afdeling strafrecht parketnummer: 23-001249-23 datum uitspraak: 11 december 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-133508-21 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , gedetineerd in [penitentiaire inrichting] . Dit arrest wordt gewezen in een strafzaak die bekend is geworden onder de namen Yaros I en Yaros II. Het hof wijst in de zaken van zeven verdachten gelijktijdig arrest. Het gaat in deze zaak om de gewapende overval op Schöne Edelmetaal in Amsterdam-Noord, gevolgd door een achtervolging door de politie, waarbij vanuit de dadergroep op verschillende locaties met geweren is geschoten. In Broek in Waterland zijn de meeste overvallers aangehouden. Deze aangehouden overvallers zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (respectievelijk chauffeur, bijrijder en inzittende van de betrokken [voertuig 2] ). Daarnaast gaat het om [medeverdachte 4] en [verdachte] (respectievelijk chauffeur en inzittende van de bij de overval gebruikte [voertuig 1] ). Een zesde betrokkene, [medeverdachte 5] die bijrijder was in de [voertuig 1] , is in Broek in Waterland om het leven gekomen. Het onderzoek naar de betrokkenheid van deze overvallers is genoemd Yaros I. Verder stonden [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] terecht. Zij zijn beiden geruime tijd later aangehouden. Het onderzoek naar hun betrokkenheid is Yaros I (in de zaak [medeverdachte 6] ) en Yaros II (in de zaak [medeverdachte 7] ) genoemd. De verdenking in het geval van [medeverdachte 6] hield in dat hij, kort gezegd, in een coördinerende rol betrokken is geweest. [medeverdachte 7] is vervolgd wegens zijn rol als één van de uitvoerders. 1Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6, 7, 14 en 28 oktober 2025 en 3, 7 en 27 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal (hierna: advocaat-generaal) en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat: 1. hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, goederen, te weten een grote hoeveelheid kostbare edelmetalen, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan Schöne Edelmetaal, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
(3857461)verklaart over twee auto’s (een [voertuig 1] en een [voertuig 2] ) die aan het eind van de Zuiderzeeweg linksaf slaan en de oprit vanaf de S115 oprijden naar de A10 (dossier map 25, p. 1162 en verder). Volgens deze getuige heeft de passagier die links achter in de [voertuig 2] zat, zijn arm uit het linker achterraam van de [voertuig 2] gestoken en in de lucht geschoten. Het hof stelt vast dat deze waarneming niet kan slaan op de verdachte [verdachte] omdat hij in de [voertuig 1] zat en niet in de [voertuig 2] . Reeds hierom is er naar het oordeel van het hof geen noodzaak om het verzoek om deze getuige te horen in te willigen. De enkele veronderstelling van de raadsvrouw dat de getuige zich moet hebben vergist in het merk van de auto en daarom moet worden gehoord brengt die noodzaak ook niet met zich. In dit verband betrekt het hof eveneens dat de verdachte zelf op de zitting ten overstaan van het hof heeft verklaard dat hij in het geheel niet heeft geschoten op de door de getuige genoemde en de door de raadsvrouw bedoelde locatie. Het verzoek wordt afgewezen. Locatie afrit/S116/A10 naar N247 In navolging van de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat geen bewezenverklaring kan volgen voor de primair en subsidiair tenlastegelegde poging (gekwalificeerde) doodslag. Nu de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] in het proces-verbaal van bevindingen hebben geverbaliseerd dat zij zagen dat op de A10 de persoon die linksachter in de [voertuig 1] zat uit het raam hing met het lange vuurwapen, dat het voertuig met hoge snelheid door de bocht de A10 in de richting van de S116 Purmerend opdraaide en zij vervolgens weer een doffe knal hoorden, volgt – mede gelet op wat hiervoor over de bedreiging is overwogen – dat wel is bewezen dat [verdachte] heeft geschoten. Dit was bedreigend voor de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] ) op de afrit S116 (A10) richting de N247. Locatie N247/Slochterweg/busbaan (Shell tankstation) Het hof acht gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] vanuit de [voertuig 1] in de richting van de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] ) heeft geschoten op de N247/Slochterweg/Busbaan (in de buurt van het Shell station). Het hof betrekt in dit oordeel dat de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] al in hun proces-verbaal van bevindingen hebben geverbaliseerd dat zij zagen dat er op die locatie gericht op hen werd geschoten. Dit bevestigen beide politieambtenaren in hun aangiftes waarin ze beiden ook verklaren dat er op de locatie N247/Slochterweg (in de directe omgeving van de het Shell benzinestation) op hen wordt geschoten. Het hof ziet – gelet ook op wat hierover in de algemene overwegingen is overwogen – geen reden om hieraan te twijfelen. Dat het slechte weer en de enorme stress waarin de politieambtenaren verkeerden hun waarneming kan hebben vertroebeld is – zoals hiervoor ook is overwogen – evenmin voldoende reden om aan de waarnemingen te twijfelen. Dit leidt tot de slotsom dat [verdachte] op deze locatie met het voorwaardelijk opzet op de dood heeft geschoten in de richting van de betrokken politieambtenaren. 5.4.2. [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] (Hyundai Kona) Locatie N247 (vanuit de [voertuig 2] ) In navolging van de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat geen bewezenverklaring kan volgen voor de primair en subsidiair tenlastegelegde poging (gekwalificeerde) doodslag. Door de politieambtenaren wordt immers niet verklaard dat op die plek gericht op hen is geschoten. Door de politieambtenaar [politieambtenaar 5] die als bestuurder in de Volkswagen Passat zat, is geverbaliseerd dat hij portofonisch hoorde dat twee opvallende politievoertuigen achter de voertuigen van (het hof begrijpt) de verdachten reden van waaruit door de verdachten op de collega’s werd geschoten en dat hij toen zicht had op de collega’s die daadwerkelijk werden beschoten met automatische wapens. Op grond van deze verklaring kan echter niet worden vastgesteld vanuit welk voertuig werd geschoten en op welke politieauto dit was gericht zodat het hof deze waarneming onvoldoende acht om aan te nemen dat er toen gericht op de inzittenden van de Hyundai Kona is geschoten door een inzittende van de [voertuig 2] . Nu op grond van de bevindingen van de politieambtenaren [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] wel kan worden vastgesteld dat de [voertuig 2] met hoge snelheid vanaf de afrit (komende van de A10) de Slochterweg (N247) opreed en dat een persoon uit het linker achterportier hing met een automatisch wapen en dat deze vanuit de [voertuig 2] heeft geschoten, is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de vaststelling dat [medeverdachte 3] , die toen achterin de [voertuig 2] zat, in de lucht heeft geschoten. