afdeling strafrecht parketnummer: 23-001441-24 datum uitspraak: 11 december 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 71-167057-22 (hierna: zaak A) en 71-203763-23 (hierna: zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] . 1Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 en 24 oktober 2024, 6, 7, 8, 9, 27 en 30 oktober 2025 en 11 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden en de advocaten van de benadeelde partij en de spreekgerechtigde nabestaanden naar voren hebben gebracht. 2Tenlasteleggingen De tenlastelegging is tijdens de behandeling van de zaak door de rechtbank en in hoger beroep gewijzigd. Na deze wijzigingen is aan de verdachte (samengevat) tenlastegelegd dat: Zaak A 1. primairhij op 6 juli 2021 te Amsterdam in vereniging Peter R. de Vries heeft vermoord, welk feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk; 1. subsidiairhij in de periode 1 april 2021 tot en met 6 juli 2021 in Nederland (in vereniging) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] opzettelijk heeft uitgelokt om Peter R. de Vries te vermoorden, althans opzettelijk van het leven te beroven, welk feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk; Zaak B 1.hij op 5 en/of 6 juli 2021 in Nederland in vereniging een pistoolmitrailleur, een getransformeerd pistool en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, welk feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk; 2. primairhij in de periode 1 april 2021 tot en met 31 augustus 2021 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , en/of met een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (terroristische) misdrijven, te weten moord (met een terroristisch oogmerk), (zware) mishandeling met voorbedachten rade, heling en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (begaan met een terroristisch oogmerk); 2. subsidiairhij in de periode 1 april 2021 tot en met 31 augustus 2021 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, bestaande uit verdachte, verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 8] , en/of met een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (terroristische) misdrijven, te weten moord (met een terroristisch oogmerk), (zware) mishandeling met voorbedachten rade, heling en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (begaan met een terroristisch oogmerk). De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit arrest en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. 3Vonnis van de rechtbank Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt. 4Voorvragen 4.1 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), zodat (primair) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte of (subsidiair) alle ‘anonieme bevindingen’ moeten worden uitgesloten van het bewijs. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging ten eerste aangevoerd dat sprake is van een dossier dat nagenoeg volledig bestaat uit verklaringen van anonieme getuigen (in de autonome betekenis die het EHRM hanteert), terwijl het hof verplicht is om ten aanzien van iedere getuige zelf onderzoek te doen naar de noodzaak van anonimiteit en het hof dat heeft nagelaten. Reeds om die reden is volgens de verdediging geen sprake van een eerlijk proces. Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) kan worden afgeleid dat het uiteindelijk aan een rechter is om te beoordelen of er voldoende en goede gronden zijn de identiteit van een getuige verborgen te houden. Dat betekent echter niet dat in het geval een dossier voor een belangrijk deel bestaat uit verklaringen van anonieme getuigen, in die zin dat de naam van de getuige niet bekend is maar zij wel identificeerbaar zijn, de rechter van al die getuigen, dus ook van degenen van wie de verklaringen niet voor het bewijs tegen de verdachte worden gebruikt en die ook niet door de verdediging worden ondervraagd, zou moeten beoordelen of er voldoende en goede gronden zijn de identiteit verborgen te houden. Er is geen rechtsregel, jurisprudentie van het EHRM daaronder begrepen, die dat voorschrijft. Dit standpunt wordt dan ook verworpen. Het hof merkt daarbij op dat in het geval een getuige door de rechter wordt gehoord op dát moment, op grond van artikel 290 lid 1 Sv, wordt gevraagd naar (onder andere) zijn personalia, dan wel wordt beslist dat vragen daarnaar achterwege worden gelaten op de grond dat het vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd. Ter onderbouwing van het standpunt dat geen sprake is van een eerlijk proces heeft de verdediging ten tweede aangevoerd dat de voorliggende zaak in beslissende mate is gebaseerd op anoniem bewijs, terwijl de verdediging niet in staat is gesteld de belastende getuigen te ondervragen en van enige compensatie voor het ontbreken van de mogelijkheid tot het ondervragen van deze getuigen geen sprake is geweest. Het hof stelt vast dat het dossier voor een belangrijk deel uit verklaringen of schriftelijke verslagen bestaat van personen van wie de naam niet in het dossier is opgenomen. Het gaat samengevat om ooggetuigen, politieagenten en deskundigen. Deze personen kunnen wel geïndividualiseerd worden. Het hof verwijst in dat verband naar de overweging van de rechtbank ten aanzien van de (identificerende gegevens betreffende
- de)ooggetuigen, politieambtenaren en deskundigen, zoals weergegeven op pagina 9 en 10 van het vonnis. Zij kunnen dan ook worden opgeroepen als getuige. Dat is door de verdediging niet bestreden. Het betreft hier dan ook geen anonieme getuigen als bedoeld in artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Door de verdediging is ook uitdrukkelijk naar voren gebracht dat geen beroep wordt gedaan op de schending van de in dat artikel opgenomen bewijsregel voor het gebruik van anonieme getuigenverklaringen. Dat brengt het hof bij de kern van het verweer, namelijk dat de voorliggende zaak in beslissende mate is gebaseerd op verklaringen van getuigen (van wie de personalia niet uit het dossier blijken), terwijl de verdediging niet in staat is gesteld deze getuigen te ondervragen. Door de verdediging is bij appelschriftuur verzocht om ‘het horen van alle getuigen (te weten: alle verbalisanten, deskundigen en overige betrokkenen), die onder nummer en/of zonder identificerende gegevens in het dossier zijn opgevoerd en/of genoemd (zoals uiteengezet in het in eerste aanleg op dit punt gevoerde verweer)’. Op de regiezitting heeft de verdediging dit verzoek toegelicht en een lijst van 119 getuigen overgelegd. Deze toelichting houdt niet meer in dan de stelling dat alle in die lijst opgenomen getuigen belastend hebben verklaard (ten aanzien van zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] , die door dezelfde raadslieden wordt bijgestaan) en dat alle bevindingen van deze personen worden betwist. Het hof heeft vervolgens het verzoek tot het horen van al deze getuigen afgewezen. Verwezen wordt naar de motivering van die beslissing, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2024. Samengevat houdt de beslissing in dat (
- i)de stelling dat alle opgegeven getuigen ten aanzien van [verdachte] belastend hebben verklaard (en het verzoek dus niet nader hoeft te worden gemotiveerd) niet klopt, (
- ii)de verdediging de verklaringen van de opgegeven getuigen niet inhoudelijk heeft betwist en (iii) de verdediging heeft nagelaten te motiveren waarom (in het geval de belastende strekking van een verklaring niet aanstonds duidelijk
- is)en waarover de door haar opgegeven deskundigen en opsporingsambtenaren die technisch onderzoek hebben verricht zouden moeten worden gehoord. Het hof heeft de verdediging de gelegenheid geboden om alsnog een verzoek te doen tot het horen van getuigen en per getuige aan te geven dát – en zo nodig op grond waarvan – deze als een belastende getuige in de zaak tegen déze verdachte moet worden aangemerkt, en dat verzoek waar nodig te voorzien van een nadere motivering. Van die gelegenheid heeft de verdediging geen gebruik gemaakt. Niet binnen de daarvoor gestelde termijn en evenmin tijdens de latere inhoudelijke behandeling. Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft de verdediging nogmaals toegelicht dat (ook) een verzoek tot het horen van opsporingsambtenaren (naar het hof begrijpt: die technisch onderzoek hebben verricht) en deskundigen niet hoeft te worden gemotiveerd, als hun bevindingen belastend zijn voor de verdachte. Dat standpunt is in zijn algemeenheid onjuist. De Hoge Raad heeft zijn jurisprudentie op dit punt, die geldt voor zowel het verzoek tot het horen van een deskundige als het horen van een opsporingsambtenaar die technisch opsporingsonderzoek heeft verricht, recent verduidelijkt. Een verzoek tot het oproepen en horen van een deskundige mag niet worden afgewezen op de enkele grond dat een onderbouwing door de verdediging ontbreekt van het belang van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de deskundigenverklaring of het deskundigenverslag, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. Wel zal de verdediging moeten benoemen welke onderdelen van de belastende deskundigenverklaring zij betwist of aan ander onderzoek wil onderwerpen. Daarnaast moet worden toegelicht waarom dit onderzoek bij voorkeur in de vorm van het oproepen en horen van de deskundige zou moeten plaatsvinden, mede gelet op andere manieren van toetsing die (mogelijk) in aanmerking kunnen komen. Het verzoek van de verdediging tot het horen van opsporingsambtenaren die technisch opsporingsonderzoek hebben verricht en deskundigen voldoet niet aan deze eisen. Het hof heeft ambtshalve geen grond aanwezig geacht voor het oproepen en horen van één of meer opsporingsambtenaren of deskundigen. Dat laatste geldt ook voor de overige getuigen. Gelet op het voorgaande gaat de stelling dat de verdediging niet in staat is gesteld belastende getuigen te ondervragen niet op. Althans, is dat aan de verdediging zelf te wijten. Dat doet er echter niet aan af dat het hof zal moeten nagaan of de procedure tegen de verdachte in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, waaronder ook het recht van de verdachte om een belastende getuigenverklaring te (doen) onderzoeken. Hierbij stelt het hof voorop dat voor het bewijs tegen de verdachte geen gebruik is gemaakt van verklaringen van ooggetuigen van wie de identiteit niet in het dossier is vermeld. Met de afwijzing van het verzoek om 20 ooggetuigen op te roepen en te ondervragen is de verdediging dan ook niet in enig belang geschaad. Het hof heeft, zoals uit de verdere inhoud van dit arrest zal blijken, voor het bewijs van het tenlastegelegde gebruik gemaakt van verklaringen en bevindingen van opsporingsambtenaren die technisch onderzoek hebben verricht en verslagen van deskundigen. Terzijde merkt het hof op dat dit lang niet alle door de verdediging als getuige opgegeven opsporingsambtenaren en deskundigen betreft. Wat betreft de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de hier bedoelde getuigen geldt dus dat zij niet door de verdediging zijn gehoord. De Hoge Raad heeft in laatst genoemd arrest overwogen dat (
- a)als de verdediging het verzoek doet om een deskundige (opmerking hof: of opsporingsambtenaar die technisch onderzoek heeft verricht) op te roepen en te horen omdat deze deskundige een belastende verklaring heeft afgelegd, en (
- b)de rechter dit verzoek niet toewijst omdat de onderbouwing van het verzoek niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en de rechter ook ambtshalve geen grond aanwezig acht voor het oproepen en horen van de deskundige, (
- c)de rechter ervan blijk moet geven te hebben onderzocht of aan de verdediging op een andere manier gelegenheid moet worden geboden om de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaring te onderzoeken, en (
- d)– als die gelegenheid niet wordt geboden – de rechter moet motiveren dat en waarom de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Dat brengt het hof bij de vraag of aan de verdediging op een andere manier gelegenheid moet worden geboden om de betrouwbaarheid van de belastende deskundigenverklaringen en verklaringen van opsporingsambtenaren die technisch opsporingsonderzoek hebben verricht, te onderzoeken. Het hof stelt hierbij voorop dat het zelf geen enkele aanwijzing heeft gevonden te twijfelen aan de deskundigheid of de bevindingen en/of interpretaties van de hier bedoelde getuigen. Door de verdediging is ook geen enkel inhoudelijk argument naar voren gebracht die zo’n aanwijzing kan opleveren. Om een voorbeeld te geven: door de verdediging is verzocht de forensisch pathologen 758 en 977, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), op te roepen en te horen als getuigen. Deze forensisch pathologen hebben een rapport opgesteld, dat door het hof is gebruikt voor het bewijs. In dat rapport is geconcludeerd dat ‘het overlijden van Peter Rudolf de Vries zonder meer wordt verklaard door (de verwikkelingen van) een schotletsel door het hoofd’. Dat De Vries is neergeschoten en als gevolg van het daardoor opgelopen schotletsel enig tijd later is overleden, is door de verdediging op geen enkele wijze bestreden. Laat staan dat er argumenten naar voren zijn gebracht die aanleiding geven aan de betrouwbaarheid van de deskundigen of hun bevindingen omtrent de doodsoorzaak van De Vries te twijfelen. Waarom deze deskundigen gehoord zouden moeten worden, is dus een raadsel. Wat er van dit voorbeeld verder zij, door de verdediging is niet bepleit dat bepaalde – door het hof voor het bewijs gebruikte – verklaringen of verslagen moeten worden uitgesloten van het bewijs vanwege de onbetrouwbaarheid daarvan. Naar het oordeel van het hof bestond en bestaat er dan ook geen aanleiding nader onderzoek te (laten) doen. Dan komt het uiteindelijk aan op de vraag of de procedure tegen [verdachte] in haar geheel eerlijk is geweest. Die was heel eerlijk, concludeert het hof. Bij dat oordeel stelt het hof voorop dat personalia van de getuigen in het dossier zijn weggelaten uit