GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.322.048/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/703069/HA ZA 21-539 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 december 2025 in de zaak van [appellant 1] , gevestigd te [plaats 1] , optredend als gevolmachtigde van [appellant 2] , gevestigd te [plaats 2] , appellante, advocaten: mrs. M. Wolters en W.D.M. van Tuyll van Serooskerken te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , gevestigd te [plaats 3] , geïntimeerde, advocaat: mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam. Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd. 1De zaak in het kort [appellanten] heeft in totaal drie renteswaps bij [geïntimeerde] afgesloten, die haar door [geïntimeerde] zijn geadviseerd. Zij meent dat [geïntimeerde] daarbij is tekortgeschoten en daarom schadeplichtig is. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof komt tot een ander oordeel omdat [geïntimeerde] te laat en niet voldoende heeft gewaarschuwd voor de aan renteswaps verbonden risico’s. 2Het geding in hoger beroep [appellanten] is bij dagvaarding van 13 oktober 2022 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 20 juli 2022 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven van [appellanten] , met drie producties; - memorie van antwoord van [geïntimeerde] . Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 17 januari 2025 door hun advocaten laten toelichten, [geïntimeerde] mede door mr. A. Werts, advocaat te Amsterdam. Alle advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die bij de processtukken zijn gevoegd. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en – uitvoerbaar bij voorraad – tot het alsnog toewijzen van haar vordering die ertoe strekt dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat, kort gezegd omdat [geïntimeerde] verkeerd heeft gehandeld bij het adviseren en het afsluiten van renteswapcontracten met [appellanten] . Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente. 3Feiten De rechtbank heeft in de tweede paragraaf van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en aangevuld met wat in hoger beroep is gebleken, staat het volgende tussen partijen vast. 3.1 [appellanten] exploiteerde in 2006 een recyclingbedrijf en een wegenbouwbedrijf. De wegenbouwwerkzaamheden vonden door het hele land plaats. Het recyclingbedrijf werd uitgeoefend op een in 2004 voor circa € 3 miljoen aangeschaft perceel op een industrieterrein in [plaats 4] . Eind 2006 werd [appellanten] klant bij [geïntimeerde] . Voordien bankierde [appellanten] bij Rabobank. 3.2 Op 11 december 2006 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] een kredietfaciliteit verstrekt, bestaande uit: - een rekening-courantkrediet van € 600.000,00, - een obligokrediet van € 400.000,00 en - een 25-jarige Euribor-lening van € 3.000.000,00. De Euribor-lening moet worden terugbetaald in 300 maandelijkse termijnen van € 10.000,00 met ingang van 1 februari 2007 en er is een rente verschuldigd van éénmaands Euribor met een opslag van 0,90% per jaar. In het daartoe opgemaakte contract staat tevens een zogenaamde OTC-clausule [OTC = over the counter; hof], onder meer inhoudende dat [geïntimeerde] bereid is met [appellanten] derivatentransacties aan te gaan, waarop de “bijgesloten Algemene Bepalingen Derivatentransacties mei 2001” van toepassing zullen zijn en dat door ondertekening van het contract [appellanten] verklaart een exemplaar van die Algemene Bepalingen te hebben ontvangen. Tevens staat in het contract vermeld dat [geïntimeerde] ter informatie aan [appellanten] heeft verstrekt de brochure OTC-derivatentransactie en dat [appellanten] door ondertekening van het contract verklaart deze te hebben ontvangen. 3.3 Op 12 januari 2007 heeft [appellanten] bij [geïntimeerde] telefonisch een renteswap afgesloten erop neerkomend dat haar variabele renteverplichting voor een periode van 10 jaar (1 februari 2007 tot 1 februari 2017) werd geruild tegen een vaste rente van 4,35% voor een hoofdsom van € 1.495.000,00 aflopend tot € 900.000,00. 