen, waaronder de noodzaak tot het beschermen van getuigen, (zwaarwegende) opsporingsbelangen en het recht op privacy van betrokkenen. Ten tweede mag van de verdediging worden verwacht dat zij, waar het gaat om verzochte toegang tot databestanden, gemotiveerd duidelijk maakt welke zoekacties relevant kunnen zijn. Het zo mogelijk voorkomen van “fishing expeditions” vormt onder omstandigheden een nadere beperking van dit recht op toegang. De advocaat-generaal heeft in zijn regiebrief, net zoals eerder de officier van justitie in eerste aanleg, gemotiveerd aangegeven welke bezwaren bestaan tegen inzage van de verdediging in alle ontsleutelde Ennetcom- en PGPSafe-data. Die bezwaren zien met name op de bescherming van de privacy en veiligheid van anderen. Voorts heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat het zaaks-Openbaar Ministerie in het onderzoek Marengo ook die inzage niet heeft. Net als de verdedigingen hebben de zaaksofficieren van justitie en de zaaksadvocaten-generaal enkel inzage (gehad) in de Marengo-dataset. (…) (…) Gelet op het voorgaande en nu de verdediging ten aanzien van de door haar gewenste zoekactie in alle ontsleutelde Ennetcom- en PGPSafe-data niet meer heeft aangevoerd dan “om deze zelfstandig op nader ontlastend materiaal te onderzoeken” is – indachtig het recht van de verdachte op een eerlijk proces – de noodzaak van toewijzing van het verzoek niet gebleken. (…) Ten overvloede merkt het hof ten aanzien van de Ennetcom-data nog op, dat ongeclausuleerde toegang tot die data bovendien in strijd zou komen met de door de Canadese rechter aan de overdracht van die data aan Nederland gestelde voorwaarden.” Beslissing Het hof neemt deze overwegingen over en voegt daar nog het volgende aan toe. Op 10 oktober 2024 heeft het hof bepaald dat de verdediging uiterlijk op 3 februari 2025 aan de advocaat-generaal eigen zoektermen kan aandragen ten behoeve van onderzoek in alle ontsleutelde Ennetcom- en PGPSafedata, waarbij het hof heeft verstaan dat de advocaat-generaal het ertoe zal leiden dat het verzochte onderzoek vervolgens wordt verricht. Het hof heeft voorts bepaald, dat ditzelfde geldt indien de verdediging van mening is dat de wijze waarop de Marengodataset is samengesteld niet juist of niet volledig zou zijn. Het hof stelt vast dat de verdediging van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt. Het hof is ook thans van oordeel dat de noodzaak van toewijzing van het verzoek niet is gebleken. In reactie op de hiervoor geciteerde stellingen van de verdediging overweegt het hof dat het in het kader van de ‘equality of arms’ gaat om de procespartijen en dat het zaaks-Openbaar Ministerie, net zoals de verdediging, geen inzage heeft in de volledige Ennetcom- en PGPSafedata(sets). Voorts overweegt het hof dat de verdediging met inzage in de Marengodataset (inclusief de metadata) en de PGP-dataset ‘eigen lijnen cliënt’ in staat moet worden geacht het in het procesdossier opgenomen bewijsmateriaal te kunnen controleren, in die zin dat moet kunnen worden gecontroleerd of geen sprake is van tunnelvisie en of bepaalde berichten niet onvolledig zijn of mogelijk onjuist worden geïnterpreteerd. Dat inzage in deze sets daarvoor niet toereikend zou zijn, is het hof – alle zaken van het onderzoek Marengo in aanmerking genomen – niet gebleken. Bovendien heeft voor de verdediging zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de gelegenheid bestaan eigen zoektermen aan te dragen ten behoeve van onderzoek in alle ontsleutelde Ennetcom- en PGPSafedata. Dat dit zou leiden tot een te grote mate van willekeur, zoals de verdediging stelt, vermag het hof voorshands niet in te zien en is het hof evenmin gebleken. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces niet dwingt tot toewijzing van het verzoek. Het hof heeft daarnaast ook rekening te houden met de rechten/privacybelangen van derden, mogelijke opsporingsbelangen in andere strafzaken en het voorkomen van “fishing expeditions”, die zich verzetten tegen ongeclausuleerde toegang tot de volledige Ennetcom- en PGPSafedata(sets). Het hof wijst daarom zowel het primaire als het subsidiaire verzoek af. 5. De verzoeken met betrekking tot de kroongetuige: de rechtmatigheid van de overeenkomst en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen 5.1 Inleidend In het bestek van de behandeling van de Marengo-zaken zijn – waar het door de Staat met de kroongetuige gesloten verklaringsovereenkomst en de door de kroongetuige afgelegde verklaringen betreft – tijdens het geding in eerste aanleg rechtmatigheids- en betrouwbaarheidsverweren gevoerd. En dat die verweren ook in hoger beroep aan de orde zullen zijn is door de verdediging in een aantal zaken meer of minder expliciet aangekondigd. In het licht van de inhoud van de hierna te bespreken verzoeken over dit onderwerp past ook op deze plaats een verwijzing naar wat het hof op 10 oktober 2024 inleidend heeft overwogen: “Eerder, ter terechtzitting van 19 juli 2024, heeft het hof als verbindend kenmerk van de strafzaken die onder de vlag Marengo zijn aangebracht de status van één van de in hoger beroep terechtstaande verdachten benoemd: de verdachte N.B. heeft in die zaken als kroongetuige verklaringen afgelegd. Bezien tegen de achtergrond van de vonnissen waarvan beroep, de inhoud van de schrifturen die namens de verdachten en door de officier van justitie zijn opgesteld en ingediend, en de in het verlengde daarvan geformuleerde verzoeken is de veronderstelling niet gewaagd dat ook in hoger beroep die status een onderwerp van beschouwing en beoordeling door het hof zal vormen, ambtshalve en/of op geleide van verweren. De verzoeken die namens de verdachten zijn gedaan, ofwel door deze met zoveel woorden te doen en te onderbouwen, ofwel door het zoeken van aansluiting bij in andere zaken geda

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.