veiligheidsoverwegingen, zoals toegelicht op pagina 9 van het vonnis van de rechtbank. In hoger beroep heeft het openbaar ministerie desgevraagd, en na intern overleg, het standpunt ingenomen dat een dreiging nog steeds voorstelbaar is. Toegegeven: dat is weinig concreet, maar bedacht moet worden dat het hier een voorzorgsmaatregel betreft en niet een beslissing om het tegen de verdachte ingebrachte bewijs te allen tijde anoniem te houden. Ook een aantal verdachten ziet veiligheidsrisico’s, zo heeft [medeverdachte 2] , tijdens de inhoudelijke behandeling verklaard dat hij op een extra beveiligde afdeling van hun penitentiaire inrichting zit, omdat er een dreiging op zijn leven zou zijn die verband houdt met deze zaak. Het is naar het oordeel van het hof onder deze omstandigheden dan ook goed voorstelbaar dat de keuze is gemaakt om ooggetuigen, die tegen wil en dank waarnemingen rond de schietpartij op de openbare weg hebben gedaan, in zekere zin afgeschermd te houden. Aangezien hun verklaringen niet zijn gebruikt voor het bewijs, heeft de verdediging hierdoor geen rechtens te respecteren nadeel ondervonden. Verder is het gebruikelijk dat opsporingsambtenaren die onderzoek doen naar georganiseerde vormen van zeer ernstige criminaliteit onder nummer werken, om te waarborgen dat zij hun werkzaamheden (ook in de toekomst) ongehinderd kunnen blijven uitvoeren. In het verlengde daarvan wekt het geen verwondering dat ook deskundigen in dit soort onderzoeken niet onder hun eigen naam willen rapporteren. Het hof herhaalt dat al deze getuigen individualiseerbaar zijn. Van elk van hen is bekend welke functie en bevoegdheden, dan wel deskundigheid, zij hebben. Het hof onderkent dat meer in het bijzonder ten aanzien van deskundigen geldt dat het onder omstandigheden van belang is te weten wie de desbetreffende deskundige is, bijvoorbeeld om te kunnen controleren of de deskundige daadwerkelijk deskundig is op zijn of haar vakgebied. Nog even daargelaten dat, zoals hierboven is toegelicht, bij een eventueel verhoor in beginsel naar de personalia van een deskundige zou zijn gevraagd, geldt dat alle door het openbaar ministerie ingeschakelde deskundigen stonden ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen. Dat laatste geldt kennelijk niet voor de door de rechter-commissaris ingeschakelde forensisch radioloog en beide forensisch pathologen. Alvorens hen te benoemen als deskundige heeft de rechter-commissaris hun deskundigheid beoordeeld aan de hand van een curriculum vitae. Het voorgaande leidt tot conclusie dat er een goede reden was om de personalia van de verschillende soorten getuigen niet in het dossier op te nemen en dat de omstandigheid dat die namen niet zijn opgenomen, niet van bepalende invloed is geweest op het proces tegen de verdachte. Meer in het bijzonder heeft het de verdediging niet beperkt in het kunnen oproepen van getuigen. Verder is van belang dat het bewijs tegen [verdachte] , anders dan de verdediging heeft gesteld, voor een wezenlijk deel bestaat uit niet-anonieme bewijsmiddelen. Dat betreft om te beginnen de verklaring van de getuige 5089. Hij wordt weliswaar vanwege beschermingsmaatregelen die zijn getroffen aangeduid met een nummer, maar zijn volledige personalia staan in het dossier en zijn bij de verdediging bekend. Daarnaast zijn in de bewijsconstructie de verklaringen belangrijk van de getuigen [getuige 1] , [persoon 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] . Deze getuigen hebben deels belastend verklaard, maar zijn ook van belang omdat zij (tezamen) de (betrouwbaarheid van
- de)verklaring van de getuige 5089 voor een belangrijk deel bevestigen. De getuigen 5089, [persoon 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] zijn door de verdediging (meerdere keren in het geval van de getuige 5089) effectief gehoord. De getuige [getuige 1] is ook door de verdediging gehoord, maar hij heeft zich op zijn verschoningsrecht beroepen. In het licht van alle overige bewijsmiddelen acht het hof de verklaring van [getuige 1] echter ook bruikbaar voor het bewijs. Bij het achterwege laten van zijn verklaring, zou aan de uiteindelijke bewijsvoering overigens ook geen afbreuk worden gedaan. In de bewijsvoering is verder de inhoud van het, nog te bespreken, berichtenverkeer van belang tussen de Google Pixel telefoons met Matrix id- nummer eindigend op *1212 (Matrix id *1212) en Matrix id-nummer eindigend op *4299 (Matrix id *4299). Het betreft hier versleutelde communicatie. De inhoud van dat versleutelde berichtenverkeer is door het NFI leesbaar gemaakt en de berichten zijn aan het dossier toegevoegd. Vooropgesteld wordt dat de inhoud van het berichtenverkeer het materiële bewijs tegen [verdachte] en de medeverdachten oplevert, niet de verklaring van de verbalisant R-172 die de verdediging wilde ondervragen. Hij heeft, samengevat, slechts de berichten in een proces-verbaal van bevindingen opgenomen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] de telefoon met Matrix id *1212 hebben gebruikt. Zij hebben beiden verklaard berichten te hebben verstuurd en hebben, voorzover zij zelf de verzender waren, de inhoud daarvan niet bestreden. In zoverre kloppen de onderzoeksresultaten van het NFI kennelijk. Belangrijker nog is dat ook door [verdachte] , die als de gebruiker van de telefoon met Matrix id *4299 kan worden aangemerkt, de inhoud van de door hem verstuurde berichten niet is bestreden. De verklaring van [verdachte] houdt slechts in dat hij deze berichten onder druk heeft verstuurd. Tot slot heeft het hof voor het bewijs gebruik gemaakt van een proces-verbaal van bevindingen waarin aan de hand van camerabeelden gebeurtenissen en tijdstippen zijn beschreven. Nog afgezien van het feit dat de verdediging ook deze bevindingen niet heeft weersproken, geldt dat de camerabeelden (die ook aan het dossier van de verdediging zijn toegevoegd) ter terechtzitting in eerste aanleg zijn afgespeeld en de verdediging dus in de gelegenheid is geweest de bevindingen te controleren en naar voren te brengen wat voor haar van belang was. Desgevraagd heeft de verdediging laten weten dat het opnieuw afspelen van de beelden ter terechtzitting in hoger beroep niet nodig was. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, dan wel bewijsuitsluiting moet worden verworpen. Verzoek inzage ‘volledige onderzoeksdossier’ De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan haar doelbewust informatie wordt onthouden die van belang is voor, zo begrijpt het hof, het beantwoorden van de vragen van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging op de eerste plaats gewezen op de permanente onthouding van processtukken op grond van artikel 149b Sv. De vordering van de officier van justitie en de beschikking van de rechter-commissaris zijn in het dossier gevoegd. Voor zover de verdediging heeft bedoeld inzage te krijgen (dan wel voeging, maar daar is niet expliciet om verzocht) in ook deze stukken, wordt dat verzoek afgewezen. In de beschikking heeft de rechter-commissaris immers vermeld dat de onthouden stukken geen ontlastende informatie bevatten. Van dit oordeel van de rechter-commissaris dient het hof uit te gaan, behoudens bijzondere omstandigheden, maar daarvan is niet gebleken. Overigens is in hoger beroep een deel van deze stukken inmiddels verstrekt, te weten de stukken uit het onderzoek 26Offenburg met daarmee tevens een deel van de stukken uit het onderzoek 26Sandbach. Deze stukken bevatten inderdaad geen voor de verdachte ontlastende feiten en omstandigheden. Belastend zijn deze overigens ook niet. Ten tweede heeft de verdediging aangevoerd dat er nog onderzoek loopt naar de opdrachtgevers van de moord op De Vries. Onderzoeksresultaten die minst genomen nog duidelijker hadden kunnen maken onder wat voor soort omstandigheden (het hof begrijpt: waaronder de druk die op de verdachte zou zijn uitgeoefend) de verdachte in deze zaak is betrokken, worden volgens de verdediging ten onrechte niet verstrekt. Hierdoor is er niet alleen een onvolledig beeld van de uitvoering, maar ook van de aansturing van de moord. De verdediging heeft daarom verzocht inzage te krijgen in ‘het volledige onderzoeksdossier, dat wil zeggen alle bevindingen die zijn gedaan in het kader van het onderzoek naar de dood van De Vries’. Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken is op grond van artikel 315 lid 1 Sv in verbinding met artikel 415 Sv of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van een beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Het gaat hierbij dus om de relevantie van die stukken. De verdediging kan – mede gelet op het in artikel 6 lid 3, aanhef en onder b, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte om te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en met het oog op het doen van een verzoek tot het voegen van stukken aan het dossier – ook een gemotiveerd verzoek doen tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken. Bij de beoordeling van zowel verzoeken tot het voegen van stukken bij de processtukken als verzoeken tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken, is onder meer van belang in hoeverre die stukken relevant (kunnen) zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen. Het verzoek van de verdediging voldoet niet aan de hierboven – verkort – weergegeven maatstaf voor de beoordeling van een verzoek als het onderhavige, omdat de verdediging slechts een zeer algemeen geformuleerd verzoek heeft gedaan. Van specifiek omschreven stukken is dus geen sprake. Het verzoek moet reeds daarom worden afgewezen. Voor het geval het verzoek tot inzage wordt afgewezen, heeft de verdediging subsidiair bepleit dat door het doelbewust onthouden van informatie aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces tekort wordt gedaan en daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. De stelling dat het openbaar ministerie doelbewust (naar het hof begrijpt: ontlastende of anderszins relevante) informatie achterhoudt, is onvoldoende onderbouwd. Dat er nog onderzoek plaatsvindt naar één of meer andere verdachten (opdrachtgevers) doet daar niet aan af. Het openbaar ministerie heeft laten weten dat zwaarwegende opsporingsbelangen zich verzetten tegen het verstrekken van nadere informatie over dat onderzoek. Het hof betrekt bij zijn oordeel verder dat volgens de verdediging met de ontbrekende informatie vragen zouden kunnen worden beantwoord, zoals: ‘Heeft [verdachte] berichten gestuurd of doorgestuurd?’, ‘Heeft [verdachte] de uitvoerders geregeld of is hij met hen in contact gekomen, nadat ze waren geregeld?’. Dat zijn echter vragen waar de verdachte bij uitstek zelf (een begin van een) antwoord op kan geven. In elk geval had het op zijn weg gelegen met de nodige mate van bepaaldheid aan te geven naar welke stukken de verdediging op zoek is, zodat eventueel had kunnen worden onderzocht of deze deel uit maken van onderzoek dat nog plaatsvindt. Het verweer wordt daarom verworpen. 4.2 Geldigheid van de dagvaarding De verdediging heeft aangevoerd dat de tenlastelegging met betrekking tot zaak B onder feit 2 primair en subsidiair (lidmaatschap van een criminele organisatie) nietig is, omdat deze onvoldoende duidelijk is. Het hof overweegt daarover het volgende. De rechter moet oordelen op de grondslag van de tenlastelegging. Het doel van de tenlastelegging is om voor de procesdeelnemers – de rechter, het openbaar ministerie, de verdachte en eventueel de benadeelde partij – duidelijk vast te leggen wat de inzet van de strafzaak is en de te volgen beslissingsstructuur. Met het oog daarop moet de dagvaarding op grond van artikel 261 Sv een opgave bevatten van het feit dat ten laste wordt gelegd. Bij die opgave wordt vermeld omstreeks welke tijd, waar en onder welke omstandigheden het feit zou zijn begaan. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan – samengevat – een criminele organisatie die bestond uit een aantal met name genoemde personen en/of één of meer anderen. In de tenlastelegging is ook beschreven wat het (criminele) oogmerk van de organisatie was. Daarmee is voor de verdachte duidelijk waartegen hij zich moet verdedigen, wat de inzet is van de strafzaak en wat de rechter moet beoordelen. Dat de tenlastelegging niet de identiteit noemt van de ‘één/of meer anderen’, maakt geen verschil. Of op grond van de dossierstukken bewijs volgt van de betrokkenheid van één of meer anderen, en wie dat eventueel zijn, is een vraag die aan de orde komt bij de beoordeling of de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Om ervoor te zorgen dat die beslissing geen verrassing is, is het nodig dat het bewijs dat daarvoor zou kunnen dienen, op de zitting wordt besproken. De verdediging heeft aangevoerd dat de tenlastelegging zo kan worden ‘gestreept’ dat een kleinere criminele organisatie bewezen wordt verklaard, terwijl de tenlastelegging in de zaken van medeverdachten zo kan worden ‘gestreept’ dat een ándere kleinere criminele organisatie wordt bewezen verklaard. Volgens de verdediging kunnen er dus meerdere criminele organisaties ten laste zijn gelegd, terwijl niet onduidelijk mag zijn welke criminele organisatie ten laste is gelegd. Het hof volgt dat standpunt niet. Het gaat om de vraag of de tenlastelegging in de zaak van de verdachte duidelijk is. Voor de uitleg van die tenlastelegging is niet van belang hoe een bewezenverklaring in de strafzaak van een medeverdachte eruit zou kunnen zien. Het hof leest de tenlastelegging van feit 2 zo dat dat de criminele organisatie bestaat uit de verdachte, alle met naam genoemde personen en/of één of meer anderen. Of uit de verdachte en één of meerdere van die met naam genoemde personen en/of één of meer anderen. Het openbaar ministerie heeft voor de zekerheid in hoger beroep subsidiair nog ten laste gelegd dat de verdachte heeft deelgenomen aan een kleinere criminele organisatie, door een aantal met naam genoemde personen uit deze variant weg te laten. Deze toevoeging aan de tenlastelegging was dus overbodig. Dit alles betekent dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is. Het hof verwerpt daarom het verweer dat de tenlastelegging nietig is. 5Onderzoeken Iraklia en Hendon Op 6 juli 2021 werd Peter R. de Vries neergeschoten in het centrum van Amsterdam. Op 15 juli 2021 overleed hij aan zijn verwondingen. Binnen een uur na de moordaanslag zijn de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. Het opsporingsonderzoek naar hun betrokkenheid betreft het onderzoek Iraklia. Niet veel later is ook een onderzoek gestart naar mogelijk andere betrokkenen. Dat betreft het onderzoek Hendon. Naar aanleiding van dat onderzoek zijn op een veel later moment de medeverdachten [verdachte] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] aangehouden. De rechtbank heeft uiteindelijk – nadat het onderzoek ter terechtzitting tegen de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bijna was afgerond – de zaken tegen alle verdachten tegelijkertijd behandeld. De strafzaken tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebbend daardoor wel extra lang geduurd. De rechtbank heeft de dossiers samengevoegd en ook processen-verbaal van de zittingen van de rechtbank over en weer gevoegd in de zaken tegen de verschillende verdachten. Het hof heeft dus de beschikking over één dossier. Op grond daarvan verwijt het openbaar ministerie de verdachten op verschillende manieren betrokkenheid bij de moord op De Vries en/of deelneming aan een criminele organisatie. In hoger beroep heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte samen met anderen De Vries heeft vermoord, in het bezit was van vuurwapens en dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had het plegen van zware geweldsmisdrijven, waaronder moord. Het hof zal de vraag moeten beantwoorden of de verdachte daarvoor moet worden veroordeeld. Voor de leesbaarheid worden de verdachte en de medeverdachten (ook) met naam genoemd. 