3.4 In een brief van 13 januari 2007 (de zogenoemde [naam] offerte) heeft [geïntimeerde] de werking van deze renteswap als volgt toegelicht: De Rente Swap De Rente Swap is een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en uw onderneming om, met betrekking tot een vooraf vastgestelde hoofdsom, gedurende een vooraf vastgestelde looptijd, de variabele rente te ruilen tegen een vaste rente. Schematisch ziet de Rente Swap er als volgt uit: (de pijlen geven de rentestromen weer) Werking van de Rente Swap Zoals uit het schema blijkt, loopt het Euribor uit de Rente Swap weg tegen het Euribor van de Euriborlening. Wat overblijft is de vaste rente, vermeerderd met een kredietopslag (wordt bepaald door de financierende instelling). 3.5 In het bijgesloten productinformatieblad renteswap staat onder meer het volgende vermeld: De koper kan een Rente Swap tussentijds beëindigen. Een positieve waarde wordt door ABN AMRO uitgekeerd, een negatieve waarde wordt in rekening gebracht. De waarde is afhankelijk van de marktomstandigheden op het moment van verkoop. De marktwaarde van de met u overeengekomen Rente Swap kan zich gedurende de looptijd zowel positief als negatief ontwikkelen. Als gevolg hiervan kan door [geïntimeerde] een zekerheidsstelling worden verlangd. Risico (…) Bij voortijdige beëindiging of tussentijdse wijziging van de onderliggende transactie, blijven de rechten en/of plichten voortvloeiende uit de Rente Swap onverminderd van kracht. Indien de daadwerkelijke renteontwikkeling afwijkt van uw verwachting, bestaat - achteraf gezien - het risico dat de keuze voor een andere strategie een betere oplossing zou zijn geweest. (...) ” 3.6 Op 13 september 2007 heeft [geïntimeerde] met een powerpoint presentatie [appellanten] voorgelicht over diverse mogelijkheden om renterisico’s te beperken. Hierin is de werking van zowel de renteswap als de rentecap toegelicht. Als nadeel van de renteswap wordt genoemd “marktveranderingen kunnen de waarde van de swap negatief beïnvloeden”. 3.7 Op 13 september 2007 heeft [appellanten] bij [geïntimeerde] een tweede renteswap afgesloten. In de daarop betrekking hebbende transactiebevestiging van dezelfde datum, die door [appellanten] voor akkoord is getekend, is vastgelegd dat [appellanten] haar variabele renteverplichting voor de periode van 1 oktober 2007 tot 1 februari 2017 ruilt tegen een vaste rente van 4,73% voor een hoofdsom van € 1.455.000,00 aflopend tot € 900.000,00. 3.8 In een brief van dezelfde datum, 13 september 2007, heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] nogmaals de werking van een renteswap uitgelegd. Als bijlage bij de brief is (nogmaals) het productinformatieblad renteswap gevoegd. 3.9 In februari 2009 heeft [geïntimeerde] het aan [appellanten] verstrekte krediet op haar verzoek verruimd. [appellanten] had meer krediet nodig om garanties aan overheden af te geven. De verruimde kredietfaciliteit hield in: - een rekening-courantkrediet van € 1 miljoen tegen de [geïntimeerde] euro basisrente, vermeerderd met een individuele opslag van 1,25% per jaar; - een obligokrediet van € 1 miljoen; - een 25-jarige Euriborlening van € 2,75 miljoen; - een 20-jarige Euriborlening van € 700.000,00 tegen de eenmaands Euriborrente, vermeerderd met een opslag van 9,9% per jaar. 3.10 De kredietfaciliteit is op 20 januari 2011 nogmaals gewijzigd. Er is toen in aanvulling op de eerdere kredieten aan [appellanten] onder meer een nieuwe vijfjarige Euriborlening van € 1 miljoen verstrekt, met handhaving van de in 2009 overeengekomen kredietvoorwaarden. 3.11 In een e-mail van 28 juni 2012 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] geschreven: (…) Onder referte aan ons telefonisch onderhoud van vanmiddag heb ik het volgende voorstel. De bestaande 2 renteswaps worden tegengesloten, tarieven voor deze swaps zijn 4,35% en 4,73%. We sluiten een nieuwe swap af voor een looptijd tot 01/07/2012 tot 01/07/2022 voor een prijs van 4,02%. Deze verlenging levert voor jullie een besparing op voor het eerste jaar van ruim 12.000 euro. (…) 3.12 Daarop zijn op 29 juni 2012 beide renteswaps voortijdig beëindigd en vervangen door één nieuwe renteswap. In de daarop betrekking hebbende transactiebevestiging van dezelfde datum, die door [appellanten] voor akkoord is getekend, is vastgelegd dat [appellanten] haar variabele renteverplichting (eenmaands Euribor) voor de periode van 2 juli 2012 tot 1 juli 2022 ruilt tegen een vaste rente van 4,06% voor een hoofdsom van € 2.340.000,00 aflopend met € 10.000,00 per maand tot € 1.150.000,00 op 1 juli 2022. 