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen wat in algemene zin over de vereisten voor de bewijswaardering van bedreiging is overwogen. Locatie Broekergouw/Kruisweg Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 19 mei 2021 in Broek in Waterland op het kruispunt Broekergouw en Kruisweg voor de daar geparkeerde [voertuig 1] door een verdachte meerdere keren is geschoten in de richting van de politieambtenaren in de voorbij rijdende Hyundai Kona. Door aldus, onder uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden, in de richting van de politieambtenaren te schieten is er, gelet op wat hiervoor over het opzet is overwogen, sprake geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. Omdat dit schietincident heeft plaatsgevonden na de gewapende overval en met het doel om aan de politie te ontsnappen en de buit te verzekeren, is dit een poging tot gekwalificeerde doodslag. Voor beantwoording van de vraag wie de schutter was op het kruispunt Broekergouw en Kruisweg overweegt het hof het volgende. De bijrijder heeft in haar aangifte verklaard dat zij de man die zij na de aanhoudingen van de verdachten in het weiland overnam, direct herkende als de schutter die op het kruispunt Broekergouw en Kruisweg op haar en haar collega had geschoten. Ze herkende zijn rastahaar waar hij een soort sok of mutsje overheen droeg. In haar aanvullende aangifte heeft zij verklaard dat hij een soort rastanetje/panty droeg waaronder donker rastahaar/een rastaknot zat en hij had een opvallende oranje/rode skibril op. Bij de rechter-commissaris heeft ze desgevraagd verklaard dat de schutter een oranje skibril op had. Het haarnetje heeft zij gezien op zijn hoofd op het moment dat hij in hun richting schoot. Zij heeft hem herkend toen hij in het weiland lag. De afstand tussen de schutter en de Hyundai Kona was max 10 meter. De bestuurder heeft in zijn aangifte op 2 juni 2021 verklaard dat hij een man met een rood/oranje skibril met een automatisch wapen heeft gezien voor de geparkeerde wagens die vervolgens schoot. Deze man stond op ongeveer 10 meter van de auto waarin de politieambtenaren zaten, vandaan. Deze verbalisant heeft enkele weken later in zijn aanvullende aangifte opnieuw verklaard dat de schutter een rode skibril droeg, in het donker gekleed was en een bult met haar op zijn hoofd had onder een soort haarnetje. De afstand tussen de schutter en de Hyundai waarin hij reed was ongeveer 8 à 10 meter. Hij heeft later de verdachte met de rode skibril overgenomen van collega’s. Desgevraagd bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat de schutter een soort panty over zijn hoofd had met rastahaar. Hij had een skibril op. Dat de schutter een haarnetje had, had hij al waargenomen op het moment dat de schutter richting hem en zijn collega schoot. Hij heeft de schutter later in het weiland overgenomen. Het hof stelt vast dat op het moment van het schieten de afstand tussen de schutter en de politieambtenaren in de Hyundai Kona ongeveer 8 à 10 meter was; zij hebben hem dus van dichtbij gezien. Beide politieambtenaren hebben verklaard over het rastahaar en het netje/panty waaronder het haar werd gedragen en de rood/oranje skibril. Bovendien hebben zij beiden verklaard dat zij de schutter herkenden toen zij hem van collega’s in het weiland overnamen. Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen vast dat het [medeverdachte 2] is geweest die op het kruispunt Broekergouw en Kruisweg in de richting van de politieambtenaren in de voorbij rijdende Hyundai Kona heeft geschoten. Het hof heeft in dit oordeel betrokken dat, hoewel nog twee andere verdachten een rood/oranjekleurige skibril droegen, deze verdachten op significante wijze niet aan het overige signalement voldoen. [verdachte] , de enige persoon in de dadergroep die buiten [medeverdachte 2] ook een negroïde uiterlijk heeft, was immers niet in het donker gekleed, maar droeg juist lichte (groenkleurige) kleding en [medeverdachte 5] had een geblokte jas aan. Ook onderscheiden deze verdachten zich doordat zij onmiskenbaar geen rastahaar hadden. Bovendien was [medeverdachte 5] op het moment van de aanhoudingen al niet meer in leven. 5.4.3. [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] (Volkswagen Passat) Locatie N247 Het hof stelt vast dat in het proces-verbaal van bevindingen van de politieambtenaren [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] niets is gerelateerd over gericht schieten op deze locatie op deze politieambtenaren. De bijrijder ( [politieambtenaar 6] ) heeft volgens de aangifte en de overige door deze politieambtenaar afgelegde verklaringen niets gezien. In navolging van het requisitoir van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte wat betreft dit incident, voor zover betrekking hebbend op deze verbalisant, van het tenlastegelegde in alle varianten moet worden vrijgesproken. Verder stelt het hof vast dat de politieambtenaar [politieambtenaar 6] weliswaar heeft verklaard in zijn aangifte dat er is geschoten, maar deze aangifte wordt niet ondersteund door een ander bewijsmiddel zodat om die reden ook een integrale vrijspraak dient te volgen wat betreft dit incident voor zover betrekking hebbend op de politieambtenaar [politieambtenaar 5] . Locatie Galggouw/Broekergouw Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat er op de hoek Galggouw en de Broekergouw door een verdachte in de richting van de inzittenden van de Volkswagen Passat is geschoten. Door aldus op de politieambtenaren te schieten is, gelet op wat hiervoor over het (voorwaardelijk) opzet is overwogen, sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van deze politieambtenaren. Omdat dit schietincident heeft plaatsgevonden na de gewapende overval en met het doel om aan de politie te ontsnappen en de buit veilig te stellen, wordt dit aangemerkt als een poging tot gekwalificeerde doodslag. Dat het een van de verdachten is geweest die toen in de richting van de VW Passat heeft geschoten, stelt het hof vast op grond van de bewijsmiddelen. Niet kan worden vastgesteld welke verdachte toen vuurde. 5.4.4. [politieambtenaar 7] , [politieambtenaar 8] , [politieambtenaar 27] en [politieambtenaar 13] Locatie Bruggetje Ten aanzien van [politieambtenaar 7] Het hof stelt vast dat de politieambtenaar [politieambtenaar 7] geen proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt. Wel heeft hij aangifte gedaan van gericht schieten door een verdachte op deze locatie. Voor de vraag of er voldoende steunbewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, is de verklaring van politieambtenaar [politieambtenaar 8] relevant. Weliswaar blijkt uit de verklaring van die politieambtenaar dat er gericht is geschoten, maar naar het oordeel van het hof kan niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de beide politieambtenaren voor wat betreft het gericht schieten over precies dezelfde locatie spreken. De samenhang tussen beide verklaringen is daarom onvoldoende betekenisvol voor de bewijslevering. Nu het bewijs voor opzet op de dood niet blijkt uit andere bewijsmiddelen dan een enkele aangifte zal de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde (ten aanzien van [politieambtenaar 7] ) worden vrijgesproken. Omdat zowel politieambtenaar [politieambtenaar 7] als politieambtenaar [politieambtenaar 8] wel allebei hebben verklaard over het schieten op deze locatie, is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de bedreiging van politieambtenaar [politieambtenaar 7] op deze locatie, gepleegd door één van de leden van de dadergroep. Ten aanzien van [politieambtenaar 8] Politieambtenaar [politieambtenaar 8] heeft een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt kort gezegd inhoudende dat de man met een Kalasjnikov op hem en zijn collega’s richtte en diverse malen in hun richting schoot toen hij op de brug stond. Het hof heeft overwogen dat het bewijs dat een feit is gepleegd in beginsel kan worden gebaseerd op de inhoud van een proces-verbaal van bevindingen, maar dat er omstandigheden kunnen zijn die ertoe leiden dat van dat uitgangspunt niet onverkort kan worden uitgegaan. Nu deze politieambtenaar in zijn verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris zijn waarnemingen duidelijk heeft genuanceerd, is van een dergelijke omstandigheid sprake. Dit betekent dat het hof in dit geval aanleiding ziet om het opgemaakte proces-verbaal van bevindingen niet als toereikend bewijsmiddel te beschouwen, en van oordeel is dat er aanvullend bewijs nodig is om tot een bewezenverklaring van opzet op de dood aan te nemen. Dit aanvullende bewijs ontbreekt in deze zaak zodat het hof reeds daarom tot een vrijspraak komt van het primair en subsidiair tenlastegelegde poging (gekwalificeerde) doodslag ten aanzien van politieambtenaar [politieambtenaar 8] . Zoals ook overwogen ten aanzien van politieambtenaar [politieambtenaar 7] is er gelet op de verklaringen van beide politieambtenaren, zoals opgenomen in hun aangiftes, wel voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de tenlastegelegde bedreiging, gepleegd door één van de leden van de dadergroep. Ten aanzien van [politieambtenaar 9] In navolging van het requisitoir van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging dat ten aanzien van deze politieambtenaar de verdachte integraal moet worden vrijgesproken, stelt het hof vast dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor enige variant van het verwijt in feit 2 ten aanzien van deze politieambtenaar zodat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken. Ten aanzien van [politieambtenaar 13] Nu de aangever en zijn collega in het proces-verbaal van bevindingen niet hebben verklaard dat gericht op hen is geschoten, maar enkel in de lucht wordt de verdachte – zoals ook door de advocaat-generaal is gerekwireerd – reeds daarom van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken. Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging stelt het hof vast dat de verdediging ten aanzien van dit verwijt geen verweer heeft gevoerd. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er op die locatie door een van de verdachten dreigend in de lucht is geschoten door één van de leden van de dadergroep. 5.4.5. [politieambtenaar 10] , [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] (politiebus) Locatie Broekergouw/Galggouw Het hof volgt de advocaat-generaal in het standpunt dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er is geschoten op een manier waaruit opzet op de dood kan worden afgeleid. Daarom zal de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken. Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging stelt het hof vast dat de verdediging ten aanzien van dit verwijt geen verweer heeft gevoerd. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er op die locatie door een van de verdachten dreigend is geschoten. Locatie Kippenbruggetje Nu de aangevers in het proces-verbaal van bevindingen niet hebben verklaard dat er op enigerlei wijze op hen is geschoten, wordt de verdachte – zoals ook door de advocaat-generaal is gerekwireerd van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken. Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging stelt het hof vast dat de verdediging ten aanzien van dit verwijt geen verweer heeft gevoerd. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er op die locatie door een van de verdachten dreigend is geschoten. 5.4.6. Medeplegen Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij deze, naar verschillende incidenten uitgesplitste, feiten telkens heeft medegepleegd. In het voorgaande is overwogen dat het hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen bewezen acht dat: [verdachte] de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd op de locatie invoeg/ S115/A10 en op de locatie N247/Slochterweg/busbaan, in beide gevallen tegen de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] , respectievelijk chauffeur en bijrijder van de Volkswagen Touran; [medeverdachte 2] de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd op de locatie Broekergouw/Kruisweg in Broek in Waterland, tegen de politieambtenaren [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 3] , respectievelijk de chauffeur en bijrijder van de Hyundai Kona; een niet te identificeren persoon, die deel uitmaakte van de dadergroep, de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd op de locatie Galggouw in Broek in Waterland, tegen de politieambtenaren [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] , respectievelijk chauffeur en bijrijder van de Volkswagen Passat; bij de overige onder 2 opgenomen incidenten, behoudens enkele deelvrijspraken, [verdachte] , [medeverdachte 3] of een niet met zekerheid te identificeren schutter, deel uitmakend van de dadergroep, de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging heeft gepleegd. Maatstaven Bij deze stand van zaken staat ter beoordeling of de hiervoor bedoelde personen één of meer van deze feiten alleen hebben gepleegd of dat zij één of meer van deze feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen hebben gepleegd. Daarbij staat het hof allereerst stil bij de vraag of sprake is van medeplegen van de bewezen te verklaren gevallen van poging tot gekwalificeerde doodslag. Deze incidenten lenen zich wat deze bewijsvraag betreft voor een gezamenlijke bespreking. Voor het bewijs van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering ervan. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties moet in de bewijsvoering aandacht worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(
- re)rol in de voorbereiding. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, zijn onder meer relevante factoren de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt, blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad, een beoordeling van het concrete geval. In dit verband kan de procesopstelling van de verdachte ook een rol spelen. Voor medeplegers geldt dat zij het door de delictsomschrijving geëiste opzet moeten hebben. Dat brengt mee dat van het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag slechts sprake kan zijn als de betrokkene opzet heeft op het van het leven beroven van een ander en het medeplegen van de poging tot doodslag tevens is gepleegd met (één van de varianten van) het bijkomend oogmerk dat artikel 288 Sr eist. Volgens vaste rechtspraak is in het geval van medeplegen voor een bewezenverklaring niet vereist dat de verdachte alle bestanddelen van de delictsomschrijving zelf heeft vervuld. Evenmin is nodig dat de verdachte alle handelingen die, ontleend aan de tenlastelegging, in de feitelijke omschrijving van de bewezenverklaring worden opgenomen, heeft uitgevoerd. Mede met toepassing van deze uitgangspunten en de algemene maatstaven voor het bewijs van medeplegen is het hof tot de bewezenverklaring van feit 1 gekomen, zoals eerder in dit arrest is overwogen. Dit impliceert echter niet dat, wanneer deze feitelijke, door de verdachte niet verrichte, gedragingen als afzonderlijke delicten worden ten laste gelegd, reeds op grond daarvan ook tot bewezenverklaring van die feiten kan worden overgegaan. De bewijsbaarheid van de onder 2 ten laste gelegde feiten vereist telkens een zelfstandige beoordeling op basis van de daarvoor uit het dossier af te leiden bewijsmiddelen. Dit betekent evenwel niet dat dit een geïsoleerde beoordeling is waarin volledig wordt geabstraheerd van de inhoud van de voor bewezenverklaring van feit 1 gebruikte bewijsmiddelen. Evenmin staat enige rechtsregel eraan in de weg dat het hof nadere vaststellingen afleidt uit en conclusies verbindt aan die bewijsmiddelen met het oog op de bewijsvoering inzake feit 2. Dat betekent het volgende. De eerste stap is beantwoording van de vraag of de verdachte de delictsomschrijving zelf volledig heeft vervuld. Als daarvan sprake is, is de vervolgvraag of anderen een zodanige bijdrage aan het door hem gepleegde feit hebben geleverd dat de gevolgtrekking moet zijn dat de verdachte het feit samen met één of meer anderen heeft gepleegd. Als de verdachte de delictsomschrijving zelf niet of niet volledig heeft vervuld, dient onderzocht te worden welke bijdrage van de verdachte uit de processtukken kan worden afgeleid. Deze moet worden beoordeeld aan de hand van de hiervoor weergegeven maatstaven die betrekking hebben op medeplegen. Het hof zal deze kwesties, mede met het oog op zoveel mogelijk eenvormigheid in de in de zaken van de verdachte en zijn medeverdachten te wijzen arresten, in samenhang bespreken. Toepassing op de zaak De verdachten hebben deelgenomen aan een gewapende overval waarbij een hoeveelheid edelmetalen is buitgemaakt met een waarde van meer dan 14 miljoen euro. Daarbij is gebruik gemaakt van drie automatische aanvalsgeweren en een shotgun. Met in elk geval twee aanvalsgeweren is daadwerkelijk op verschillende momenten en op verschillende locaties geschoten. Een derde is gebruikt om te dreigen. Daarnaast waren nog twee vuistvuurwapens, een mes en aanzienlijke hoeveelheden munitie, waaronder van pantser doorborende kwaliteit, meegenomen. In de respectieve fasen van de opsporing en de berechting is telkens één van de vragen geweest of er sprake was van een gezamenlijk plan voor de overval. In dat verband is vooral van belang dat er een bijeenkomst is geweest in een appartement aan de [adres 1] in [plaats 1] , van de late avond tot de ochtend voorafgaand aan de overval. Met name [medeverdachte 4] heeft daarover bij de politie verklaard. Ook uit de verklaringen van [verdachte] tijdens het opsporingsonderzoek kan worden opgemaakt dat er vooroverleg heeft plaatsgevonden.. Wie daarbij aanwezig waren kan op grond van hun verklaringen niet worden vastgesteld. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat in dat appartement een groot aantal uitvoerders van de overval aanwezig was maar op nadere vragen weigerde hij om namen te noemen. Ook kan uit de verklaring van [medeverdachte 4] worden opgemaakt dat een persoon in het appartement aanwezig was, die als de organisator kan worden aangemerkt. Deze gaf informatie en instructies. [medeverdachte 4] noemt deze man [bijnaam 1] . Sommige verdachten ontkennen bij een gezamenlijk vooroverleg te zijn geweest. Overig bewijs dat hen met zekerheid in het appartement in [plaats 1] plaatst ontbreekt. Daarom kan niet worden vastgesteld dat alle uitvoerders die avond en nacht in het appartement aanwezig waren. De verdediging heeft bij pleidooi tegen deze achtergrond aandacht gevraagd voor het, in haar visie, ontbrekende harde bewijs van een plan voor de overval. Daarbij is met name één punt sterk geaccentueerd. Vrijwel alle betrokken uitvoerders van de overval hebben verklaard dat er wél een afspraak bestond over het gebruik van de vuurwapens. Deze afspraak hield in dat onder geen beding zou worden geschoten op personen, ook niet na een eventuele betrapping door de politie. Er zou alleen in de lucht worden geschoten. De verdachte heeft dit ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. Daarin zou grond gelegen moeten zijn voor de conclusie dat opzet op het medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag, voor zover daarvan bij één of meer schietincidenten sprake zou zijn, niet kan worden bewezen. Naar het oordeel van het hof dient hierop een ander licht te worden geworpen en worden bovendien enkele relevante aspecten over het hoofd gezien. Daartoe wordt als volgt overwogen. De overval is, zo kan allereerst worden vastgesteld, zodanig uitgevoerd dat daaruit blijkt dat, op tal van essentiële onderdelen, sprake is geweest van voorafgaande onderlinge afstemming. De overvallers zaten steeds in dezelfde samenstelling en op dezelfde plaatsen in de auto’s, ook nadat zij in Broek in Waterland waren overgestapt in de andere vluchtauto’s. De gehele operatie is in vier minuten uitgevoerd. Daarbij waren de rollen verdeeld. [medeverdachte 4] ramde de voordeur met de door hem bestuurde [voertuig 1] . Het rammen van de voordeur was, zo blijkt uit zijn verklaring, tijdens een voorverkenning afgesproken. [medeverdachte 5] en [verdachte] renden als eersten naar binnen, ieder met een lang geweer in de aanslag. [medeverdachte 3] bleef buiten en positioneerde zich direct op de parallelweg en loste meer dan tien schoten in de lucht. Dat was volgens afspraak zijn taak, zo heeft hij zelf verklaard. [medeverdachte 7] paste geweld toe op de beide medewerkers van Brinks en bond hen allebei vast met tie wraps. De overige daders, van wie er enkele in hoger beroep niet terecht staan, hebben de dozen uit de transportwagen naar buiten gebracht en geplaatst in de [voertuig 1] en de [voertuig 3] . Uit dit samenstel van handelingen leidt het hof af dat er sprake was van een planmatige aanpak. Het hof stelt met de rechtbank vast dat de verklaringen over het moment waarop en de plaats waar de bedoelde afspraak over het gebruik van de vuurwapens is gemaakt, dan wel gecommuniceerd, uiteen lopen. Ook zijn de verklaringen op dit punt algemeen en vaag. De waarachtigheid ervan kan daarom moeilijk worden beoordeeld. Maar als deze afspraak wel zou zijn gemaakt is het volgende van belang. Allereerst leidt het veronderstelde bestaan van deze afspraak tot de conclusie dat er kennelijk over het gebruik van de wapens is gesproken en dat dit gebruik niet is uitgesloten. Sterker nog, op grond van de afgelegde verklaringen moet worden aangenomen dat gebruik van de aanvalsgeweren in bepaalde gevallen, waaronder betrapping door de politie en een daarop volgende achtervolging, als passende oplossing werd beschouwd. Bijna alle verdachten droegen zichtbaar kogelwerende vesten, met uitzondering van [medeverdachte 2] . Of [medeverdachte 7] een dergelijk vest droeg kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Dit feit betekent op zich beschouwd al dat de verdachten allen rekening hebben gehouden met een gewelddadige confrontatie, onder meer met de politie, waar het gebruik van vuurwapens onderdeel van zou kunnen zijn. Daar komt bij dat reeds tijdens de overval is geschoten. [medeverdachte 3] loste schoten buiten op straat. Dat waren harde klappen, zo blijkt uit de verklaringen van de daar aanwezige politieambtenaren. [verdachte] kwam na de overval naar buiten terwijl hij schoot. Rond dat moment, in elk geval voordat de overvallers wegreden in drie vluchtauto’s, de [voertuig 1] , de [voertuig 2] en de [voertuig 3] , stonden al drie opvallende politievoertuigen in de directe omgeving van Schöne Edelmetaal. De daders zijn met hoge snelheid weggereden en hebben daarbij de route gevolgd die uit de bewijsmiddelen blijkt. Vanaf de Zuiderzeeweg in Amsterdam-Noord zijn de [voertuig 1] en de [voertuig 2] achtervolgd door politieauto’s naar Broek in Waterland. De A4, met daarin onder anderen [medeverdachte 7] , is ontkomen door op de Zuiderzeeweg af te slaan naar de A10 in de andere richting. [medeverdachte 1] bestuurde de [voertuig 2] , met [medeverdachte 2] als bijrijder en [medeverdachte 3] links op de achterbank. De [voertuig 1] werd bestuurd door [medeverdachte 4] ; naast hem zat [medeverdachte 5] , die later in het weiland in Broek in Waterland door een politiekogel dodelijk werd getroffen; links achterin zat [verdachte] . Tijdens de vlucht is diverse malen vanuit beide auto’s, zoals hiervoor besproken, door [verdachte] , [medeverdachte 3] en een niet met zekerheid aan te wijzen schutter uit de dadergroep geschoten. [medeverdachte 2] en de niet te identificeren schutter hebben geschoten op de parkeerplaats in Broek in Waterland. Wat betreft [verdachte] in twee gevallen en wat betreft [medeverdachte 2] en de andere schutter op de genoemde locatie telkens in de vorm van poging tot gekwalificeerde doodslag. Dit geweld vond plaats in het kader van een vlucht waarbij uit de gang van zaken blijkt dat alle inzittenden van de [voertuig 1] en de [voertuig 2] zich, in bezit van de buit, aan aanhouding door de politie wilden onttrekken. Er werden zeer hoge snelheden bereikt waarbij op risicovolle wijze werd gereden. Op de parkeerplaats in Broek in Waterland werd de buit vanuit de [voertuig 1] overgeladen in de gereed staande [voertuig 4] en [voertuig 5] . Alle daders waren daar in meer of mindere mate mee bezig. Ook zijn zij, nadat de [voertuig 1] en de [voertuig 2] in brand waren gestoken, opnieuw weggereden. Op verschillende momenten werd daarbij geschoten. Nadat het onmogelijk was geworden om verder te rijden zijn zij het weiland in gerend, behalve [medeverdachte 4] die zich in een afvalcontainer in de tuin van een van de woningen had verstopt. Dit houdt in dat genoemde verdachten, terwijl het vuurwapengeweld op verschillende plaatsen en in uiteenlopende omstandigheden werd toegepast, zich op geen enkel moment hebben gedistantieerd. Integendeel, ze hebben zich tot het uiterste ingespannen om in bezit te blijven van de buit en om een aanhouding te vermijden. De bijdrage van elk van de hiervoor genoemde verdachten kan, in het geval zij niet zelf de schutter waren, worden aangemerkt als een bijdrage van voldoende gewicht. Het geweld is toegepast tijdens een gezamenlijke criminele onderneming. Het toegepaste vuurwapengeweld was daarbij een belangrijk onderdeel in de uitvoering, zowel voor de verkrijging van de buit als voor de vlucht. Daarmee was, blijkens de aanwezigheid van automatische vuurwapens en kogelwerende vesten, vooraf rekening gehouden. De reële mogelijkheid van een gewapend treffen, zoals kennelijk ingecalculeerd door de verdachten, impliceert de mogelijkheid dat bij de toepassing van vuurwapengeweld grenzen worden overschreden. De aanwezigheid van de zware aanvalsgeweren die de verdachten hadden meegenomen, heeft aan die mogelijkheid bijgedragen. Aldus heeft zich de reële mogelijkheid van intensievere geweldstoepassing door de respectieve schutters gerealiseerd. Het is niet uit te sluiten dat de