6Beoordeling van het bewijs 6.1 Identificatie gebruikers telefoons en telefoonnummers In het dossier zijn verschillende telefoons en telefoonnummers beschreven. Uit de bewijsmiddelen volgt welke telefoon en welk telefoonnummer, op welk moment, in gebruik was bij een verdachte. Het hof stelt vast dat de navolgende telefoonnummers en Matrix id-nummers in gebruik waren bij de daarachter genoemde verdachten. Hiertegen is geen verweer gevoerd. [telefoonnummer 1] in gebruik bij [medeverdachte 2] ; [telefoonnummer 2] (Matrix
- id)in gebruik bij [medeverdachte 2] ; [telefoonnummer 3] in gebruik bij [medeverdachte 1] ; [telefoonnummer 4] in gebruik bij [medeverdachte 1] ; [telefoonnummer 5] in gebruik bij [medeverdachte 1] ; [telefoonnummer 2] (Matrix
- id)in gebruik bij [medeverdachte 1] ; [telefoonnummer 6] in gebruik bij [verdachte] ; [telefoonnummer 7] in gebruik bij [verdachte] ; [telefoonnummer 8] (Matrix-
- id)in gebruik bij [verdachte] ; [telefoonnummer 9] in gebruik bij [verdachte] ; [telefoonnummer 10] (Matrix-
- id)in gebruik bij [verdachte] ; [telefoonnummer 11] in gebruik bij [medeverdachte 8] ; [telefoonnummer 12] in gebruik bij [medeverdachte 8] ; [telefoonnummer 2] (Matrix
- id)in gebruik bij [medeverdachte 8] . 6.2 Feiten en omstandigheden RTL Boulevard is een televisieprogramma dat elke werkdag van 18.35 tot ongeveer 19.30 uur wordt opgenomen en live op de televisie wordt uitgezonden. De studio van RTL Boulevard ligt aan het Leidseplein in Amsterdam. De achteruitgang ligt aan de Lange Leidsedwarsstraat. Tegenover deze uitgang ligt de nooduitgang van een McDonalds. Deze McDonalds is gevestigd aan de Leidsestraat. Peter R. de Vries was zeer regelmatig te gast bij RTL Boulevard. Op dinsdag 6 juli 2021 is De Vries rond 19:30 uur kort na een gastoptreden bij RTL Boulevard neergeschoten op de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam. Hij verliet kort daarvoor de studio van RTL Boulevard via de achteruitgang. De Vries was op weg naar zijn auto die geparkeerd stond in parkeergarage De Hoofdstad. Op 15 juli 2021 is De Vries aan zijn schotverwondingen overleden. De Vries was een bekende misdaadverslaggever. Ook stond hij als adviseur en vertrouwenspersoon de kroongetuige bij in het Marengo proces. Het hof heeft het hierna over de moord op De Vries, omdat uit de bewijsvoering blijkt van een vooropgezet plan om De Vries van het leven te beroven, en daarmee van voorbedachte raad. Op grond van de inhoud van het dossier en wat ter terechtzitting is besproken stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast die voor de beoordeling van de beschuldiging relevant zijn. Gebeurtenissen voorafgaand aan de moord op De Vries April 2021 – [verdachte] zoekt mensen om een journalist te volgen en dood te schieten Uit de verklaring van de getuige 5089 volgt dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat [verdachte] vanaf april 2021 op zoek was naar een journalist en iemand om die journalist dood te schieten. Vanaf mei 2021 werden er foto’s van de journalist gemaakt en werd er achter hem aangereden. [verdachte] heeft dit aan de getuige 5089 gevraagd en ook aan de getuige [getuige 1] . Vanaf juni 2021 was [medeverdachte 1] bezig met het volgen van de journalist om hem dood te schieten. [verdachte] zou dit doen voor ‘oom’, een Marokkaanse man voor wie hij werkte en die in de gevangenis zat. De journalist moest worden doodgeschoten omdat hij samenwerkte met de kroongetuige in een zaak tegen de Marokkaanse man. Daarvoor hadden ze de broer van de kroongetuige doodgeschoten en nu zou de journalist aan de beurt zijn. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] hem, ongeveer twee maanden voordat De Vries is neergeschoten, heeft gevraagd om een paar foto’s te maken van een meneer die uit een kantoorpand kwam. De getuige [getuige 1] kwam er later achter dat het om De Vries ging. Nadat De Vries was neergeschoten, heeft hij van [verdachte] gehoord wat er is gebeurd (het hof begrijpt: dat [verdachte] betrokken was bij de moord). [verdachte] liep ermee te pronken, en ook over de man voor wie hij werkte en die hij ‘oom’ noemde. 21 tot en met 28 juni 2021 – [medeverdachte 1] moet De Vries doodschieten De getuige 5089 heeft verklaard dat [verdachte] aan hem heeft verteld dat [medeverdachte 1] vanaf juni 2021 de journalist ging volgen om hem dood te schieten, maar dat hij waarschijnlijk bang was en dat [verdachte] iemand anders moest vinden. [medeverdachte 1] moest toen als chauffeur rijden. [medeverdachte 1] heeft op de terechtzitting in hoger beroep, als getuige, verklaard dat hij op 21, 23, 24, 25, 27 en 28 juni 2021 in Amsterdam aanwezig was om De Vries te doden en dat hij in dat verband beschikte over vuurwapens en een Matrix telefoon. Hij heeft gedurende die tijd De Vries drie keer gezien en is achter De Vries aangelopen nadat De Vries de studio van RTL Boulevard verliet. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij niet de schutter wilde zijn, maar dat hij zich niet terug mocht trekken. Bevindingen met betrekking tot de Renault Kadjar Tussen 19 en 20 juni 2021 is een zilvergrijze Renault Kadjar met [kenteken 1] in Hoofddorp gestolen. Deze Renault Kadjar heeft een infotainmentsysteem dat wordt ingeschakeld zodra het contact van de auto wordt ingeschakeld. Uit dit infotainmentsysteem blijkt dat de auto op verschillende tijdstippen tussen 21 en 27 juni 2021 is gestart. De auto staat dan telkens onder bereik van zendmasten die dekking geven aan de [adres] in Utrecht. Op 27 juni 2021 is de auto om 01:52 uur gestart. De auto staat op dat moment nog steeds onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres] in Utrecht. Om 02:12 uur staat het nummer van [persoon 2] , en om 02:29 uur het nummer van [verdachte] , ook onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres] . [persoon 2] heeft verklaard dat hij en [verdachte] jeugdvrienden zijn. Op 3 juli 2021 om 16:41 uur is het [kenteken 2] van een Renault Kadjar bevraagd door een politieambtenaar die zich op dat moment op de [adres] bevond. Op 6 juli 2021 worden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangehouden in de Renault Kadjar. Dit betreft de Renault Kadjar die rond 20 juni 2021 is gestolen in Hoofddorp. De Renault Kadjar is op dat moment voorzien van vervalste kentekenplaten met [kenteken 2] . Op de valse kentekenplaten zijn vingerafdrukken van [persoon 2] aangetroffen. Het hof stelt vast dat de Renault Kadjar die rond 20 juni 2021 in Hoofddorp is gestolen, is ‘koud gezet’ op de [adres] in Utrecht en daarna is voorzien van de valse kentekenplaten. 5 juli 2021 – de dag voor de moord op De Vries [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] rijden naar Alphen aan den Rijn om wapens te halen Op 5 juli 2021 om 14:48 uur ontvangt [verdachte] van [persoon 3] een SMS-bericht met het telefoonnummer van [medeverdachte 8] . [medeverdachte 8] woonde op dat moment op de [adres 1] te Rotterdam. Om 15:20 uur wordt de auto van [persoon 1] geregistreerd op de [adres 2] in Rotterdam in de richting van [adres 3] en één minuut later straalt het nummer van [persoon 1] een zendmast aan die dekking geeft aan de [adres 2] . Om 15:23 uur straalt het nummer van [verdachte] een zendmast aan in diezelfde omgeving en om 15:35 uur straalt het nummer van [verdachte] een zendmast aan die dekking geeft aan de [adres 1] in Rotterdam. Om 16:05 uur stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 1] een SMS-bericht met als inhoud: ‘ [adres] ’. Om 16:51 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . Op dat moment maken beide nummers gebruik van zendmasten die dekking geven aan de [adres] in Utrecht. Om 16:56 uur wordt [persoon 1] gebeld en op dat moment staat zijn nummer eveneens onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres] in Utrecht. Om 17:01 uur wordt de Renault Kadjar gestart. Op dat moment staat de auto onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres] . Om 17:09 uur begint een chatgesprek tussen de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer eindigend op *1212 en de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer eindigend op*4299, waarvan het hof heeft vastgesteld dat deze bij [verdachte] in gebruik was. De volgende chatberichten – die zijn vertaald vanuit het Pools naar het Nederlands – worden op 5 juli 2021verstuurd: 17:06 uur *1212: Oké 17:10 uur *1212: Ik weet alles 17:17 uur *1212: Stuur me de foto’s Allemaal 17:21 uur *1212: Van die lul 17:34 uur *1212: We zijn al aan het rijden In de Google Pixel telefoon met het Matrix id-nummer eindigend op *1212 zijn drie fotobestanden aangetroffen waarop De Vries is te zien. Deze fotobestanden hebben de tijdstempels: 5 juli 2021 om 17:24 uur. Op 5 juli 2021 om 17:38 uur maakt de Renault Kadjar een snelheidsovertreding op de N11 in Alphen aan den Rijn. Het chatgesprek gaat verder. Er worden onder meer de volgende berichten verstuurd: 18:25 uur *1212 We zijn er 18:34 uur 18:38 uur 18:43 uur *1212 [verdachte] [Ik] ga er naartoe Maatje [ga] naar Golf 4 een zwarte zal [er] in zitten [bedrijf] 18:44 uur [verdachte] Zilverkleurige Golf 4 18:49 uur *1212 Ik zie 18:52 uur [verdachte] Maak in de auto een foto van wat je gekregen hebt 18:55 uur [verdachte] Maatje die ene is er niet jullie moeten morgen daar naar toe 18:55 uur [verdachte] Het wapen naar huis brengen en de auto achterlaten 18:58 uur [verdachte] Verdomme maar je moet niet met het wapen spelen 18:58 uur [medeverdachte 8] : Ik weet het 19:05 uur [medeverdachte 8] Luister er is geen demper 19:06 uur [medeverdachte 8] Kun je niet voor morgen regelen? De Vries was op maandag 5 juli 2021 niet in de uitzending van RTL Boulevard. [medeverdachte 8] heeft op terechtzitting in hoger beroep, als getuige, verklaard dat hij op 5 juli 2021 is benaderd met de vraag of hij geld wilde verdienen voor een klus. Hij is die dag met een auto opgehaald vlakbij zijn woning in Rotterdam. In de auto is hem verteld dat de klus een liquidatie betrof. Hij ontving een Google Pixel telefoon met een pincode en een wachtwoord. In Utrecht is hij overgestapt in een andere auto. In deze auto zat één ander persoon die de auto bestuurde. Het was de bedoeling dat de liquidatie op 5 juli 2021 zou plaatsvinden. Hij is vervolgens met die andere persoon naar een plek gereden om wapens op te halen. Nadat de wapens in de auto lagen, heeft hij de Google Pixel telefoon gebruikt. Hij kreeg een bericht dat de liquidatie die dag niet doorging. Hij is naar huis gebracht en heeft de telefoon en de vuurwapens meegenomen. De dag daarop zou hij weer opgehaald worden om de liquidatie alsnog uit te voeren. De getuige [persoon 1] heeft verklaard dat hij met [verdachte] (het hof begrijpt op 5 juli 2021) naar Rotterdam is gereden en dat zij daarna een Pool (het hof begrijpt: die in Rotterdam is ingestapt) hebben afgezet in Utrecht. [medeverdachte 1] heeft op de terechtzitting in hoger beroep, als getuige, verklaard dat hij op 5 juli 2021 naar Alphen aan den Rijn is gereden om wapens op te halen. Hij zou vervolgens met iemand naar Amsterdam rijden, maar kreeg onderweg de opdracht dat het niet meer hoefde. Hij heeft de persoon toen afgezet en is met de auto naar Tiel gereden. Het hof leidt uit het voorgaande af dat [medeverdachte 8] na het afhaken van [medeverdachte 1] als schutter de opdracht heeft gekregen De Vries dood te schieten. Hij is door [verdachte] en [persoon 1] van Rotterdam naar de [adres] in Utrecht gebracht. Onderweg heeft [medeverdachte 8] van [verdachte] de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer *1212 gekregen. In Utrecht is [medeverdachte 8] overgestapt in de gestolen Renault Kadjar die door [medeverdachte 1] werd bestuurd. [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] zijn vervolgens naar Alphen aan den Rijn gereden om vuurwapens op te halen. Tijdens de reis onderhield [verdachte] contact via de Google Pixel telefoon eindigend op id-nummer *4299 en gaf hij instructies. Het was de bedoeling om met de in Alphen aan den Rijn opgehaalde vuurwapens De Vries dood te