3.13 Op 1 juli 2012 heeft [appellanten] een Cliëntenprofiel [naam] en een Intake [naam] ingevuld, waarbij de brochure “Informatie Treasurydienstverlening [geïntimeerde] ” was gevoegd. Door ondertekening van dit formulier bevestigde [appellanten] deze brochure te hebben ontvangen. In deze brochure zijn opgenomen de “Algemene Bepalingen Derivatentransactie [geïntimeerde] ” en de “Voorwaarden Treasurydienstverlening [geïntimeerde] ”. 3.14 Rond 2016 heeft [appellanten] besloten te stoppen met wegenbouw. Haar recyclingbedrijf in [plaats 4] was meer winstgevend. 3.15 Bij brief van 1 februari 2016 heeft [appellanten] [geïntimeerde] geschreven dat zij meent dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de swaps haar zorgplicht heeft geschonden en gesteld dat zij daardoor schade heeft geleden waarvoor zij [geïntimeerde] aansprakelijk houdt. [geïntimeerde] heeft de ontvangst van deze brief op 9 februari 2016 bevestigd. 3.16 Op 30 november 2017 heeft [geïntimeerde] in het kader van het Uniform Herstelkader Rentederivaten (UHK) aan [appellanten] een voorlopig compensatieaanbod gedaan van € 100.000,00. Dit aanbod heeft [appellanten] geaccepteerd. 3.17 In juni 2018 heeft [appellanten] haar leningen en rekening-courantkrediet bij [geïntimeerde] opgezegd en is zij overgestapt naar ING. Op 15 juni 2018 is het onder 3.12 bedoelde swapcontract beëindigd. [geïntimeerde] heeft de negatieve waarde van het contract van op dat moment € 240.000,00 bij [appellanten] in rekening gebracht. 3.18 Op 5 maart 2019 heeft [geïntimeerde] aan [appellanten] in het kader van het UHK een definitief compensatieaanbod gedaan van € 100.000,00, waar [appellanten] niet op heeft gereageerd. [geïntimeerde] heeft daarop het voorschot van € 100.000,00 teruggevorderd. [appellanten] heeft dit bedrag terugbetaald. 4Eerste aanleg 4.1. [appellanten] heeft in eerste aanleg – samengevat – betoogd dat [geïntimeerde] in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld en daarmee jegens [appellanten] onrechtmatig heeft gehandeld althans jegens haar toerekenbaar tekort is geschoten door de swapcontracten af te sluiten, althans door haar onvolledig te informeren over de risico’s daarvan, althans door haar geen rentecaps te adviseren en daaromtrent een verklaring voor recht gevorderd. Verder heeft zij teruggevorderd de door haar “op de renteswapcontracten betaalde kasstromen” en de door haar betaalde negatieve waarde, nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten. 4.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen schending van de zorgplicht van [geïntimeerde] jegens [appellanten] kan worden vastgesteld en de vordering daarom afgewezen. Aan het door [geïntimeerde] gevoerde verjaringsverweer is de rechtbank niet toegekomen. 5Beoordeling 5.1 [appellanten] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Zij heeft onder meer gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat zij eind 2006 de behoefte had haar renterisico in te dekken. Zij was zelf niet op zoek naar een renteswap, [geïntimeerde] kwam met dat voorstel. De informatie die haar daarbij werd verstrekt, was onvoldoende, onder meer omdat er niet op duidelijke wijze werd uitgelegd dat de swaps bij aanvang al een negatieve startwaarde hadden vanwege de kosten die [geïntimeerde] meteen al in rekening bracht en omdat er niet goed werd gewaarschuwd voor de risico’s van een swap. De renteswap was voor haar onderneming dan ook een ongeschikt product, er waren betere alternatieven, zoals een rentecap, aldus [appellanten] . 