overige verdachten deze overschrijding van grenzen niet hebben verwacht, althans daarmee niet volledig rekening hebben gehouden. Maar deze mogelijkheid was onder de gegeven omstandigheden niet zo onwaarschijnlijk dat medeplegen uitgesloten moet worden geacht. Alle inzittenden van de twee auto’s zijn in nauwe samenwerking de gehele tijd tot aan hun aanhouding bij de vlucht betrokken geweest en hebben zich op geen enkel moment teruggetrokken. De chauffeurs hebben bovendien in aanzienlijke mate bijgedragen aan de zeer gevaarlijke omstandigheden waaronder de schoten zijn gelost en zij hebben daarmee rechtsreeks bijgedragen aan de factoren die de aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg hebben doen ontstaan. De twee bijrijders hebben daarop geen enkel moment ingegrepen. [medeverdachte 2] , één van de twee bijrijders, heeft zelfs op de parkeerplaats aanleiding gezien om ook zelf potentieel dodelijke schoten te lossen. In dit licht maakt het geen verschil of de waarachtigheid van de verklaring van elk van de verdachten, die inhoudt dat alleen in de lucht zou worden geschoten, in het midden wordt gelaten of dat hiervan wordt uitgegaan. De hiervoor weergegeven gang van zaken en de overige gedane vaststellingen leiden reeds tot de conclusie dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] de bewezen geachte pogingen tot gekwalificeerde doodslag tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Als deze redengevende feiten en omstandigheden worden gewaardeerd tegen de achtergrond van de door de verdachten gerapporteerde afspraak komt daar nog bij dat er vooraf kennelijk al rekening is gehouden met een confrontatie met de politie waar gebruik van vuurwapens een reële mogelijkheid zou zijn. De slotsom is dan ook dat de genoemde verdachten die zijn gevlucht in de [voertuig 1] en in de [voertuig 2] , als medepleger betrokken zijn geweest bij de hiervoor besproken gevallen van poging tot gekwalificeerde doodslag. Zij hadden opzet op het gronddelict en op de nauwe en bewuste samenwerking. Door het directe en instrumentele verband met de door de verdachten gepleegde diefstal met geweld is het bewijs van het in artikel 288 Sr bedoelde bijkomende oogmerk ook gegeven. Het hof komt op dezelfde gronden tot de conclusie dat, wat betreft de incidenten waar de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging bewezen is geacht, ook telkens sprake is van medeplegen. In het geval van [medeverdachte 7] valt de afweging anders uit. Op hem zijn de hiervoor gegeven overwegingen niet van toepassing. Hij was fysiek niet aanwezig tijdens de vlucht naar Broek in Waterland. Daarmee vervalt een onderdeel van de bewijsvoering die op het aandeel van de andere betrokken verdachten is toegepast. Dit werkt door in de waardering van aard en omvang van de betrokkenheid van [medeverdachte 7] tijdens de uitvoering van de overval nadat de vlucht was ingezet. De verdachte [medeverdachte 7] zal daarom worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 2 is tenlastegelegd. 6Het onder 3 tenlastegelegde 6.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 tenlastegelegde. 6.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde. 6.3. Oordeel van het hof Het hof acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen alle onder 3 ten laste gelegde gevallen van bedreiging bewezen. Ten aanzien van de bedreiging met gebruikmaking van een automatisch vuurwapen, gepleegd op de Meeuwenlaan in Amsterdam tijdens de overval wordt het volgende vastgesteld en overwogen. Buiten redelijke twijfel staat dat [medeverdachte 3] tijdens de overval buiten heeft gestaan en diverse malen in de lucht heeft geschoten. Dit levert bedreiging op jegens de genoemde inzittenden van bus 1 en bus 3. [verdachte] is de persoon geweest die dreigend zijn aanvalsgeweer heeft getoond richting bus 2. Voorts is het [medeverdachte 3] geweest die op de locatie Broek in Waterland/Kruisweg uit de wegrijdende [voertuig 4] schoot, wat een bedreiging van [politieambtenaar 23] oplevert. Van de overige onder 3 opgenomen incidenten kan niet met zekerheid worden gezegd wie de persoon is geweest die heeft geschoten dan wel dreigend een vuurwapen heeft getoond. Wel is er telkens sprake geweest van bedreiging. Op de gronden zoals uiteengezet in de overwegingen over medeplegen bij feit 2 acht het hof eveneens bewezen dat [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] bij alle incidenten medepleger van de bedreiging zijn geweest. Wat betreft [medeverdachte 7] blijft de bewezenverklaring beperkt tot het medeplegen van bedreiging van de inzittenden van bus 1, bus 2 en bus 3. Hij zal van hetgeen overigens onder 3 is tenlastegelegd worden vrijgesproken om dezelfde redenen als weergegeven bij de bespreking van feit 2. 7Het onder 4 tenlastegelegde 7.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 tenlastegelegde. 7.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde. 7.3. Oordeel van het hof Feit 4 heeft onder meer betrekking op het in brand steken van de [voertuig 2] en de [voertuig 1] op en bij de parkeerplaats aan de Broekergouw in Broek in Waterland. [medeverdachte 4] heeft, zo blijkt uit zijn eigen verklaring, samen met een ander de [voertuig 1] in brand gestoken. [medeverdachte 2] heeft blijkens zijn eigen verklaring benzine in de [voertuig 2] gegooid waarna deze door een ander in brand werd gestoken. [medeverdachte 3] heeft verklaard de [voertuig 2] in brand te hebben gestoken. Het dossier, noch het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep, biedt aanknopingspunten om nadere vaststellingen te doen over de personen die de brandstichting in één van de twee auto’s in Broek in Waterland hebben gepleegd. Geen van de overige verdachten heeft een bewijsbare rol in de uitvoering gehad, zodanig dat hij aantoonbaar de delictsomschrijving heeft vervuld. Voorts vermeldt de tenlastelegging de brandstichting in de [voertuig 3] , de derde vluchtauto, die uitgebrand is aangetroffen in Diemen. Daarvan kan niet worden vastgesteld wie de dader is geweest. De advocaat-generaal heeft betoogd dat de brandstichting in alle drie vluchtauto’s moet worden beschouwd als onderdeel van een gezamenlijk plan van alle daders van de diefstal met geweld. Het kan aan de advocaat-generaal worden toegegeven dat het een veel voorkomende werkwijze is dat vluchtauto’s na ernstige delicten uitgebrand worden achtergelaten. Maar het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om met zekerheid te oordelen dat dit ook in dit geval onderdeel van een planmatige aanpak is geweest. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen in het voorgaande met betrekking tot feit 2 over een mogelijk plan, een planmatige werkwijze en het bereik ervan is overwogen. De in de tenlastelegging onder 4 omschreven handelingen kunnen, anders dan bij de feiten 2 en 3, niet binnen de reikwijdte van die planmatige werkwijze en van de daarvan deel uitmakende reële mogelijkheden worden gebracht. Het hof acht daarom bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] tezamen en in vereniging brand hebben gesticht in de [voertuig 2] en dat [medeverdachte 4] samen met een ander brand heeft gesticht in de [voertuig 1] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er sprake was van gemeen gevaar voor goederen. Beide branden waren hevig als gevolg waarvan de auto’s min of meer volledig waren uitgebrand. In het bijzonder houden de bewijsmiddelen in dat ook het rubber van de banden van beide auto’s volledig was weggebrand. Dit heeft naar algemene ervaringsregels gevaar voor het wegdek, zoals in de tenlastelegging vermeld, veroorzaakt. De overige verdachten zullen worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde. 8Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij, op 19 mei 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, goederen, te weten een grote hoeveelheid kostbare edelmetalen, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen medewerkers van Brinks en politieambtenaren, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die medewerkers van Brinks met tie wraps vast te binden en met automatische vuurwapens naar die medewerkers van Brinks te richten en die medewerkers van Brinks een mes te tonen en een