schieten. Dat ging niet door omdat De Vries die dag niet bij RTL Boulevard te gast was. 6 juli 2021 - de dag van de moord op De vries [medeverdachte 8] trekt zich terug als schutter en [verdachte] vindt iemand anders Op 6 juli 2021 om 10:21 uur start het chatgesprek tussen de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer *1212, op dat moment in gebruik bij [medeverdachte 8] , en de Google Pixel telefoon met Matrix id-nummer *4299, in gebruik bij [verdachte] . De volgende berichten worden verstuurd: 10:21 uur [medeverdachte 8] Laat die vent [in het Pools: ‘ziomek’ – betekent letterlijk landgenoot] eerder komen 10:22 uur [medeverdachte 8] Zonder de uitlaatdemper is het een zeer linke boel het gaat zo tekeer dat de hele stad aan het trillen is 10:36 uur [verdachte] Hahaha maatje hij zal komen Je kunt je nu niet terugtrekken 10:39 uur [medeverdachte 8] Je hebt helemaal niet gezegd dat dit het centrum is ik ben niet wanhopig als iets doen dan goed laat hem komen ik zal dit allemaal aan hem geven en kom even langs om te praten als je wilt ik zal je alles vertellen hoe het eruit ziet 10:50 uur [verdachte] Maatje ben je nu aan het dollen 10:50 uur [verdachte] Verdomme volgens mij wil je dat ze mij gaan gaan afschieten 10:53 uur [medeverdachte 8] Wat zeg je nou laat die vent [in het Pools: ‘ziomek’, betekent letterlijk: ‘landgenoot’] even langskomen hij wilde hij heeft slechts een chauffeur nodig dit moet anders gedaan worden zoals ik [het zie] nou zoals nu is het met alle zekerheid de gevangenis dit zeg ik eerlijk tegen je bek 10:54 uur [medeverdachte 8] Ik ben daar nergens aan geweest alles is zoals het was het mobieltje zal ik ook aan hem geven 10:58 uur [verdachte] Verdomme ik wist dat het zo zou gaan wat een tering zooi Om 11:38 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 2] en vindt er een gesprek van 106 seconden plaats. Het nummer van [verdachte] staat op dat moment onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan zijn woonadres in [woonplaats] . Het nummer van [medeverdachte 2] staat op dat moment onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan zijn verblijfadres in Rotterdam. Het chatgesprek tussen [medeverdachte 8] en [verdachte] vervolgt: 11:42 uur [verdachte] Ben je er 11:43 uur 11:44 uur [verdachte] Ik heb iemand die het gaat doen Verdomme ik heb iemand gevonden die het gaat doen 11:45 uur [medeverdachte 8] Bek maar ik zeg het eerlijk tegen je het zou goed zijn als je een uitlaatdemper zou regelen 11:46 uur [verdachte] Jajaja de pot op Ik heb iemand anders Die dat gaat doen 11:46 uur [medeverdachte 8] Ik ben thuis 11:46 uur [verdachte] Maar je moet niet slapen Hij zal het komen halen 11:46 uur 11:47 uur [medeverdachte 8] Geef een seintje Ik zal wachten 13:21 uur [verdachte] Ben je er 13:43 uur [medeverdachte 8] Ik ben er Ik ben aan het wachten Ik was aan het douchen 14:55 uur [verdachte] Ik zal daar zijn vóór 4 [uur] De auto van [persoon 1] wordt om 16:25 uur geregistreerd op de [adres 4] in Rotterdam. Op 6 juli 2021 om 14:54 uur stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 1] een SMS-bericht met de tekst ‘ [adres 5] Rotterdam’. [verdachte] heeft eerder die dag, om 13:26 uur, een bericht met daarin dit adres ontvangen van het nummer van [persoon 3] . Het adres is vlakbij de woning van [medeverdachte 8] . Om 15:02 uur wordt de Renault Kadjar gestart, die op dat moment een zendmast in Tiel aanstraalt die gedeeltelijk hetzelfde dekkingsgebied heeft als de zendmast waar het nummer van [medeverdachte 1] om 14:53 uur aanstraalt. Om 16:09 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . Op dat moment staat het nummer van [medeverdachte 1] onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres 1] in Rotterdam. Eén van de laatste bestemmingen ingevoerd in het Automotive systeem van de Renault Kadjar is het adres [adres 3] in Rotterdam. Om 16:29 uur staat de Renault Kadjar onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres 1] en het [adres 3] in Rotterdam. De Google Pixel telefoon waarmee [medeverdachte 8] communiceert start een datasessie. De volgende berichten tussen [medeverdachte 8] en [verdachte] worden verstuurd: 16:02 uur [medeverdachte 8] Moet ik al naar buiten komen 16:03 uur [verdachte] nee Blijf wachten Ik ben er bijna 16:03 uur [medeverdachte 8] Kom naar dezelfde [plaats] als gisteren 16:05 uur [medeverdachte 8] Mocht er iets zijn dan zal ik naar buiten komen, nou ja [persoon 3] heeft je het adres gestuurd, de flat ernaast 16:05 uur [verdachte] Oké 16:05 uur [medeverdachte 8] Moet ik hem die telefoon geven 16:06 uur [medeverdachte 8] ook? 16:06 uur [verdachte] Ja 16:06 uur [medeverdachte 8] Oké stuur mij dan een berichtje als ik naar buiten moet komen 16:15 uur [verdachte] Waar is de benzine 16:15 uur [medeverdachte 8] In de auto 16:16 uur [medeverdachte 8] Moet dit allemaal meegenomen worden 16:17 uur 16:18 uur [verdachte] Ja maar blijf wachten Ik zal je een berichtje sturen over hoeveel [tijd] je naar buiten moet komen 16:24 uur [verdachte] Die vent [letterlijk: 'landgenoot’] staat daar waar hij met hem had afgesproken Gisteren Op de hoek 16:25 uur [medeverdachte 8] Oké Ik ga lopen Moet ik alles aan hem geven Met de telefoon? 16:25 uur [verdachte] Tal [geen bestaand Pools woord, had vermoedelijk moeten zijn: ‘ Tak’ - betekent: ‘Ja’] En zeg ook wat het wachtwoord is 16:28 uur [verdachte] Ben je al met hem Ik heb 3 minuten 16:32 uur [verdachte] Waar zijn jullie verdomme Er is geen tijd Om 16:33 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . Beide nummers staan op dat moment onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres 1] . Het nummer van [medeverdachte 2] staat om 16:41 uur eveneens onder bereik van een zendmast die dekking geeft aan de [adres 1] en het [adres 3] in Rotterdam. Om 16:49: uur, wordt de Renault Kadjar geregistreerd op de [adres 4] in Rotterdam en vervolgens om 16:51 uur in de Maastunnel. [medeverdachte 8] heeft verklaard dat hij op 6 juli 2021 in de ochtend met de Google Pixel telefoon een bericht heeft gestuurd waarin hij zich terugtrok als schutter. Hij moest de Google Pixel telefoon en vuurwapens toen teruggeven en heeft deze naar de auto gebracht. De getuige [persoon 1] heeft verklaard dat hij op de dag van de moord [verdachte] heeft opgehaald en dat ze naar het huis van ‘ [medeverdachte 2] ’ zijn gegaan in Rotterdam, waar zij [medeverdachte 2] hebben opgehaald. Mensen noemen [medeverdachte 2] op straat ‘Demper’. [persoon 1] heeft [medeverdachte 2] van een foto herkend als de door hem bedoelde ‘Demper’. Vervolgens hebben zij met z’n drieën een kort ritje in Rotterdam gereden en daarna zijn [verdachte] en ‘Demper’ uitgestapt. [verdachte] is later weer bij hem ingestapt en toen zijn zij naar Tiel gegaan. De bijnaam van [medeverdachte 2] is Demper. Het hof stelt vast dat, nadat [medeverdachte 8] zich terug had getrokken als schutter, [verdachte] een andere schutter heeft gevonden: [medeverdachte 2] . [verdachte] is vervolgens met [persoon 1] meegereden naar Rotterdam. In Rotterdam hebben zij [medeverdachte 2] opgehaald en naar de omgeving van de [adres 1] en het [adres 3] gebracht. [medeverdachte 1] is met de gestolen Renault Kadjar ook naar de omgeving van de [adres 1] en het [adres 3] gereden. [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] hebben elkaar daar ontmoet. [medeverdachte 8] heeft de Google Pixel-telefoon en de wapens aan [medeverdachte 1] gegeven. [medeverdachte 2] , zoals ook volgt uit de hierna te noemen feiten en omstandigheden, is bij [medeverdachte 1] in de Renault Kadjar gestapt. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gaan met de Renault Kadjar naar Amsterdam Het chatgesprek tussen de beide Google Pixel telefoons gaat door. Het chatgesprek wordt zowel in de Poolse taal als de Nederlandse taal gevoerd. De Poolse berichten met nummer *1212 worden verstuurd door [medeverdachte 1] , zoals hij zelf heeft verklaard. De Nederlandse berichten door [medeverdachte 2] , concludeert het hof. In het gesprek worden de volgende berichten verstuurd, waarbij de Poolse berichten zijn vertaald naar het Nederlands. Berichten in de Poolse taal 16:43 uur [verdachte] Geef hem de telefoon Laat hem foto’s maken Van het wapen/de wapens En dat jullie de snelweg op gereden zijn 16:43 uur [medeverdachte 1] In de kofferbak Ik ga zo direct ergens stoppen 16:44 uur [verdachte] Geef hem de telefoon 16:44 uur [verdachte] Ik zal het aan hem uitleggen Berichten in de Nederlandse taal 16:44 uur [verdachte] Bro Pak tel ff 16:44 uur [medeverdachte 2] Yo 16:44 uur [verdachte] Hij laat je zo zien waar die gaat wachten Op je en van waar die man komt 16:45 uur [verdachte] Daar moet je hem doen Maar echt doen bro 16:45 uur [medeverdachte 2] Ahaha komt goed komt goes 16:45 uur [verdachte] Leeg die ding op hem 16:47 uur [medeverdachte 2] Komt goed 16:47 uur [verdachte] Je gaat met die glock doen toch 16:47 uur [medeverdachte 2] Jaman 16:58 uur [verdachte] Afbeelding: foto van Peter R. de Vries 16:59 uur [verdachte] Afbeelding: foto van Peter R. de Vries Deze hond Moet je hebben 16:59 uur [medeverdachte 2] Siii 16:59 uur [verdachte] Aub doe het goed Geld is er Je krijg miss extra als je goed doet 16:59 uur [medeverdachte 2] Geen stress bro 17:00 uur [verdachte] Knal op zijn hoofd 17:00 uur [medeverdachte 2] Jaman KKK hard 17:00 uur [verdachte] Paar keer 17:00 uur [medeverdachte 2] Ahahahah 17:07 uur [medeverdachte 2] die waggie Gaat later brande toch 17:07 uur [verdachte] Ja Daar is benziwn 17:12 uur [verdachte] Zeg die pool jullie met 2 beter 17:14 uur [verdachte] Zeg tegen hem jullie mets 2 doen beter Dan zeker lukken 17:14 uur [medeverdachte 2] Op hem knalle 17:15 uur [medeverdachte 2] ik doe hem solo bro Ik finish dit 17:32 uur [verdachte] Aub verpest niet 17:33 uur [verdachte] Helemaal leeg 17:34 uur [medeverdachte 2] Broo ik schiet die kk ding helemaal door ze kk lichaam heen die vieze kk Hoer hoofd alles laat hem daar Al's been sletje achter 17:35 uur [medeverdachte 2] I love this 17:36 uur [verdachte] Zeg tegen die pool hij moet je alles laten zien 17:36 uur [medeverdachte 2] Afbeelding van een verkeersbord op de A4 17:37 uur [verdachte] Is niet beter als jullie samen doen 17:38 uur [verdachte] Weet je zeker dat je lukt alleen 17:39 uur [medeverdachte 2] Kan maar die andere is opvallen moete slim zijn 17:40 uur [medeverdachte 2] Ik Ben snel bro voordat ze door hebbr Ben ik alang weg 17:42 uur [medeverdachte 2] Ik twijfel niet 17:42 uur [verdachte] Is goed 17:44 uur [medeverdachte 2] Maakt he niet druk ik klik die ding leeeeg Uit de kentekenregistraties van de Renault Kadjar volgt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vanaf 17:08 uur via de A13, de A4 en vervolgens de A10 van Rotterdam naar Amsterdam rijden. Om 17:43 uur is de eerste registratie in Amsterdam, waarna de Renault Kadjar meerdere registraties heeft in Amsterdam West. 17:47 uur [verdachte] Kan je die ding snel testen 17:48 uur [medeverdachte 2] we zijn nu Adam 17:49 uur [medeverdachte 2] Hij is schoon toch 17:49 uur [verdachte] Ja jr moet filmpje makken Als je test 17:50 uur [verdachte] Laat die pool filmpje maken hoe jullie hem testen 17:50 uur [medeverdachte 2] Oke we moete ff goeie plek zoeke 17:58 uur [verdachte] Maak filmpje aub Van Dat je test die glock 17:58 uur [medeverdachte 2] Jaman komt goes bro 18:10 uur [medeverdachte 2] Ik heb op industries gestest 18:11 uur [medeverdachte 2] Deze diet trrr Deze is goed 18:12 uur [medeverdachte 2] Kan me die andere niet vanuitcwaggie broe Deze moet tege schouder 18:13 uur [verdachte] Kan wel Hard vast houden Hij moet filmen 18:14 uur [verdachte] Doe maar uit wagi 18:14 uur [medeverdachte 2] Al’s we plek hrbbr Stuur ik je 18:24 uur [verdachte] Doe gwn uit ram 18:24 uur [medeverdachte 2] Jaman hebbe plek Moment 18:26 uur [medeverdachte 2] Deze is niet goed Gaan nog been x probere Bro deze hapert Bullet blijfen vastzitte Op de Google Pixel telefoon waarmee [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] communiceerden, is een video aangetroffen met tijdstempel: 6 juli 2021 om 18:26 uur. Op de video is te zien hoe een persoon een MP5 van het merk Heckler & Koch vasthoudt, de loop uit het autoraam steekt en drie keer de trekker overhaalt. Te zien is dat het wapen niet vuurt. De persoon probeert hierna meermalen om het wapen af te vuren, maar het wapen vuurt niet. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij het wapen heeft getest dat het niet bleek te doen. Het chatgesprek vervolgt: 18:28 uur [verdachte] Ga naar doe plek Rijden Gelijk 18:28 uur [medeverdachte 2] Ja zijn omw 18:28 uur [verdachte] Heb die je laten zien 18:29 uur [verdachte] Waar hij gaat staan 18:30 uur [medeverdachte 2] We gaan daar nu heen Gaat die allies uitleggen 18:37 uur [verdachte] Afbeelding: foto van Peter R. de Vries in de live-uitzending van RTL Boulevard Zeg tegen die pool Hij is er Zo zit die uit 18:38 uur [verdachte] Afbeelding: foto van Peter R. de Vries in de live-uitzending van RTL Boulevard 18:38 uur [medeverdachte 2] Hij zegt kan he pools naar hem schrijven Berichten in de Poolse taal 18:40 uur [verdachte] Ga en laat het aan hem zien, dat is het beste En kom terug naar de auro auto 18:41 uur [verdachte] Bek misschien kunnen jullie hem met z’n tweeën doen 18:44 uur [medeverdachte 1] Het is onmogelijk Want het zal ons niet lukken om te vluchten Er is geen plek om de auto te parkeren 18:44 uur [verdachte] Oké Laat hem zien waar de mac is 18:45 uur [medeverdachte 1] Ja ik zal samen met hem [daarheen] lopen 18:45 uur [verdachte] Doe het zo dat het lukt Laat hem alles zien Zeg tegen hem dat hij niet bang moet zijn Berichten in de Nederlandse taal 18:46 uur [medeverdachte 2] Neeman gap Zijn niet bang Zijn blij 18:46 uur [verdachte] Bro als hem zit gelijk doen Gelijk 18:47 uur [medeverdachte 2] Ja nneef Ik ga snel maccie Op camerabeelden is te zien dat de Renault Kadjar om 18:47 uur de Prinsengracht op rijdt en wordt geparkeerd op een invalideparkeerplaats. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] lopen over de Prinsengracht richting de Leidsestraat. Ze slaan linksaf de Leidsestraat in, lopen vervolgens langs de McDonalds en slaan de Lange Leidsedwarsstraat in. Zij lopen voorbij de achteruitgang van de studio van RTL Boulevard en kijken allebei tijdens het voorbijlopen in de richting van die uitgang. Zij lopen verder over de Lange Leidsedwarsstraat, langs parkeergarage De Hoofdstad en vervolgens via de Spiegelgracht terug naar de Renault Kadjar. Om 18:56 uur stappen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de Renault Kadjar. Drie minuten later stapt [medeverdachte 2] uit de auto. Hij doet een schoudertas om en zet tijdens het weglopen een pet op. De Renault Kadjar rijdt weg richting de Spiegelgracht. [medeverdachte 2] loopt via de Leidsekruisstraat naar de Lange Leidsedwarsstraat. Vervolgens is te zien dat hij van het midden van de Lange Leidsedwarsstraat naar de rechterzijde van de straat loopt en uit beeld verdwijnt Berichten in de Poolse taal 19:01 uur [medeverdachte 1] Ik ben er geweest om hem te voet daarheen te brengen Ik heb hem alles laten zien 19:02 uur [medeverdachte 1] Hij is daar Ik wacht op hem 19:02 uur [verdachte] Heb je tegen hem gezegd om hem naast de garage te doen 19:14 uur [medeverdachte 1] Het duurt een beetje lang voordat hij komt 19:15 uur [medeverdachte 1] Wanneer is het einde Weet je [dat] Ik ben rondjes aan het rijden om hem onderweg mee te nemen 19:15 uur 19:16 uur [verdachte] Blijf daar staan Blijf daar staan 19:16 uur [medeverdachte 1] Ik ben er 19:16 uur [verdachte] Blijf wachten Op camerabeelden is te zien dat de Renault Kadjar tussen 19:01 uur en 19:13 uur rondjes aan het rijden is en langs de kruising tussen de Prinsengracht en de Spiegelgracht rijdt. Vervolgens is te zien dat de auto om 19:16 uur parkeert aan de linkerzijde van de Prinsengracht. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep, als getuige, verklaard dat hij op 6 juli 2021 een rondje heeft gelopen door Amsterdam en dat hij daarbij langs de parkeergarage De Hoofdstad en de McDonalds is gelopen met de persoon die bij hem in de auto zat. Neerschieten van de De Vries Om 19:26 uur verlaat De Vries via de achteruitgang de studio van RTL Boulevard. Hij loopt door de Lange Leidsedwarsstraat in de richting van de Spiegelgracht. Om 19:27 uur rijdt de Renault Kadjar weg vanaf de Prinsengracht in de richting van de Vijzelgracht. Om 19:28 uur loopt De Vries over de Lange Leidsedwarsstraat. Op de camerabeelden is te zien dat vanaf de rechterzijde van de straat – op de plek waar De Vries net is gepasseerd en ter hoogte van de plek waar [medeverdachte 2] eerder uit het beeld was verdwenen – een persoon in het donker gekleed in beeld komt. De donker geklede persoon maakt met zijn rechterarm een beweging waarmee de elleboog omhoog komt. De donker geklede persoon loopt achter De Vries, in dezelfde richting als De Vries. Op 6 juli 2021 om 19.28 uur is De Vries neergeschoten op de Lange Leidsedwarsstraat in Amsterdam. De donker geklede persoon rent weg in de richting van de Spiegelgracht. Vlucht van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en hun aanhouding Om 19:28 uur rijdt de gestolen Renault Kadjar, vanuit de richting van de Vijzelgracht, over de Prinsengracht in de richting van de Spiegelgracht. Om 19:29 uur rijdt de auto over de Antiquairsbrug en slaat linksaf de Prinsengracht op. Om 19:29 uur rent de donker geklede persoon uit de richting van de Spiegelgracht de Prinsengracht op. Het chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gaat als volgt verder: Berichten in de Poolse taal 19:30 uur [verdachte] En wat is er Is [hij] er nog steeds niet Berichten in de Nederlandse taal 19:30 uur [medeverdachte 2] Bro ahahahah 19:31 uur [medeverdachte 2] Dwarfs door die kk hoofs rn lichaam 19:31 uur [verdachte] Echt 19:31 uur [medeverdachte 2] gelukt Jaman 19:31 uur [verdachte] Zeker 19:31 uur [medeverdachte 2] Hij is doood Kk dood 19:32 uur [verdachte] Weet je zeker Hij is slaapnw 19:33 uur [medeverdachte 2] Bro die kogel gicbt dwars door ze hoofs 2 keer Allies spoot Kk mooi die bloed iedereen gille 19:34 uur [verdachte] Weet je zeker Is gelukt 19:34 uur [medeverdachte 2] Jaa bro Hij bewoog niet niks meer 19:34 uur [verdachte] Hoeveel keer 19:35 uur [medeverdachte 2] 4/5/x hij slaapt maak he niet druk 19:35 uur [verdachte] Weet je zeker 19:36 uur [medeverdachte 2] Jaa bro Zn ogen lagen open 19:36 uur [verdachte] Heb je hem voor gedaan Zijn jullie weg 19:37 uur [medeverdachte 2] Gewoon voor Zn auto Ja richting snelweg 19:37 uur 19:37 uur 19:37 uur [verdachte] [medeverdachte 2] [verdachte] Diw platen weg doen auto in fik Diw grote me neme Waar moet die kleine In water 19:39 uur [verdachte] Kleren ook in fik 19:46 uur [medeverdachte 2] Stuur die adrrss door naar mij aub 19:46 uur [verdachte] Welke 19:46 uur [medeverdachte 2] die nummer Die ik jou vandaag gaf 19:47 uur [verdachte] [telefoonnummer 13] Kan ze jullie Tiel brengen 19:48 uur [verdachte] Laat haar je Tiel brengen 19:49 uur [verdachte] Same met Die pool 19:50 uur [verdachte] En die platen trekken als je brand wago Wacht ga naar die adrdsx van die polen 19:51 uur [verdachte] In rotje zeg tegen pool 19:51 uur [medeverdachte 2] oke We gaan daar heen 19:52 uur [verdachte] Hij is niet thuis 19:53 uur [verdachte] Waar rijden jullie 19:54 uur [medeverdachte 2] Bij hoofdorp bihna Bijna 19:59 uur 20:01 uur 20:04 uur [medeverdachte 2] [verdachte] politir motor achtrt ons We gaan gevouwt worde Maak die twl van die pool kapot En simkart opeten 20:13 uur [medeverdachte 2] Stopteke 20:14 uur [medeverdachte 2] Zorg voor me FAM Beef gun alles 20:14 uur [verdachte] Doe twl uit Het telefoonnummer [telefoonnummer 13] dat [verdachte] op verzoek van [medeverdachte 2] stuurt, is het telefoonnummer van de vriendin van [medeverdachte 2] . Omstreeks 20:00 uur wordt de Renault Kadjar op de A4 gezien door een motoragent. De motoragent volgt de Renault Kadjar. Meerdere politievoertuigen sluiten hierbij aan. Omstreeks 20:15 uur wordt de Renault Kadjar ‘staande gehouden’. In de auto zitten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] was de bestuurder en [medeverdachte 2] de bijrijder. Zij zijn beiden omstreeks 20:17 uur aangehouden. De handen van zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] onderzocht op schotresten. Uit de conclusie van het NFI-rapport ‘Aanvullend schotrestenonderzoek’ leidt het hof af, mede gelet op de overige feiten en omstandigheden, dat op de handen van beide verdachte schotresten zijn aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep, als getuige, verklaard dat hij op 6 juli 2021 naar Rotterdam is gegaan en vervolgens met één persoon naar Amsterdam is gereden. Ze hebben de wapens getest. Hij heeft deze persoon de witte deur bij de McDonalds (het hof begrijpt: de achteruitgang van RTL Boulevard) en de parkeergarage laten zien. Nadat die persoon uit de auto is gestapt, liep de persoon terug en heeft [medeverdachte 1] op hem gewacht. De man is later weer in gestapt en op de snelweg zijn ze beiden aangehouden. [verdachte] heeft ter zitting in eerste aanleg (waarvan het proces-verbaal in de zaken tegen de medeverdachten is gevoegd) verklaard dat hij berichten heeft verstuurd. Het hof begrijpt dat dit de berichten zijn met de Google Pixel telefoon met matrix-id *4299. Getuige 5089 heeft verklaard dat [verdachte] hem heeft verteld dat [medeverdachte 2] degene is die geschoten heeft en dat [medeverdachte 2] na de moord op De Vries via de speciale telefoon aan [verdachte] heeft geschreven dat hij voor zijn familie moest zorgen. In de Renault Kadjar aangetroffen goederen De Renault Kadjar is door de politie doorzocht. In de auto lag achter de bestuurdersstoel een Louis Vuitton schoudertas. In de tas zat een bankpas op naam van de vriendin van [medeverdachte 2] en een Nederlandse identiteitskaart op naam van [medeverdachte 2] . In de tas is een getransformeerd gas- en alarmpistool van het merk Zoraki, model 917, dat was voorzien van een valse inscriptie ‘Glock 25’, aangetroffen. In de kamer van het wapen zat één patroon en in het patroonmagazijn zaten 6 patronen. Achter de bijrijdersstoel is op de vloer een ‘Hoogvliet’ big shopper tas aangetroffen met daarin een patroonmagazijn gevuld met zeven patronen, geschikt voor de Zoraki, een machinepistool van het merk Heckler & Koch, type MP5, en twee patroonmagazijnen met respectievelijk 25 en 21 patronen voor de MP5. Op de patroonhouder van de Zoraki is een dactyloscopisch spoor aangetroffen dat overeenkomt met de linker duim van [medeverdachte 2] . Op de trekker, bij het handvat en van de zijkant en de onderzijde van de patroonhouder zijn DNA-mengprofielen van meerdere donoren verkregen. Het is respectievelijk circa 360 duizend, circa 170 duizend, meer dan 1 miljard en circa 5,8 miljoen keer waarschijnlijker dat – samengevat – dit mengprofiel wordt gezien wanneer [medeverdachte 2] één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. Op het extra patroonmagazijn geschikt voor de Zoraki, dat in de big shopper tas zat, is een DNA-mengprofiel verkregen. Het is circa 260 miljoen keer waarschijnlijker dat dit mengprofiel wordt gezien wanneer [medeverdachte 2] één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. Op de plek waar De Vries is neergeschoten zijn vier hulzen aangetroffen. Deze hulzen zijn door het NFI vergeleken met de Zoraki. Op basis van het daarvan opgemaakte rapport concludeert het hof, mede in het licht van de overige feiten en omstandigheden, dat in elk geval drie (AAJP0397NL, AAJP0398NL en AAJP0399NL) van de vier hulzen zijn verschoten met de Zoraki. Achter het linkeroor van De Vries is een inschotwond en in de rechterwang is een metalen projectiel met een bijbehorend schotkanaal aangetroffen. Deze kogel is door het NFI onderzocht. Op basis van het daarvan opgemaakte rapport concludeert het hof, mede in het licht van de overige feiten en omstandigheden, dat deze kogel is verschoten met de Zoraki. 15 juli 2021 – overlijden De Vries Op 15 juli 2021 is De Vries aan zijn verwondingen overleden. Conclusie Op grond van de voorgaande onderzoeksbevindingen stelt het hof vast dat, nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] zich hadden teruggetrokken als schutters, [verdachte] [medeverdachte 2] op 6 juli 2021 bereid heeft gevonden om De Vries te vermoorden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn diezelfde dag in de Renault Kadjar met de Google Pixel telefoon en de op 5 juli 2021 in Alphen aan den Rijn door [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] opgehaalde vuurwapens naar Amsterdam gereden met het doel om De Vries dood te schieten. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben de beide vuurwapens in opdracht van [verdachte] onderweg getest. In Amsterdam heeft [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] laten zien waar De Vries vandaan zou komen en waar hij doodgeschoten moest worden. Ook dit gebeurde in opdracht van [verdachte] . Het hof stelt verder vast dat [medeverdachte 2] De Vries heeft neergeschoten met de in Alphen aan den Rijn opgehaalde Zoraki. [medeverdachte 2] heeft hiervan verslag gedaan aan [verdachte] . Hierna zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] Amsterdam uitgereden en was er contact met [verdachte] over waar zij naar toe moesten gaan. Zij zijn niet veel later op de snelweg aangehouden. 6.3 Getuige 5089 De verdediging heeft het hof verzocht behoedzaam om te gaan met de verklaring van getuige 5089, omdat delen van die verklaring evident onjuist zijn. In dat verband overweegt het hof het volgende. Het hof heeft de verklaringen van getuige 5089 vergeleken met andere onderzoeksbevindingen. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van getuige 5089, voor zover het hof die gebruikt voor het bewijs, steun vinden in andere bewijsmiddelen, zoals de verklaringen van [getuige 1] , [persoon 1] , [medeverdachte 1] en berichten in de Google Pixel telefoon. 6.4 Terroristisch oogmerk Het hof is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat [verdachte] heeft gehandeld met een terroristisch oogmerk, zodat hij van dat bestanddeel in de aan hem tenlastegelegde feiten zal worden vrijgesproken. Dat oordeel komt overeen met de standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging. 6.5 Medeplegen van moord op De Vries (zaak A feit 1) Standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op De Vries. Volgens het openbaar ministerie had [verdachte] bij de moord op De Vries een belangrijke organisatorische, faciliterende en rechtstreeks aansturende rol. Die aansturende rol van [verdachte] blijkt onder meer uit de door hem verzonden berichten op de Google Pixel telefoon. Daarnaast wordt de betrokkenheid van [verdachte] bij de moord bevestigd door de verklaringen van getuige 5089. De bijdrage van [verdachte] aan de moord is van zodanig gewicht dat er sprake is van medeplegen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat het wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen ontbreekt en dat [verdachte] daarvan moet worden vrijgesproken. [verdachte] is niet de spin in het web en heeft niet de opdracht gegeven om De Vries dood te schieten. Hij heeft onder permanente druk hand- en spandiensten geleverd, die met name bestonden in het doorgeven van berichten en in het in opdracht regelen van enkele voorbereidende handelingen. Van een gezamenlijke uitvoering van het delict in de fysieke betekenis was geen sprake. Van een voldoende zwaarwegende intellectuele of materiele bijdrage van [verdachte] aan het delict evenmin. De bijdrage van [verdachte] is eerder aan te merken als het bevorderen of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf. Er was geen sprake van een (eigen) intellectuele bijdrage. Er was een strakke aansturing door derden van hogerhand, waardoor [verdachte] slechts gefungeerd heeft als ‘doorgeefluik’. Oordeel van het hof Voor het bewijs van medeplegen is nodig dat bij het begaan van het misdrijf sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Daarbij wordt gelet op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte. De bijdrage van de medepleger wordt meestal geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering. De bijdrage kan echter ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor, tijdens of na het strafbare feit. In de laatste situatie moet aandacht worden besteed aan de vraag of de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict kan worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote rol in de voorbereiding. Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, is het hof van oordeel dat het aandeel van [verdachte] voor, tijdens en na het plegen van de moord op De Vries dusdanig groot is geweest dat sprake is van een nauwe en bewust samenwerking met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn de uitvoerders van de moord op De Vries. [verdachte] heeft de opdracht om De Vries te vermoorden aangenomen. Hij was als tussenpersoon de organisator en coördinator. Het hof wil aannemen dat hij daarbij op zijn beurt ook is aangestuurd door een ander of anderen. Dit maakt van [verdachte] echter geen willoze tussenschakel. Dat hij werd aangestuurd, hoort bij zijn rol als tussenpersoon. Juist het aannemen van de moordopdracht en het vervolgens inschakelen en (op afstand) aansturen van de verschillende uitvoerders maakt dat hij een onmisbare en dus wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de moord. Die bijdrage bestaat overigens niet alleen uit de geleverde inspanningen op 5 en 6 juli 2021, maar ook uit zijn inspanningen die al in april 2021 zijn begonnen, zoals blijkt uit de verklaring van getuige 5089. Het hof acht bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de moord op De Vries. 6.6 Medeplegen voorhanden hebben wapens en munitie (zaak B feit 1) Standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat [verdachte] zich, als medepleger van de moord op De Vries, ook schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van de wapens en munitie die daarvoor bestemd waren. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat [verdachte] met betrekking tot het verstrekken van de wapens aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] niet meer heeft gedaan dat het, waarschijnlijk onder zeer strakke regie, doorgeven van enige informatie. Oordeel van het hof Voor een veroordeling van het als pleger voorhanden hebben van een wapen is vereist dat de verdachte dit bewust aanwezig had en dat de verdachte feitelijk macht over het wapen kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] de wapens en munitie weliswaar zelf niet fysiek aanwezig heeft gehad, maar dat hij zich ervan bewust was dat eerst [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] en later [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] deze aanwezig hadden. Ook volgt daaruit dat [verdachte] eerst met [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] en later met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] – feitelijke macht over de wapens en munitie kon uitoefenen in de zin dat zij daarover gezamenlijk konden beschikken. Het hof heeft immers al vastgesteld dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] op 5 juli 2021 een Zoraki en een MP5 hebben opgehaald in Alphen aan den Rijn en dat zij hierbij zijn aangestuurd door [verdachte] , die via berichten in de Google Pixel telefoon precies aangaf waar de wapens en munitie opgehaald moesten worden. Later gaf hij [medeverdachte 8] instructies om de wapens mee naar huis te nemen en daar niet mee te spelen. Op 6 juli 2021 heeft [medeverdachte 8] de wapens en munitie op verzoek van [verdachte] overgedragen aan [medeverdachte 1] . In een chatgesprek geeft [verdachte] vervolgens [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de opdracht de wapens te testen en daarvan een filmpje te maken, wat ook is gebeurd. [verdachte] vraagt in het chatgesprek ook nog aan [medeverdachte 2] of hij die ‘Glock’ zal gaan gebruiken (het hof begrijpt voor het doodschieten van De Vries). Met de Zoraki (waarop valselijk Glock stond) heeft [medeverdachte 2] De Vries vervolgens neergeschoten. Dat [verdachte] weer in opdracht van een derde handelde maakt dit niet anders. Het hof acht dan ook bewezen dat [verdachte] op 5 en 6 juli 2021 samen met anderen vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad. 6.7 Deelname aan een criminele organisatie (zaak B feit 2) Standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Er werd samengewerkt en er is communicatie geweest tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] enerzijds en [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] anderzijds. Uit het beschikbare bewijs blijkt dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de moord op De Vries heeft gepleegd. Ook was hij betrokken bij de voorbereidingen in mei 2021 tot geweld te plegen ten aanzien [persoon 4] . [verdachte] had een aansturende en faciliterende rol en stuurde [medeverdachte 8] en [medeverdachte 1] aan. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat er samenwerking of communicatie is geweest tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] enerzijds en [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] anderzijds. Dat geldt niet alleen voor de moord op De Vries, maar ook voor de perikelen rondom [persoon 4] . Volgens de verdediging kan enkel vastgesteld worden dat [verdachte] en [medeverdachte 1] gedurende een korte tijd, deels tegen wil en dank, in het kader van één strafbaar feit hebben samengewerkt. Dat sprake is van een duurzaam gestructureerd samenwerkingsverband tussen deze mensen met een gezamenlijk crimineel oogmerk blijkt niet, zodat [verdachte] moet worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie. Juridisch kader Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr. Voor de beoordeling of een verdachte heeft deelgenomen aan een zogenoemde criminele organisatie gebruikt de rechter de volgende criteria (voor zover in deze strafzaak van belang). Een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Voor het bewijs van die ‘deelneming’ is nodig dat komt vast te staan dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen – of gedragingen ondersteunt – die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt, of bekend is, met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Ook is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Voor ‘deelneming’ in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Voor het bewijs gaat het erom dat de organisatie het ‘oogmerk’ heeft tot het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat er daadwerkelijk misdrijven zijn gepleegd. Het oogmerk, of het doel, van de organisatie hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit het bewijs blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Oordeel van het hof Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. Zware mishandeling [persoon 4] Mei 2021 [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn begin mei 2021 op zoek geweest naar [persoon 4] om hem zwaar te mishandelen. Dat blijkt uit het volgende. Op 3 mei 2021 van 8:39 uur tot 10:19 uur, en later vanaf 21:54 uur, straalt de telefoon van [verdachte] aan in Nieuwegein. Op de telefoon van [verdachte] is om 19:14 uur gezocht op ‘ [plaats 2] Nieuwegein’. Het [plaats 2] is gevestigd in de straat waar [restaurant] is gevestigd. Het hof leidt uit het bewijs – dat hierna verder wordt beschreven – af dat [persoon 4] als bezorger werkt voor dit restaurant. De telefoon van [medeverdachte 1] straalt vanaf 23:46 uur ook zendmasten aan in Nieuwegein. Omstreeks 3:33 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] . De telefoon van [medeverdachte 1] straalt op dat moment een zendmast aan nabij de [adres 6] in Nieuwegein. Dit is het adres van het [plaats 3] waar [persoon 4] tussen 5 september 2020 en 28 juni 2021 ingeschreven heeft gestaan. Op de telefoon van [medeverdachte 1] is om 18:02 uur en na middernacht om 3:28 uur gezocht op ‘pizza nieuwegein’. Op 4 mei 2021 is rond 22:45 uur een melding gedaan van een vechtpartij op de [adres 7] in IJsselstein waarbij een slachtoffer is belaagd door twee mannen. Het slachtoffer is weggereden in een voertuig met [kenteken 3] in het kenteken. [persoon 4] is eerder gecontroleerd in een auto met kenteken met kenteken [kenteken 3] . Op de locatie van de mishandeling is een bestelbon van Thuisbezorgd.nl gevonden voor een maaltijd van [restaurant] te Nieuwegein, die om 22:38 uur is afgeleverd op het adres [adres 7] in IJsselstein. Op de bon wordt bloed aangetroffen waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [persoon 4] . De twee mogelijke daders zijn weggereden in een Renault Megane met [kenteken 4] . Dit voertuig is op 5 mei 2021 in Tiel aangetroffen nabij de woning van de moeder van [medeverdachte 1] en blijkt op 29 april 2021 te zijn gestolen in [plaats 1] . In het voertuig wordt op het stuur celmateriaal aangetroffen waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] . De telefoon van [medeverdachte 1] en de Renault Megane maken in de late avond op 4 mei 2021 dezelfde reisbeweging. De telefoon van [medeverdachte 1] straalt op 4 mei 2021 vanaf 11:33 uur zendmasten aan in Nieuwegein. In de middag heeft de telefoon van [medeverdachte 1] kort contact met de telefoon van [verdachte] . Vanaf 22:49 uur straalt de telefoon van [medeverdachte 1] masten aan in Vianen, Deil, Kapel Avezaath en Tiel. Om 23:09 uur hebben de telefoon van [medeverdachte 1] en [verdachte] kort contact. Beide telefoons stralen op dat moment een zendmast in Kapel Avezaath aan. Op de telefoon van [medeverdachte 1] is op 5 mei 2021 gezocht met gebruik van de volgende termen: gisteravond in nieuwegein nieuwegein politie nieuws mishandeling in de buurt van utrecht mishandeling in de buurt van utrecht gisteravond mishandling IJsselstein. Met de telefoon van [verdachte] is op 4 mei 2021 om 20:26 uur gezocht naar een YouTube filmpje waarop agenten in gesprek zijn met een persoon die grote gelijkenis vertoont met [persoon 4] . In een Google Pixel telefoon in gebruik bij [verdachte] is een schermafdruk aangetroffen waarop een tracker zichtbaar is op de datum 4 mei 2021 met een locatie [adres 8] in Nieuwegein. Dit is 300 meter van [restaurant] . September 2021 Hiervoor is het bewijs beschreven waaruit volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op zoek zijn geweest naar [persoon 4] met het doel hem te mishandelen en dat [verdachte] een aandeel had in de gedragingen die dat doel moesten bereiken. Dat oordeel vindt steun in de volgende gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in september 2021. Deze gebeurtenissen vallen buiten de periode die in de tenlastelegging wordt genoemd. Dit neemt echter niet weg dat deze feiten en omstandigheden het oordeel ondersteunen over wat er in mei 2021 is gebeurd. Op de telefoon van [verdachte] zijn afbeeldingen aangetroffen waaruit blijkt dat er in september 2021 is gezocht naar een Opel Zafira in de omgeving van de [adres 9] . In deze straat woont de ex-partner van [persoon 4] . Zij heeft een Opel Zafira op haar naam staan. In de telefoon zijn afbeeldingen van chatgesprekken aangetroffen. In chatgesprekken tussen [verdachte] en een zekere ‘ [chatnaam 1] ’ staat onder meer het volgende vermeld: Verm. Datum/tijd Verzender Ontvanger Inhoud 05-09-2021 17:47:56 [chatnaam 1] [verdachte] Is goed we zijn praat 05-09-2021 17:47:56 [verdachte] [chatnaam 1] lsgoed je h 05-09-2021 17:47:56 [chatnaam 1] [verdachte] Regel ijzer wagi en ik doe 05-09-2021 18.31:53 [chatnaam 1] [verdachte] Anders price hoger 05-09-2021 18:32:53 [verdachte] [chatnaam 1] Wat wil je anders krijgen 05-09-2021 18:37:01 [chatnaam 1] [verdachte] 8 05-09-2021 18:37:01 [chatnaam 1] [verdachte] Doe ik wel Uit verdere chatgesprekken volgt dat ‘ [chatnaam 1] ’ en een andere persoon op 7 en 8 september 2021 de hele nacht aan het zoeken zijn naar een ‘Opel Zavi’. Ze lopen de hele wijk door, maar de auto is nergens te vinden. ‘ [chatnaam 1] ’ stuurt op 7 september 2021 een foto van een straatnaambordje van het [adres 9] naar [verdachte] , en op 8 september 2021 de tekst: ‘Broer iemand moe tippen”, waarop [verdachte] antwoord met “hij moet zij daar” en [chatnaam 1] schrijft “geen thuis werk niks”. Een onbekend gebleven persoon stuurt op 8 september 2021 ook een foto van een straatnaambordje van het [adres 9] met de tekst dat de straat lang is en hij overal zoekt en “geen geintjes waar is die kale” en “waar is die poepita wie in auto slaapt”. In chatgesprekken van september 2021 tussen [verdachte] en een zeker [chatnaam 2] staat het volgende: Datum/tijd Verzender Ontvanger Inhoud 09-09-2021 05:40:30 [chatnaam 2] [verdachte] Action speak louder then words!!!!!!! 09-09-2021 05:41:31 [chatnaam 2] [verdachte] lm geef jouw tot 0000u aankomende nacht is die man niet gehandicapt en is klus niet goed gegaan ga ik zelf op jouw hond en kat jagen en ga zorgen dat je je leven zwaaaat gaat haten en voelen!!! 09-09-2021 05:46 [chatnaam 2] [verdachte] Werkt hij nog bij die pizzaria? Datum/tijd Verzender Ontvanger Inhoud 10-09-2021 18:35:29 [verdachte] [chatnaam 2] Het word morgen touch bro 10-09-2021 18:42:53 [chatnaam 2] [verdachte] Nee van acht insallah 10-09-2021 18:45:29 [verdachte] [chatnaam 2] Hij zegt pas morgen is die ijzer 10-09-2021 22:45:50 [verdachte] [chatnaam 2] Dus me t slaan of gwn shitten 10-09-2021 22:46:33 [chatnaam 2] [verdachte] Shooten 10-09-2021 22:46:40 [chatnaam 2] [verdachte] Op handen en knieA«n De telefoon van [verdachte] straalt op 10 september 2021 om 01:18 uur aan in Lopik. De BMW in gebruik bij [verdachte] is rond die tijd op het [adres 9] . Op 12 september 2021 wordt er om 4:35 uur een melding gedaan van een verdachte situatie op de [adres 9] . Er worden drie verdachte personen gezien. Een auto rijdt weg. Er vindt een achtervolging plaats. De volgende ochtend wordt een vuurwapen aangetroffen naast de weg waarop de auto is weggereden. Op 12 september 2021 vindt er in de avond het volgende gesprek plaats tussen [verdachte] en [chatnaam 2] . Datum/tijd Verzender Ontvanger Inhoud 12-09-2021 23:17:16 [verdachte] [chatnaam 2] Echt ongelowelijk 12-09-2021 23:18:50 [verdachte] [chatnaam 2] Hun zeggen met die mokers kan we'll 12-09-2021 23:19:14 [verdachte] [chatnaam 2] Al’s u will 12-09-2021 23:21:58 [verdachte] Ja maar ik heb al 10k betaald en u ziet hoe lastig die is 12-09-2021 23:28:53 [verdachte] [chatnaam 2] Hun zijn 3 man ze zeggen gaat lukken 12-09-2021 23:28:58 [verdachte] [chatnaam 2] U moet bepalen 12-09-2021 23:29:49 [chatnaam 2] [verdachte] Gaan ze hem 1st stukje meenemen in koffer? 