5.2 De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. [geïntimeerde] is opgetreden als adviseur 5.3 Uit de stukken volgt dat de eerste renteswap aan de orde is gekomen toen [appellanten] overstapte van de Rabobank naar [geïntimeerde] . Door [appellanten] is onweersproken aangevoerd dat zij slechts op zoek was naar nieuwe financiering. Het voorstel om een swap af te sluiten kwam van een adviseur van [geïntimeerde] (de heer Helmond), die met haar contact opnam kort nadat zij op 11 december 2006 bij [geïntimeerde] drie nieuwe kredieten had afgesloten. Hij stelde een renteswap voor, die vervolgens op 12 januari 2007 is afgesloten. Op het moment dat zij door Helmond werd benaderd, had [appellanten] dus al het door haar gevraagde krediet van [geïntimeerde] gekregen. Er was door [geïntimeerde] dus niet verlangd dat zij het renterisico afdekte met een swap, terwijl ook niet is gebleken dat [appellanten] uit eigen beweging bij [geïntimeerde] om een renteswap heeft gevraagd. Hieruit volgt dat [geïntimeerde] als (ongevraagd) adviseur van [appellanten] is opgetreden. Bij de beoordeling van het handelen van een bank die optreedt als adviseur, gaat het er in beginsel om of [geïntimeerde] in haar rol van adviseur de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. De zorgplicht bij renteswaps 5.4 De zorgplicht van banken bij het adviseren en aanbieden van renteswaps is in de rechtspraak nader ingevuld. Een renteswap is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een risicovol financieel product. Op een bank die optreedt als professioneel aanbieder van een dergelijk product, rust vanwege haar maatschappelijke functie en deskundigheid een bijzondere zorgplicht. De reikwijdte van deze bijzondere zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaring van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s. Jegens een wederpartij die over renteswaps geen specifieke deskundigheid heeft of mag worden verondersteld te hebben, heeft [geïntimeerde] tevens een waarschuwingsplicht, die ertoe strekt die wederpartij te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht (vgl. HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, rov. 3.5.2-3.5.5). Als hieraan is voldaan, mag vervolgens van de wederpartij worden verwacht dat zij zich van haar kant redelijke inspanningen getroost om te voorkomen dat zij onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken contracteert. Van haar mag daarom in ieder geval worden verlangd dat zij kennisneemt van de inhoud van de overeenkomst en van voorafgaand aan het sluiten daarvan verstrekte brochures en andere schriftelijke informatie, en dat zij deze stukken aandachtig en met de nodige oplettendheid bestudeert. Ook mag van haar worden verlangd dat zij aandachtig kennisneemt van een eventuele mondelinge toelichting. Indien de genoemde stukken, ook na een eventuele mondelinge toelichting, onduidelijkheden bevatten, mag van haar worden verlangd dat zij daarover vragen stelt. Daarbij geldt dat men in de regel mag afgaan op de juistheid van de door de wederpartij gedane mededelingen (zie HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, rov. 3.5.2-3.5.4 en HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, rov. 4.4.4 en 4.4.5.). Van ondernemers mag naar het oordeel van het hof tot slot worden verwacht dat zij op (meer) professionele wijze beslissingen nemen dan particulieren en zich zo nodig door derden laten adviseren bij het nemen van bedrijfsbeslissingen van financiële aard. 5.5 Niet gesteld of gebleken is dat [appellanten] beschikte over enige kennis van renteswaps. Gezien de aard van haar onderneming, lag dat ook niet voor de hand. Op [geïntimeerde] rustte daardoor een verplichting om [appellanten] vóór het aangaan van de swapovereenkomsten te waarschuwen voor de risico’s van een renteswap. Daarna zou het, gelet op de hiervoor uiteengezette systematiek – kort gezegd – aan [appellanten] zijn om te bezien of zij een en ander voldoende overzag en of zij extern advies zou moeten inwinnen. Verder is voor deze zaak, waarin de swaps in 2007 en 2012 zijn afgesloten, van belang dat de aan renteswaps verbonden risico’s duidelijk aan het licht kwamen toen na de financiële crisis van 2008 de rentestand jarenlang uiterst laag bleef. Daardoor deed zich lange tijd het gevaar waartegen swaps beoogden te beschermen (een stijging van de variabele rente) feitelijk nauwelijks voor, maar had tegelijkertijd te gelden dat de swaps voor de banken zo waardevol werden (omdat zij konden profiteren van de lage variabele rentestand), dat die swapcontracten voor de afnemers een sterk negatieve waarde kregen. Afnemers hebben daar op verschillende manieren hinder van ondervonden, zoals een verhoging van de tussentijdse afkoopwaarde, een verlaging van de kredietruimte of een eis van [geïntimeerde] om extra zekerheden te stellen. Waarschuwingsplicht nagekomen? 