medewerker van Brinks te schoppen en met automatische vuurwapens op de openbare weg in de lucht te schieten en met automatische vuurwapens op de openbare weg een aantal kogels in de richting van voertuigen waar de politieambtenaren zich in bevonden te schieten en met automatische vuurwapens op de openbare weg op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren te schieten; 2. primair hij, op 19 mei 2021 in Amsterdam en/of Broek in Waterland tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om meermalen opzettelijk de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] (werkzaam bij de Nationale Politie) van het leven te beroven, door in Amsterdam: met betrekking tot de [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie invoeg/S115/A10 met een automatisch vuurwapen kogels in de richting van het voertuig waarin die politieambtenaren zich bevonden en op die politieambtenaren te schieten; met betrekking tot de [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie N247/Slochterweg/busbaan met een automatisch vuurwapen kogels in de richting van het voertuig waarin die politieambtenaren zich bevonden en op die politieambtenaren te schieten; in Broek in Waterland: met betrekking tot de [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] op de locatie Broekergouw/Kruisweg met een automatisch vuurwapen kogels in de richting van het voertuig waarin die politieambtenaren zich bevonden en op die politieambtenaren te schieten; met betrekking tot de [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] op de locatie Galggouw met een automatisch vuurwapen kogels in de richting van het voertuig waarin die politieambtenaren zich bevonden en op die politieambtenaren te schieten; welke pogingen tot doodslag werden voorafgegaan van het medeplegen van een diefstal met geweld (te weten een overval bij Schöne Edelmetaal) en welke pogingen tot doodslag op de politieambtenaren werden gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair hij, op 19 mei 2021 in Amsterdam en/of Broek in Waterland tezamen en in vereniging met anderen meermalen politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij in Amsterdam: ten aanzien van [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie Zuiderzeeweg opzettelijk dreigend met een automatisch vuurwapen in de lucht geschoten; in Amsterdam of Broek in Waterland: ten aanzien van [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie afrit/S116/A10 naar de N247 opzettelijk dreigend een automatisch vuurwapen getoond en voornoemd vuurwapen op hen gericht en geschoten; ten aanzien van [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] opzettelijk dreigend vanuit de [voertuig 2] op de N247 met een automatisch vuurwapen (in de lucht) geschoten; in Broek in Waterland: ten aanzien van [politieambtenaar 7] en [politieambtenaar 8] op de locatie Bruggetje opzettelijk dreigend met een automatisch vuurwapen geschoten; ten aanzien van [politieambtenaar 10] en [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] op de locatie Galggouw/Broekergouw en het Kippenbruggetje opzettelijk dreigend met een automatisch vuurwapen (in de richting van het voertuig van [politieambtenaar 10] , [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] ) geschoten; ten aanzien van [politieambtenaar 13] op de locatie Bruggetje opzettelijk dreigend met een automatisch vuurwapen in de lucht geschoten; 3. hij, op 19 mei 2021 in Amsterdam of Broek in Waterland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten in Amsterdam: [politieambtenaar 14] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en [politieambtenaar 15] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en [politieambtenaar 16] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en [politieambtenaar 18] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en [politieambtenaar 19] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en [politieambtenaar 21] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend aan bovengenoemde personen een automatisch vuurwapen getoond en voornoemd vuurwapen op bovengenoemde personen gericht en/of gericht gehouden en/of (meermalen) met voornoemd vuurwapen in de lucht en/of in de richting van (het voertuig van) bovengenoemde person(
- en)geschoten; in Amsterdam: [politieambtenaar 17] (locatie: Meeuwenlaan (bus 2)) en [politieambtenaar 22] (locatie: Onderweg passeren [voertuig 1] ) en in Broek in Waterland: [politieambtenaar 23] (locatie: Broek in Waterland/Kruisweg) en [politieambtenaar 24] (locatie: Bruggetje) en [politieambtenaar 25] (locatie: Bruggetje) en [politieambtenaar 26] (locatie: Ramvoertuig), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend aan bovengenoemde personen een automatisch vuurwapen getoond en/of voornoemd vuurwapen op bovengenoemde personen gericht en/of gericht gehouden. Hetgeen onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest. 9Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op het heter daad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren. Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit, hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, meermalen gepleegd. Het onder 2 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. 10Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde uitsluit. 11Oplegging van straf 11.1. Vonnis van de rechtbank De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3, 4 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 11.2. Vordering van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3, 4 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 11.3. Oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval die in tal van opzichten volstrekt van de buitencategorie is geweest. Hij maakte deel uit van een groep van ongeveer tien daders die met buitengewoon veel geweld een grote hoeveelheid edelmetalen heeft buit gemaakt. De omvang van de buit was al even uitzonderlijk. De dadergroep had de beschikking over drie automatische aanvalsgeweren en een shotgun. Daarnaast waren twee handvuurwapens meegenomen. De daders hebben de twee medewerkers van Brink’s Waardentransport, die net een lading met edelmetalen hadden afgeleverd, met twee aanvalsgeweren bedreigd en onder schot gehouden. Beide medewerkers zijn mishandeld en gekneveld. Zij moesten met de handen vastgebonden op de grond liggen. Tijdens de overval heeft één van de mededaders met een aanvalsgeweer op straat tal van schoten gelost. Bij het verlaten van de plaats van de overval is door een andere overvaller opnieuw geschoten. De medewerkers van Brink’s hebben doodsangsten uitgestaan. Dat blijkt uit de verklaringen die zij tijdens het opsporingsonderzoek hebben afgelegd. De camerabeelden van de overval, die deel uitmaken van het procesdossier, laten niets aan de verbeelding over. Het geweld en de dreiging ermee moeten overweldigend en zeer beangstigend zijn geweest. Ook de medewerkers van Schöne Edelmetaal die zich in veiligheid konden brengen of in ruimtes konden blijven waar ze min of meer veilig waren, zijn heel bang geweest. Dit blijkt uit hun verklaringen, afgelegd tijdens het opsporingsonderzoek, en de toelichting die is gegeven op hun vorderingen benadeelde partij. Het kan niet anders dan dat een ieder die zich tijdens deze overval op de openbare weg in de omgeving van Schöne Edelmetaal bevond het als een zeer bedreigende situatie heeft ervaren. Een onmiskenbare aanwijzing daarvoor is te vinden in de gerapporteerde ervaringen van de politieambtenaren die ter plaatse waren gekomen. Zij spreken van zware, doffe klappen. Korte tijd later werd duidelijk dat dit buitensporige geweld nog maar het begin was geweest. De overvallers sloegen, voorzien van de buitgemaakte waardevolle materialen, op de vlucht in drie snelle auto’s. Wat zich tijdens deze vlucht heeft afgespeeld is door diverse betrokken politieambtenaren getypeerd als ‘wildwest’. ‘Het leek wel oorlog’, heeft een ander gezegd. Bepaald zonder overdrijving. Met hoge snelheden werd gereden door woonwijken. Grote risico’s voor de veiligheid van anderen werden daarbij niet geschuwd. Na enige tijd grepen enkele mededaders opnieuw naar hun aanvalsgeweren. Kennelijk om de politieauto’s, waarmee inmiddels de achtervolging was