12-09-2021 23:30:39 [verdachte] [chatnaam 2] Ze willen hem voor die Hui's doen 12-09-2021 23:31:30 [verdachte] [chatnaam 2] Rqm kapot makken eruit trekken en Dan 2 man vast een man moker volopknie handen 12-09-2021 23:31:42 [verdachte] [chatnaam 2] U moet het bepalen 12-09-2021 23:34:01 [verdachte] [chatnaam 2] Ik zegt tegen hun Wat u zegt 12-09-2021 23:38:52 [chatnaam 2] [verdachte] Gaat morgen middag actie lukken we praten hier over 17.5duzu 1yzer en auto al kwijt dan moeten ze niet gek doen en u ook niet morgen kan ook in de namiddag rond 1700/1800uur 12-09-2021 23:39:50 [chatnaam 2] [verdachte] Ik doe niet gek 12-09-2021 23:57:47 [chatnaam 2] [verdachte] Zeg hun morgen en met yzer en ze krijgen hun pap direct die nacht als u wilt pakt u het morgen middag vast aan !!! Ja geef ze beetje regel met ons vriend Op 13 september 2021 rond 20:00 uur is er opnieuw een melding van een verdachte situatie bij het [adres 9] . Na 13 september 2021 spreekt [verdachte] met een zekere [chatnaam 3] . Op 15 september 2021 vindt het volgende gesprek plaats: Datum/tijd Verzender Ontvanger Inhoud 15-09-2021 12:27:16 [verdachte] [chatnaam 3] Heb je foto van hem 15-09-2021 12:27:26 [verdachte] [chatnaam 3] Laat ik hem zoek 15-09-2021 12:27:26 [chatnaam 3] Kijk na andere opties 15-09-2021 12:58:07 [verdachte] [chatnaam 3] Ben zozo kijk ik will hem graag hebben 15-09-2021 12:58:32 [chatnaam 3] [verdachte] Yes bro wij allemaal moet na vakantie die hond 15-09-2021 12:58:52 [chatnaam 3] [verdachte] Enkeltje na andere kant 15-09-2021 12:58:55 [verdachte] [chatnaam 3] Ja bro ik west 15-09-2021 12:58:57 [verdachte] [chatnaam 3] Weet De ex-partner van [persoon 4] heeft verklaard dat [persoon 4] sinds 13 september 2021 op vakantie in Marokko is. Het hof stelt vast dat [verdachte] in september 2021 nog steeds op zoek is naar [persoon 4] met het doel om hem zwaar te (laten) mishandelen of neer te schieten. In dat verband moet [verdachte] begin september 2021 voor een zekere [persoon 5] een vuurwapen en een auto regelen. Deze [persoon 5] heeft op 7 en 8 september 2021 in de omgeving van het [adres 9] naar [persoon 4] gezocht, maar heeft hem niet kunnen vinden. ‘ [chatnaam 2] ’ is hier heel boos over. [verdachte] moet er voor zorgen dat [persoon 4] zo snel mogelijk in zijn handen of knieën wordt geschoten. Op 11 september 2021 is er weer in de buurt van het [adres 9] naar [persoon 4] gezocht. Door ingrijpen van de politie hebben de (beoogde) daders moeten vluchten en zijn ze een vuurwapen en een auto kwijtgeraakt. De aanslag op [persoon 4] gaat uiteindelijk niet door omdat hij met vakantie is gegaan. Het openbaar ministerie heeft erop gewezen dat [verdachte] op 3 mei 201 een screenshot heeft gemaakt en dat kort daarna de medeverdachte [medeverdachte 5] om 00:04 uur eenzelfde screenshot aan de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft gestuurd. Volgens het openbaar ministerie bewijst dit dat [verdachte] samenwerkte met onder meer [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] . Het hof vindt de betekenis van dit screenshot echter beperkt. Het biedt inderdaad een aanwijzing dat er op de een of andere manier contact was tussen [verdachte] en [medeverdachte 5] . Dat zij direct contact met elkaar hadden, blijkt echter niet uit de dossierstukken. De foto kan ook zijn gedeeld via een ander, bijvoorbeeld via een opdrachtgever die beide groepen heeft ingezet om [persoon 4] te vinden. Uit de dossierstukken blijkt dat er op meerdere dagen, door meerdere personen gedurende langere tijd naar [persoon 4] is gezocht. De dossierstukken bieden aanwijzingen wie daarbij betrokken waren en ook wanneer dat was, maar niet gebleken is dat daarbij werd samengewerkt door (onder meer) [verdachte] en [medeverdachte 1] aan de ene kant en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] aan de andere kant. Moord op De Vries Hiervoor zijn de gebeurtenissen beschreven die hebben plaatsgevonden in aanloop naar de moord op De Vries op 6 juli 2021. Uit het bewijs volgt dat [verdachte] een van de medeplegers is van de moord op De Vries. [verdachte] heeft daartoe de opdracht gekregen van iemand die hij aanduidde met ‘oom’. [verdachte] zelf was, als tussenpersoon, de organisator en coördinator van de moord. [verdachte] organiseerde de voorverkenningen, stuurde de (beoogde) schutter(
- s)en chauffeur aan en zorgde ervoor dat zij over vuurwapens en een Google Pixel telefoon konden beschikken. Het hof heeft vastgesteld dat [verdachte] eerst [medeverdachte 1] heeft gevraagd om De Vries dood te schieten. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de persoon die hem had gevraagd om iemand te doden, dezelfde is die eerder aan hem vroeg om ‘klusjes te doen, bijvoorbeeld iemand slaan’. Het hof stelt dan ook vast dat [verdachte] [medeverdachte 1] vaker heeft betrokken bij de mishandeling van personen. Dit volgt ook uit de beschrijving van de zoektocht naar [persoon 4] die hiervoor al is beschreven. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 7] [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] wisten dat De Vries op 6 januari 2021 neergeschoten zou worden en daaraan een bijdrage hebben geleverd. Het hof kan niet vaststellen dat er op enig moment direct of indirect communicatie over De Vries heeft plaatsgevonden tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] enerzijds en deze verdachten anderzijds. Getuige 5089 Getuige 5089 heeft verklaard dat [verdachte] heel erg aan het pronken was. Iedereen moest weten dat hij bij de maffia zat. Hij had contact met Marokkanen via een speciale telefoon van 3000 euro, die hij van ‘oom’ had gekregen. Via de telefoon kreeg hij berichten van: ‘daar en daar moet je wapens ophalen’. [verdachte] had elke dag contact met ‘oom’ (die in de gevangenis zat) of de ‘broer van oom’. [verdachte] was de rechterhand van de baas als het over de Poolse kant van de zaak gaat. Hij nam soldaten aan, hij ging altijd wapens ophalen en hij verrekende het geld. [verdachte] vertelde dat hij een verbod had om zelf dingen te doen, hij moest alleen mensen aannemen, maar mocht zelf niets uitvoeren, omdat de baas hem nodig had als leider. Hij moest ook telefoons overdragen die bij de klussen gebruikt moesten worden. [verdachte] gaf geen opdrachten in de zin van jij moet dit doen, hij zei eerder: ‘wie wil verdienen’. Deze verklaring wordt voor een deel bevestigd door de verklaring van de getuige [getuige 1] . Hij heeft verklaard dat [verdachte] het had over ‘mafia, moordopdrachten en een baas voor wie iedereen bang was om zijn naam te noemen’. In april 2021 heeft de getuige 5089 [verdachte] naar Amsterdam gebracht. Hij had via de telefoon een bericht gekregen dat hij een auto op moest halen. Dat ging op een zogenaamde ‘kloon’, het hof begrijpt uit de toelichting van de getuige: een gestolen auto met een valse kentekenplaat die overeenkomt met de kentekenplaat die behoort bij een vergelijkbare auto. De getuige heeft een zwarte Renault Clio opgehaald. De sleutel lag op het wiel. Hij heeft de auto op een andere parkeerplaats neergezet en de sleutel weer op het wiel gelegd. Tijdens een doorzoeking in een woning op het adres [adres 10] in Rotterdam werden in de slaapkamer in gebruik bij [verdachte] negen telefoons, waarvan drie Google Pixel telefoons en een vuurwapen met twee volledig met patronen gevulde patroonhouders aangetroffen. Auto’s Behalve met bovengenoemde, gestolen auto’s kan [verdachte] ook in verband worden gebracht met een andere gestolen Renault Megane. [getuige 1] heeft verklaard dat hij in april of mei op verzoek van [verdachte] , samen met hem, met spoed een zwarte Renault Megane met [kenteken 5] naar Amsterdam heeft gebracht. [verdachte] schreeuwde dat hij de auto moest brengen, omdat [verdachte] en [getuige 1] anders ‘naar de kloten’ zouden gaan. Van [verdachte] heeft hij gehoord dat hij deze auto naar [medeverdachte 1] gebracht. [getuige 1] heeft [medeverdachte 1] ook van een foto herkend. Op 15 oktober 2021 is op de [adres 11] in Maurik een Renault Megane aangetroffen voorzien van de valse [kenteken 6] . Op dit voertuig hoort het [kenteken 5] . De auto is op 7 mei 2021 gestolen in Amsterdam. De plek waar de Renault Megane is aangetroffen ligt heel dicht bij de woning van [medeverdachte 1] . Conclusie Het hof stelt, gelet op het voorgaande, vast dat er een samenwerkingsverband was met (gelet op de tijdspanne) een zekere duurzaamheid en (gelet op de te onderscheiden handelingen die kunnen worden onderverdeeld in opdracht geven, coördineren en uitvoeren) structuur en ook dat deze organisatie het oogmerk had tot het plegen van zware geweldsmisdrijven, zoals zware mishandeling (met voorbedachten rade) en moord en het voorhanden hebben van vuurwapens en heling. De verdachte behoorde tot het samenwerkingsverband en heeft een aandeel gehad in gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het hof acht niet bewezen dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] tot dit samenwerkingsverband behoorden. 7Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A primair en in zaak B onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak A 1. primairhij op 6 juli 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, P.R. de Vries van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen in op het hoofd van P.R. de Vries te schieten, ten gevolge waarvan hij op 15 juli 2021 is overleden; Zaak B 1.hij op 5 juli 2021 en 6 juli 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistoolmitrailleur van het merk Heckler & Koch, type MP-5K, kaliber 9mm x 19 een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een getransformeerd pistool van het merk Zoraki, type 917, kaliber 9mm kort, munitie van categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten 14 patronen van het kaliber 9mm kort en 46 patronen van het kaliber 9mm x 19; 2. primairhij in de periode van 1 april 2021 tot en met 31 augustus 2021 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit verdachte, [medeverdachte 1] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: moord, mishandeling en zware mishandeling, met voorbedachten rade, heling en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. Hetgeen in zaak A primair en in zaak B onder 1 en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, die in een bijlage achter dit arrest zijn te vinden. 8Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A primair en in zaak B onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A primair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van moord. Het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2⸰ en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. Het in zaak B onder 2 primair bewezenverklaarde levert op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en misdrijven waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld. 9Strafbaarheid van de verdachte Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij [verdachte] sprake was van psychische overmacht en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het is op zijn minst genomen aannemelijk geworden dat [verdachte] heeft gehandeld onder grote druk. Het weigeren van verdere medewerking aan het delict was voor [verdachte] geen reële optie en dit kon redelijkerwijs ook niet van hem worden verwacht, omdat het niet denkbeeldig was dat dit hemzelf of zijn familie het leven zou hebben gekost. De verdediging heeft ter onderbouwing van het standpunt onder meer gewezen op de dreigende berichten die [verdachte] heeft ontvangen van ‘ [chatnaam 3] ’ en ‘ [chatnaam 2] ’ in september 2021 en de verklaring van de getuige 5089, waaruit blijkt dat op [verdachte] grote druk is uitgeoefend. Standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] geen geslaagd beroep op psychische overmacht toekomt. Het openbaar ministerie ziet aanwijzingen dat er enige druk op [verdachte] is uitgeoefend, maar vindt dat niet aannemelijk is geworden dat deze druk van dien aard was dat deze bij [verdachte] ten tijde van het begaan van de feiten een zodanige gemoedstoestand heeft veroorzaakt dat hij redelijkerwijs onmogelijk anders kon en behoefde te handelen dan hij heeft gedaan. Oordeel van het hof Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Onder omstandigheden kan het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend, in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht. Als een beroep op psychische overmacht slaagt, wordt de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Dat betekent dat de strafzaak eindigt en dat er geen straf wordt opgelegd. [verdachte] heeft bij de politie geen verklaring afgelegd. Bij de rechtbank heeft [verdachte] alleen verklaard dat ‘hij onder druk berichten heeft doorgestuurd’. Hij heeft zich verder op zijn zwijgrecht beroepen. In hoger beroep heeft [verdachte] , ook na daar herhaaldelijk toe te zijn uitgenodigd, hierover niets verklaard. [verdachte] heeft dus niets verklaard over hoe en wanneer deze druk tot stand is gekomen, de mate of intensiteit van de druk, door wie deze druk werd uitgeoefend en wat voor gevolgen dat voor hem had. De door de verdediging aangehaalde berichten van ‘ [chatnaam 3] ’ en ‘ [chatnaam 2] ’ van september 2021 hebben inderdaad een dreigend karakter en uit de berichten kan worden afgeleid dat [verdachte] zich gespannen