5.6 Omdat [appellanten] stelt dat [geïntimeerde] haar zorgplicht heeft geschonden onder meer door onvoldoende te waarschuwen voor de risico’s, staat allereerst ter beoordeling of [geïntimeerde] voorafgaand aan het sluiten van de renteswaps [appellanten] voldoende heeft gewaarschuwd voor de daaraan verbonden risico’s en haar tijdig voldoende inlichtingen heeft verstrekt waarmee zij zichzelf heeft kunnen informeren. Er zijn door [appellanten] drie renteswaps afgesloten: een eerste in januari 2007, een tweede medio september 2007 en een derde – die de twee eerste swaps verving – eind juni 2012. De eerste twee swaps zijn dus afgesloten vóór aanvang van de kredietcrisis van 2008, terwijl de derde swap is afgesloten op een moment dat al langere tijd sprake was van een uiterst lage rentestand. [geïntimeerde] heeft in haar processtukken erop gewezen dat [appellanten] ook bij de aanpassingen van de kredieten, zoals bijvoorbeeld in 2009 is gebeurd, in de daarbij verstrekte documentatie is gewaarschuwd voor risico’s. Daaraan gaat het hof voorbij; het gaat erom of [geïntimeerde] voldoende heeft gewaarschuwd bij het aangaan van de drie renteswaps. 5.7 De informatie die [appellanten] is verstrekt bij het sluiten van de eerste renteswap bevat naar het oordeel van het hof geen waarschuwing voor de risico’s die verbonden zijn aan een renteswap. De in het kredietcontract van 11 december 2006 opgenomen OTC-derivaten clausule en de Algemene Bepalingen bevatten namelijk geen waarschuwing, terwijl de brochure OTC-derivatentransactie weliswaar in algemene termen waarschuwt voor risico’s die zijn verbonden aan derivatentransacties (zoals de hefboomwerking die kan optreden), maar geen enkele specifieke waarschuwing voor renteswaps bevat. Ook de [naam] offerte van 13 januari 2007 bevat geen waarschuwing; zij verwijst door naar het productinformatieblad Rente Swap. Maar ook dat stuk is wat betreft de risico’s die verbonden zijn aan een swap te vaag. Zo wordt alleen maar in algemene termen aangeduid dat een swap een positieve of een negatieve waarde kan krijgen, maar wordt niet uitgelegd hoe die waarde concreet wordt bepaald, waardoor de tekst voor [appellanten] , een ondernemer zonder enige kennis van renteswaps, onvoldoende begrijpelijk is. Daar komt bij dat de hier bedoelde informatie kennelijk pas is verstrekt daags nadat de overeenkomst op 12 januari 2007 was gesloten, waardoor [appellanten] de kans werd ontnomen zich een eigen beeld te vormen over de geadviseerde renteswap en daarover desgewenst extern advies in te winnen. Het hof is dan ook van oordeel dat [geïntimeerde] niet aan haar zorgplicht heeft voldaan bij het afsluiten van de eerste renteswap omdat niet is gebleken dat daaraan voorafgaand voldoende is gewaarschuwd voor risico’s die aan een renteswap zijn verbonden. 5.8 Bij het afsluiten van de tweede swap, ruim een half jaar later, is nogmaals min of meer dezelfde informatie als hiervoor bedoeld, verstrekt. Wel lijkt de informatie dit keer te zijn verstrekt op dezelfde dag als dat de overeenkomst werd gesloten en niet de dag erna. Bovendien mag ervan worden uitgegaan dat deze informatie al bekend was bij [appellanten] . Voor al deze informatie geldt echter nog steeds dat daarin niet voldoende wordt gewaarschuwd voor de risico’s verbonden aan een renteswap. De vraag is of dit anders is doordat op 13 september 2007 ook een powerpoint presentatie aan [appellanten] is gegeven. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. Daarin staan weliswaar op de vijfde sheet een aantal nadelen van renteswaps opgesomd, maar ook dit keer weer in algemene en vage bewoordingen. De drie onder het kopje “nadelen” opgesomde nadelen zijn: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.