afdeling strafrecht parketnummer: 23-001266-23 datum uitspraak: 6 november 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 april 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-264217-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof: de bewijsoverweging van de politierechter aanvult; de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de aanvulling op dit arrest, en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toevoegt aan de toepasselijke wetsartikelen. Aanvullende bewijsoverweging De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van de aangever en getuige [getuige 1] onbetrouwbaar zijn en daarom niet tot het bewijs kunnen dienen. Daarnaast meent de verdediging dat niet is voldaan aan het bewijsminimum, althans dat onvoldoende steunbewijs aanwezig is om tot een overtuiging te kunnen komen. Getuige [getuige 2] heeft bovendien verklaard dat de verdachte niemand heeft bedreigd en dat hij geen agressief gedrag vertoonde. Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever en getuige [getuige 1] . Deze verklaringen komen op essentiële punten overeen. Daarnaast hebben zij binnen een betrekkelijk korte tijd na het incident een verklaring afgelegd, waarin zij beiden benoemen dat sprake was van een agressieve situatie. Getuige [getuige 2] heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris in het geheel niet verklaard dat sprake was van agressie, wat niet valt te rijmen met voornoemde verklaringen. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij in een auto achter het busje van de verdachte reed, hetgeen in strijd is met de verklaringen van de aangever en getuige [getuige 1] , die verklaren dat zowel de verdachte als een tweede man uit het busje van de verdachte stapte. Bovendien heeft de verdachte zelf gedurende lange tijd niet willen verklaren, wat de overtuigingskracht van zijn verklaring niet ten goede komt. Al met al acht het hof daarom de verklaringen van de aangever en getuige [getuige 1] betrouwbaar en bezigt het deze voor het bewijs. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, te voldoen in twee termijnen van elk € 250,00 per maand. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 400,00, te voldoen in twee termijnen van € 200,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.