voelde. De berichten van september 2021 zijn echter geen berichten uit de periode van het tenlastegelegde en lijken niet over de moord op de Vries te gaan. Het is – ook gelet op de uiterst summiere verklaring van [verdachte] – niet vast te stellen of ‘ [chatnaam 3] ’ en/of ‘ [chatnaam 2] ’ ook in de ten laste gelegde periode druk op [verdachte] hebben uitgeoefend, laat staan dat er een verband bestond met de moord op De Vries. Ook hierover heeft [verdachte] zelf niets verklaard. Uit de verklaringen van de getuige 5089 en [getuige 1] blijkt dat [verdachte] gespannen was en dat er enige mate van druk op hem is uitgeoefend in verband met de moord op De Vries. Daar staat tegenover dat de getuige 5089 ook heeft verklaard dat [verdachte] erg trots aan hem heeft verteld ‘dat hij zelf niets mocht uitvoeren van de baas omdat ze hem anders kwijt zouden raken’. [getuige 1] heeft daarnaast verklaard dat [verdachte] ‘liep te pronken’ met zijn werkzaamheden en dat [verdachte] ‘een beetje dik begon te doen over voor wie hij werkte’. Op basis van deze verklaringen komt enerzijds een beeld van [verdachte] naar voren dat hij gespannen was en dat er enige mate van druk op hem werd uitgeoefend, maar anderzijds blijkt hier ook uit dat [verdachte] aan zijn omgeving uitdroeg dat hij trots was op de criminele werkzaamheden die hij uitvoerde. [verdachte] heeft hier zelf niets over verklaard en heeft niet uitgelegd hoe zijn gedragingen geduid moeten worden. Het hof is van oordeel dat op basis van de verklaringen van de getuigen 5089 en [getuige 1] , de summiere stelling van [verdachte] over druk en de overige dossierstukken, de feitelijke grondslag van het beroep op psychische overmacht onvoldoende aannemelijk is geworden. Daarnaast merkt het hof op dat, ook als sprake zou zijn geweest van druk of dreiging, van de verdachte in redelijkheid kon worden verlangd dat hij daaraan weerstand bood. Van de verdachte wordt verwacht dat hij niet meedoet aan de uitvoering van een moord, en eventueel hulp zoekt bij de politie of justitiële autoriteiten. Het hof concludeert op grond van het bovenstaande dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat bij [verdachte] in de periode van het tenlastegelegde sprake was van een zodanige druk dat hij daar tegen redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. [verdachte] komt dus geen geslaagd beroep op psychische overmacht toe. Ook daarnaast zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten, zodat hij strafbaar is. 10Benadeelde partij De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich bij de rechtbank in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 64.394,52. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en de oorspronkelijke vordering verminderd met € 5.000,00, door de post ‘toekomstige medische kosten/eigen risico’ niet langer te handhaven. De vordering tot schadevergoeding bedraagt in hoger beroep in totaal € 59.394,52 en bestaat uit de volgende posten: - immateriële schade (totaal) € 57.500,00
- a)affectieschade € 17.500,00
- b)schokschade € 40.000,00 - materiële schade (totaal) € 1.894,52
- a)kosten veiligheidsmaatregelen € 358,00
- b)reiskosten € 814,11
- c)eigen risico in verband met GGZ € 722,41 De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen. De affectieschade is toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 en de schokschade tot een bedrag van € 20.000,00. De kostenpost ‘eigen risico in verband met GGZ’ van € 722,41 is volledig toegewezen als materiële schokschade. Voor het overige heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 58.222,41. De posten ‘kosten veiligheidsmaatregelen’ en ‘reiskosten’ komen niet voor toewijzing in aanmerking, maar de overige posten kunnen volgens de advocaat-generaal geheel worden toegewezen. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet behoort tot de kring van personen die recht heeft op affectieschade. De vordering kan daarom niet kan worden toegewezen. De verdediging heeft subsidiair verzocht het gevorderde bedrag aan shockschade fors te matigen. Oordeel van het hof Affectieschade Artikel 51f lid 2 Sv bepaalt dat indien een benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit is overleden, de personen bedoeld in artikel 6:108 lid 1 tot en met 4 van het Burgerlijkwetboek (BW) zich kunnen voegen voor de in dat artikel genoemde vorderingen tot schadevergoeding. Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW) biedt in lid 3 en 4 een recht voor vergoeding van immateriële schade die ‘naasten’ van het slachtoffer lijden in de vorm van affectieschade als gevolg van het overlijden van het slachtoffer. De wet noemt een beperkte kring van personen die voor affectieschade in aanmerking kunnen komen. De naasten die worden genoemd in artikel 6:108, vierde lid, onder a tot en met f, van het BW, kunnen aanspraak maken op vergoeding van affectieschade. Zij hebben daar recht op zonder dat zij verplicht zijn om de aard en de ernst van hun schade nader te motiveren. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van wettelijk bepaalde standaardbedragen. Als iemand niet onder de in artikel 6:108, vierde lid, sub a tot en met f, van BW genoemde naasten valt, kan een beroep worden gedaan op de hardheidsclausule van artikel 6:108, vierde lid, sub g, van het BW. In dat geval zal de benadeelde partij moeten stellen en onderbouwen dat sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij toch voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komt. Om op grond van deze (in wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide) bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij relevante factoren zijn: de intensiteit, aard en duur van de relatie. Ten aanzien van [verdachte] is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op De Vries. Daarmee staat vast dat De Vries is overleden ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor [verdachte] aansprakelijk is. Door de benadeelde partij is gesteld dat zij en De Vries sinds 2015 een liefdesrelatie hadden en verloofd waren. Zij waren samen bezig met het schrijven van een boek over hun liefde, wilden verre reizen maken, hadden plannen voor de toekomst en waren op zoek naar een huis om in samen te gaan wonen. Zij heeft ter onderbouwing van haar stellingen de volgende stukken overgelegd: enkele hoofdstukken uit het boek dat zij en De Vries aan het schrijven waren, een e-mailbericht met daarin een verklaring van een vriend over de innige relatie tussen de benadeelde partij en De Vries, een WhatsApp bericht aan een vriend waarin staat dat zij door De Vries ten huwelijk is gevraagd, een WhatsApp bericht over het bezichtigen van een woning, een condoleancekaartje van een makelaar en een WhatsApp-gesprek van De Vries aan een vriend waarin hij schrijft hoe veel hij van haar houdt. Het hof constateert dat de stellingen van de benadeelde partij met stukken zijn onderbouwd. De relatie begon in 2015. De benadeelde partij en De Vries hadden gezamenlijke plannen voor de toekomst. Zij wilden een boek schrijven, met elkaar reizen maken, trouwen en samenwonen. Door de verdediging zijn de specifieke feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist. Het hof is van oordeel dat daarmee voldoende is vast komen te staan dat sprake was van een sterke, langdurige en hechte affectieve relatie. De verdediging heeft enkel aangevoerd dat de benadeelde partij niet tot de kring van personen behoort die recht op een vergoeding heeft, maar heeft dit standpunt niet onderbouwd. De verdediging verwondert zich weliswaar over de reactie van de benadeelde partij, te weten ‘WTF’ in een appje aan een derde waarin zij schrijft dat De Vries haar ten huwelijk heeft gevraagd, maar betwist niet dat zij door De Vries ten huwelijk is gevraagd en dat ze van plan waren om te gaan trouwen. De verdediging wijst er ook op dat uit app-contacten tussen de benadeelde partij en De Vries over de bezichtiging van een huis is op te maken dat De Vries het huis zou kopen, maar betwist niet dat de benadeelde partij en De Vries van plan waren om samen te gaan wonen. Het hof is dan ook van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de benadeelde partij in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot De Vries stond dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij een ‘naaste’ is die recht heeft op affectieschade. In het Besluit vergoeding affectieschade wordt deze schade – in het geval van de benadeelde partij – vastgesteld op een bedrag van € 17.500,00. Dit bedrag zal door het hof dan ook worden toegewezen als affectieschade. Schokschade Artikel 51 f lid 1 Sv bepaalt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding in het strafproces kan voegen als benadeelde partij. Er bestaat ruimte voor vergoeding voor schade als iemand een ander door zijn onrechtmatige daad doodt (het primaire slachtoffer), en hij daarmee ook onrechtmatig handelt ten aanzien van degene bij wie de confrontatie met de daad of de gevolgen daarvan een hevige emotionele schok teweeg brengt (het secundaire slachtoffer). Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens het secundaire slachtoffer zijn onder meer: de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed; de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen is geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre dit onverhoeds was; de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer. Deze gezichtspunten moeten in hun onderlinge samenhang worden beschouwd, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit het veroorzaakte geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Dit zal in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking. Een vordering tot vergoeding van schokschade is niet uitsluitend toewijsbaar als precies kan worden vastgesteld welk deel van het geestelijk letsel kan worden aangemerkt als schokschade en welk deel als affectieschade. De rechter moet bij samenloop van deze vormen van schade aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van schokschade rekening wordt gehouden met affectieschade. Door de benadeelde partij is gesteld dat sprake is geweest van een directe en onverhoedse confrontatie met de gevolgen van het bewezenverklaarde, hetgeen een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht, als gevolg waarvan zij posttraumatische stressklachten heeft ontwikkeld. Ter bevestiging hiervan heeft de benadeelde partij twee brieven van haar zorgverleners overgelegd. De benadeelde partij heeft daarbij benadrukt dat affectieschade en schokschade twee zelfstandige schadevormen zijn, die wezenlijk van elkaar verschillen. Deze schadevormen moeten beiden zelfstandig worden gewaardeerd, zonder verrekening of beperking. Het hof is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van schokschade voldoende is onderbouwd. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen. De Vries is rond 19:30 uur in het centrum van Amsterdam neergeschoten. De benadeelde partij is diezelfde avond in het ziekenhuis geconfronteerd met haar zwaargewonde partner. Hij lag met een schotwond in zijn hoofd en andere verwondingen op een brancard. Zij was tot het overlijden dagelijks bij hem in het ziekenhuis en leefde negen dagen lang tussen hoop en vrees, terwijl zij haar partner voor zijn leven zag vechten. De benadeelde partij heeft in het ziekenhuis afscheid moeten nemen en was aanwezig toen haar partner overleed. Ook na het overlijden is de benadeelde partij vaak geconfronteerd met de moord. Er was en is veel media-aandacht en er circuleren beelden op internet van haar neergeschoten partner liggend op straat. Uit de brieven van de zorgverleners volgt dat bij de benadeelde partij angstklachten zijn ontstaan na de moord op haar partner. De praktijkondersteuner vermoedt dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis en heeft de benadeelde partij doorverwezen naar een gespecialiseerde praktijk. De klinisch psycholoog heeft schriftelijk bevestigd dat de benadeelde partij onder behandeling is en EMDR therapie volgt vanwege rouw in combinatie met een posttraumatische stressstoornis die is ontstaan naar aanleiding van de moord op haar partner. Uit het voorgaande volgt genoegzaam dat de confrontatie met het bewezenverklaarde feit bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel heeft geleid en dat de benadeelde partij hierdoor schokschade heeft geleden. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schokschade houdt het hof er rekening mee dat er ook sprake is van affectieschade: pijn om het verlies van een dierbare. Deze schade is immens en niet of nauwelijks in geld uit te drukken. Daarvoor krijgt de benadeelde partij een bedrag van € 17.500,00 toegekend. Gelet hierop en kijkend naar de vergoeding die in andere zaken wordt toegekend, acht het hof voor (immateriële) schokschade een bedrag van € 20.000,00 redelijk en billijk. Het standpunt van de benadeelde partij dat bij het bepalen van de hoogte van de schokschade geen rekening mag worden gehouden met affectieschade is niet juist, zoals hiervoor al is toegelicht. Ook het gevorderde bedrag voor de kosten die zien op het eigen risico in verband met GGZ-behandelingen zal worden toegewezen. Deze kosten zijn het gevolg van de confrontatie met het bewezenverklaarde waardoor bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok teweeg is gebracht, hetgeen tot geestelijk letsel heeft geleid. Deze kosten worden aangemerkt als materiële schokschade. Overige materiële schade De benadeelde partij heeft kosten gevorderd voor veiligheidsmaatregelen en reiskosten. Het hof zal de benadeelde partij met betrekking tot deze kosten niet-ontvankelijk verklaren. Het betreft hier geen schokschade en ook geen schade die de benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden door het strafbare feit, zodat artikel 51f lid 1 Sv niet van toepassing. Ook artikel 51f lid 2 Sv biedt geen grondslag voor voeging in het strafproces. Deze schade valt immers niet onder de in artikel 6:108 BW gelimiteer