ingezet, van zich af te schudden. Vanuit twee vluchtauto’s werd geschoten. De bewezenverklaring van feit 2 spreekt boekdelen. Op verschillende momenten was hierbij sprake van pogingen om achtervolgende politieambtenaren te doden. Het resultaat is in één woord schokkend. Maar liefst acht medewerkers van de politie hebben ernstige PTSS opgelopen. Vier van hen hebben vanwege gedeeltelijke of gehele arbeidsongeschiktheid de keuze moeten maken om ontslag te nemen of ander, mentaal minder belastend, werk te aanvaarden binnen de politieorganisatie. Voor veel anderen waren de gebeurtenissen zo indringend dat dit lange tijd ontregelend was in hun dagelijks leven. Dat politiemedewerkers tegen een stootje moeten kunnen, zullen ze waarschijnlijk zelf ook vinden maar zoveel grof geweld laat bij vrijwel ieder mens meer of minder diepe sporen na. Dat is volstrekt invoelbaar. Nadat de achtervolging eindigde in Broek in Waterland bleek nogmaals dat deze overval goed voorbereid was. Zoals reeds is overwogen in de bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 bleek uit de wijze van uitvoering van de overval al dat er een gedegen voorbereiding aan vooraf was gegaan of dat er in elk geval duidelijke en precieze instructies waren gegeven. Op een parkeerplaats in Broek in Waterland stonden twee vluchtauto’s klaar, waarin een groot deel van de meegebrachte buit werd geladen. Kennelijk was er op dat moment nog niet voldoende militaire munitie door de dadergroep verschoten. Blijkens het sporenbeeld is aldaar met twee aanvalsgeweren opnieuw geschoten om de, inmiddels meer dan twintig, toegesnelde politieambtenaren af te schrikken. Eén maal is daarbij vanaf zeer korte afstand geschoten op een voorbij rijdende politieauto. Ook dit heeft in het kader van de bewijswaardering een poging tot gekwalificeerde doodslag opgeleverd. De daders hebben ook toen hun pogingen om te ontkomen niet afgebroken. De twee auto’s waarmee ze waren weggereden van de plaats van de overval werden in brand gestoken. Daarna zijn de verdachte en zijn mededaders nog weggereden in de twee vluchtauto’s. Kort daarna werd hen door politievoertuigen de verdere doorgang belemmerd. Inmiddels hadden verschillende politieambtenaren besloten om hun dienstwapen te gebruiken. Toen de verdachten vervolgens de weilanden in vluchtten was dit geweld van de zijde van de politie opnieuw onvermijdelijk. De verdachten boden er geen enkele duidelijkheid over of zij inmiddels ongewapend waren. Eén van hen is nog uit een vluchtauto gestapt, voorzien van een geweer waarmee hij de bestuurder van een politieauto had bedreigd. Het leidt dan ook niet tot verbazing dat er na uitgebreid onderzoek door de Rijksrecherche is geconcludeerd dat er conform de Geweldsinstructie is gehandeld, ook al heeft één van de overvallers het niet overleefd. De gestolen edelmetalen hadden een waarde van meer dan veertien miljoen euro. Een aanzienlijk deel van de buit, ter waarde van ruim vier miljoen euro, is nog steeds niet teruggevonden. Aangenomen mag worden dat dit deel van de buit is veilig gesteld met gebruikmaking van de derde auto die bij de overval betrokken was. Ook deze auto is korte tijd later uitgebrand aangetroffen en uit de processtukken kan worden opgemaakt dat de vier overvallers die hierin zijn gevlucht ook op de beschikbaarheid van een gereed staande auto konden rekenen waarmee zij hebben kunnen ontkomen. De uiteindelijke schade voor Schöne Edelmetaal bedroeg tweehonderdduizend euro, het eigen risico verbonden aan de verzekering voor diefstal. De slotsom kan zijn dat de verdachte actief betrokken is geweest bij een overval van uitzonderlijke brutaliteit die met veel raffinement is voorbereid en uitgevoerd, waarbij de uitvoering en het vervolg daarvan met veel geweld en dreiging met geweld gepaard gingen. In dit verband zijn enkele sprekende details in deze strafmotivering nog onbesproken gebleven. Het hof noemt de meegebrachte ‘kraaienpoten’, de kogelwerende vesten die door bijna alle overvallers werden gedragen, de munitie die voor een deel van pantser doorborende kwaliteit was, de ‘walkie talkies’ die in alle auto’s aanwezig waren voor de onderlinge communicatie. Voorbeelden die illustreren dat het de bedoeling was om ook onder moeilijke omstandigheden of bij tegenslag zich van het bezit van de buit te verzekeren. Over de mate waarin de verdachte in het gehele traject van voorbereiding betrokken is geweest kunnen weinig conclusies met zekerheid worden getrokken, maar dat ieder van de daders in hoofdlijnen op de hoogte moet zijn geweest van de rolverdeling kan zonder meer worden geconcludeerd. De verdachte is meermalen door de [land] onherroepelijk veroordeeld tot gevangenisstraffen van aanzienlijke tot lange duur vanwege vermogens- en geweldsdelicten. Het hof weegt dit mee ten nadele van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof het een en ander gezegd over zijn persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder zijn familieomstandigheden. De hiervoor weergegeven overwegingen moeten evenwel tot de conclusie leiden dat hierin geen ruimte kan worden gevonden voor enige vorm van strafmatiging. Vergelding is in het geval van de verdachte een overheersend strafdoel. Met een zware straf beoogt het hof daarnaast het algemeen-preventieve signaal te geven dat het plegen van strafbare feiten, in het bijzonder van feiten van deze aard en omvang, tot een krachtige reactie van de strafrechter zal leiden. Indien en voor zover de verdediging heeft beoogd te wijzen op de voor de verdachte nadelige gevolgen van de Wet Straffen en Beschermen, overweegt het hof, zoals herhaald in zeer veel rechterlijke beslissingen, dat deze wetgeving uitsluitend betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en daarom buiten het bestek van de door de strafrechter te verrichten beoordeling valt. Ter terechtzitting zijn standpunten ingenomen over de wijze waarop de feiten 1 tot en met 4 zich, in geval van gehele of volledige bewezenverklaring, tot elkaar verhouden en welke regels van samenloop van toepassing zouden zijn. Naar het oordeel van het hof staan de onder 2 en 3 bewezen verklaarde gevallen van bedreiging en poging tot gekwalificeerde doodslag in een meerdaads verband. Het zijn op zichzelf staande feiten, gepleegd op verschillende momenten en locaties, door verschillende schutters, met telkens andere slachtoffers. Evenmin valt in te zien dat zij alle tot één wilsbesluit zijn te herleiden. Het enkele gegeven dat men als collectief een gewapende overval pleegt kan immers niet tot die conclusie leiden. Daarom zijn deze feiten door het hof gekwalificeerd als meermalen gepleegd. Deze onder 2 en 3 bewezen verklaarde gevallen van respectievelijk poging tot gekwalificeerde doodslag en bedreiging staan elk afzonderlijk in een verhouding tot feit 1 als die van eendaadse samenloop. In de zaken waarin het hof het onder 4 tenlastegelegde bewezen verklaart is het hof van oordeel dat dit niet wordt geabsorbeerd door feit 1. Voorgaande beschouwingen brengen het hof tot de conclusie dat alle aanleiding bestaat om voor de in vereniging gepleegde diefstal met geweld als vertrekpunt uit te gaan van een gevangenisstraf van tien jaren. De ernst van het geweld komt in versterkte mate tot uitdrukking in de eveneens bewezen verklaarde gevallen van medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag op de politieambtenaren. Het gaat om maar liefst vier incidenten, waarbij ten aanzien van drie incidenten de schutter identificeerbaar is gebleken. Dit leidt tot een opwaartse bijstelling ten opzichte van het genoemde vertrekpunt. Met het oog op inzichtelijkheid van de straftoemeting vermeldt het hof hier de uitgangspunten voor de straffen voor alle verdachten in de zaak Yaros. Voor de schutters acht het hof een gevangenisstraf van zestien jaren passend en geboden. Aan de verdachten die in het licht van de nauwe en bewuste samenwerking met de schutters als medeplegers zijn aangemerkt zal het hof een gevangenisstraf van twaalf jaren opleggen. [medeverdachte 7] ontspringt gezien de partiële vrijspraken de dans; aan hem wordt een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren opgelegd. Wat betreft [medeverdachte 6] is het uitgangspunt een gevangenisstraf van twaalf jaren vanwege zijn centrale coördinerende rol, gevolgd door een verzwaring tot zestien jaren op grond van het bewezen verklaarde meermalen medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag. Redelijke termijn In verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting zal het hof strafvermindering toepassen. De verdachte is in verzekering gesteld op de pleegdatum, te weten 19 mei 2021. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 3 april 2023. De verdachte was die gehele periode gedetineerd. Gelet op de te hanteren maatstaf van 16 maanden is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van ongeveer zeven maanden. Kort na de vonnisdatum is hoger beroep in gesteld. De verdachte verblijft nog steeds in voorlopige hechtenis. Heden, op 11 december 2025 wijst het hof arrest, waarmee de redelijke termijn van berechting in de appelfase met ongeveer zestien maanden is overschreden. Deze beide overschrijdingen brengen met zich dat het hof de strafvermindering zal bepalen op zes maanden. Conclusie Het hof zal de verdachte aldus veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren en zes maanden. Tenuitvoerlegging Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. 12Beslag Het hierna te noemen voorwerp is onder de verdachte in beslag genomen: 150 EUR (sweater, Dior) (goednummer: 697192). Het hof stelt vast dat voornoemd voorwerp aan de verdachte toebehoort en niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, zodat daarvan de teruggave aan de verdachte zal worden gelast. 13Vorderingen van de benadeelde partijen In deze strafzaak heeft een groot aantal benadeelde partijen een vordering tot schadevergoeding ingediend. De advocaat-generaal heeft betoogd dat, behoudens enkele hierna te bespreken nuances, de vorderingen geheel kunnen worden toegewezen. De raadsvrouw heeft zich tegen toewijzing van de vorderingen verzet. De vorderingen van de medewerkers van Schöne Edelmetaal dienen volgens haar te worden afgewezen, hetgeen ook het lot zou moeten zijn van een deel van de vorderingen van de politieambtenaren omdat er niet is gebleken van enige schade. Voorts heeft zij ten aanzien van de vorderingen van een aanzienlijk deel van de politieambtenaren gesteld dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. Daarbij heeft zij niet steeds aangegeven wat de consequentie dient te zijn maar het hof begrijpt dat de raadsvrouw heeft bedoeld dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Ter bespreking van de verweren volgen hierna enkele opmerkingen en overwegingen van algemene aard. In aansluiting daarop zullen de vorderingen, voor zover nodig, in het licht van de gegeven onderbouwing en de betwisting, nader worden besproken. 13.1. Algemene overwegingen en opmerkingen Er is een groot aantal vorderingen benadeelde partij ingediend door politieambtenaren. Deze vorderingen hebben, behoudens een enkele uitzondering, alle betrekking op immateriële schade die is ontstaan als gevolg van het door de verdachte en zijn medeverdachten toegepaste geweld. Het hof bespreekt hier enkele aspecten die voor de beoordeling van al deze vorderingen van belang zijn. Grondslag Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat het, nu bij de benadeelde partijen geen sprake is van lichamelijk letsel of schade in de eer en goede naam, de vraag is of de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Wie zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. In de onderhavige zaak zijn de vorderingen van de benadeelde partijen in categorieën ingedeeld. De schadebedragen behorend bij die categorieën zijn € 875,00, € 1.750,00, € 2.650,00, € 10.000,00 en € 12.000,00. In het licht van dit toetsingskader overweegt het hof dat, naarmate het gevorderde schadevergoedingsbedrag hoger is het accent bij de beoordeling meer zal liggen op de concrete onderbouwing. Voor de eerste drie categorieën geldt voorts dat er ten aanzien van de betrokken benadeelde partij sprake is van bewezenverklaring van poging tot gekwalificeerde doodslag of bedreiging. Voor zover het gaat om de poging tot gekwalificeerde doodslag gaat het hof ervan uit dat de aard en de ernst van de normschending zodanig zijn dat de nadelige gevolgen zeer voor de hand liggen. Aantasting in de persoon op andere wijze wordt daarom aangenomen. De gevallen van bedreiging die het hof bewezen verklaart hebben telkens betrekking op een strafbaar feit waarbij in de nabijheid of omgeving van de betrokkene is geschoten met één of meer aanvalsgeweren onder omstandigheden waarin de schutter tijdens de gewapende overval personen op afstand hield dan wel tezamen met mededaders van de gewapende overval probeerde te ontkomen. Het gaat daarom om bedreigingen die voor de politieambtenaar, die tot taak heeft om met proportionele geweldstoepassing tot aanhoudingen over te gaan, zeer ontregelend zijn. Ten aanzien van de eerste twee categorieën gaat het hof er in beginsel vanuit dat in aard en ernst van de normschending ook bij deze zeer ontregelende bedreigingen voldoende billijkheidsgronden zijn gelegen om de vordering volledig toe te wijzen. Wat betreft de derde categorie is de toetsing, afhankelijk van hetgeen ter betwisting is aangevoerd, enigszins indringender. Bij de twee hoogste categorieën wordt een concrete onderbouwing vereist die voldoende concrete gegevens bevat waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Dit houdt volgens vaste rechtspraak overigens niet in dat daarvan slechts sprake is indien het gaat om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, en evenmin dat dit geestelijk letsel slechts door een psychiater of psycholoog kan worden vastgesteld. Onduidelijkheden in de vorderingen De advocaat van de benadeelde partijen heeft naar het oordeel van het hof ten aanzien van enkele vorderingen niet volledige duidelijkheid verschaft over de hoogte van de vordering in eerste aanleg. Hij heeft in de procedure bij de rechtbank enkele malen onderscheid gemaakt tussen de hoogte van de vordering en het bedrag waarvan hij, zoals hij het formuleerde, om toekenning “verzocht”. De rechtbank heeft in deze gevallen blijkens de vonnissen een keuze gemaakt ten aanzien van de wijze waarop de vordering door haar diende te worden opgevat. Dit heeft het hof gesteld voor enkele interpretatieproblemen die ook ter terechtzitting aan de advocaat zijn voorgelegd. Bij de bespreking van de vorderingen waar dit aan de orde is, zal daarop worden teruggekomen. Groter incasseringsvermogen Ten aanzien van sommige vorderingen is door de verdediging gesteld dat van politieambtenaren mag worden verwacht dat zij een vorm van professionele weerbaarheid hebben. Zij moeten, zo begrijpt het hof haar, verondersteld worden meer te kunnen incasseren waar het gaat om crisissituaties en van de dreiging die daarvan uitgaat. Het hof stelt vast dat de raadsvrouw met haar enkele stelling niet heeft duidelijk gemaakt wat de kern van dit verweer is. Een eigen schuld-karakter heeft het niet, heeft zij gezegd. Wellicht heeft zij het oog gehad op een billijkheidscorrectie. Wat daarvan zij, er kan in elk geval worden vastgesteld dat de verdediging in de kern het causale verband tussen de onrechtmatige daad en de ontstane schade niet heeft betwist. Voor zover de hoogte van het schadebedrag wordt betwist zal met enige precisie moeten worden toegelicht wat daarvoor de aanknopingspunten zijn en van welke aard die betwisting is. Het hof stelt vast dat, in het bijzonder waar het om de hierna te bespreken eerste drie categorieën vorderingen gaat, die scherpte ontbreekt. Wat de twee hoogste categorieën betreft is het volgende van belang. De vorderingen ten bedrage van € 10.000,00 en € 12.000,00 De advocaat van de benadeelde partijen heeft in zijn schriftelijke toelichting en ter terechtzitting telkens gegevens ter beschikking gesteld ter onderbouwing van deze beide bedragen. Er is bij alle benadeelde partijen die schadevergoeding in deze orde vorderen sprake van PTSS. In het geval van een vordering van € 10.000,00 is de betrokkene binnen een periode van twee jaren min of meer hersteld. Het hogere bedrag, € 12.000,00, is gevorderd als dat herstel niet heeft plaatsgevonden. Het hof beoordeelt de vorderingen op grond va