afdeling strafrecht parketnummer: 23-001174-23 datum uitspraak: 11 december 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-323709-21 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , thans gedetineerd in [penitentiaire inrichting] . Dit arrest wordt gewezen in een strafzaak die bekend is geworden onder de namen Yaros I en Yaros II. Het hof wijst in de zaken van zeven verdachten gelijktijdig arrest. Het gaat in deze zaak om de gewapende overval op Schöne Edelmetaal in Amsterdam-Noord, gevolgd door een achtervolging door de politie, waarbij vanuit de dadergroep op verschillende locaties met geweren is geschoten. In Broek in Waterland zijn de meeste overvallers aangehouden. Deze aangehouden overvallers zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (respectievelijk chauffeur, bijrijder en inzittende van de betrokken [voertuig 2] ). Daarnaast gaat het om [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] (respectievelijk chauffeur en inzittende van de bij de overval gebruikte [voertuig 1] ). Een zesde betrokkene, [medeverdachte 6] die bijrijder was in de [voertuig 1] , is in Broek in Waterland om het leven gekomen. Het onderzoek naar de betrokkenheid van deze overvallers is genoemd Yaros I. Verder stonden [verdachte] en [medeverdachte 7] terecht. Zij zijn beiden geruime tijd later aangehouden. Het onderzoek naar hun betrokkenheid is in de zaak van [verdachte] in Yaros I onderzocht en in de zaak van [medeverdachte 7] in Yaros II. De verdenking in het geval van [verdachte] hield in dat hij, kort gezegd, in een coördinerende rol betrokken is geweest. [medeverdachte 7] is vervolgd wegens zijn rol als één van de uitvoerders. 1Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6, 14 en 28 oktober 2025 en 4, 7 en 27 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal (hierna: advocaat-generaal) en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht. 2Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat: 1. primair hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, goederen, te weten een grote hoeveelheid kostbare edelmetalen, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan Schöne Edelmetaal, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer medewerker(
- s)van Brinks, een of meer medewerker(
- s)van Schöne Edelmetaal en/of een of meer politieambtenaren, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die medewerker(
- s)van Brinks en/of Schöne Edelmetaal met tie wraps vast te binden en/of met (automatische) vuurwapens(
- s)naar die medewerker(
- s)van Brinks en/of Schöne Edelmetaal te richten en/of die medewerker(
- s)van Brinks een mes te tonen en/of die medewerker(
- s)van Brinks te schoppen en/of met (een) (automatische) vuurwapen(
- s)op de openbare weg in de lucht te schieten en/of met (een) (automatische) vuurwapen(
- s)op de openbare weg een aantal kogels in de richting van voertuig(
- en)waarde politieambtenaren zich in bevonden te schieten en/of met (een) (automatische) vuurwapen(
- s)op de openbare weg op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren te schieten; subsidiair [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 9] [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 12] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(
- en)op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of anderen, althans alleen, goederen, te weten een grote hoeveelheid kostbare edelmetalen, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan Schöne Edelmetaal, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging van geweld tegen een of meer medewerker(
- s)van Brinks, een of meer medeweker(
- s)van Schöne Edelmetaal en/of een meer politieambtenaren gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die medewerker(
- s)van Brinks en/of Schöne Edelmetaal met tie wraps vast te binden en/of met (automatische) vuurwapens(
- s)naar die medewerker(
- s)van Brinks en/of Schöne Edelmetaal te richten en/of die medewerker(
- s)van Brinks een mes te tonen en/of die medewerker(
- s)van Brinks te schoppen en/of met (een) (automatische) vuurwapen(
- s)op de openbare weg in de lucht te schieten en/of met (een) (automatische) vuurwapen(
- s)op de openbare weg een aantal kogels in de richting van voertuig(
- en)waarde politieambtenaren zich in bevonden te schieten en/of met (een) (automatische) vuurwapen(
- s)op de openbare weg op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren te schieten; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks in de periode van 26 februari 2021 tot en met 20 mei 2021 te Amsterdam en/of [plaats 2] . in ieder geval in Nederland, en/of te [plaats 3] en/of [plaats 4] ( [plaats 4] ), in ieder geval in België, en/of te [plaats 5] , in elk geval in [land 1] , opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door het doen van (een) voorverkenning(
- en)bestaande uit het rijden naar en/of langs de Meeuwenlaan [nummer] te Amsterdam en/of zich in de omgeving van de Meeuwenlaan [nummer] te Amsterdam te begeven en/of het vinden van een mogelijke vluchtroute en/of een of meer voertuig(
- en)aan te schaffen die door een of meer medeverdachte(
- n)tijdens de overval werd(
- en)gebruikt en/of een of meer simkaart(
- en)aan een of meer medeverdachte(
- n)ter beschikking te stellen en/of contact te hebben met een of meer medeverdachte(
- n)en/of aanwezig te zijn bij (een) voorbespreking(
- en)met een of meer medeverdachte(
- n)en/of het appartement aan de [adres 1] in [plaats 1] te huren en/of geld ter beschikking te stellen aan medeverdachte(
- n)en/of te betalen voor het huren van een appartement aan de [adres 2] te [plaats 2] en/of dit appartement beschikbaar te stellen aan (een) medeverdachte(
- n)na de overval en/of op de dag van de overval een drone in de omgeving van de Meeuwenlaan [nummer] te besturen teneinde de start van de overval te bepalen en/of het startsein voor de overval te geven; 2. primair hij, op 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meer politieambtenaren, te weten [politieambtenaar 1] en/of [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3] en/of [politieambtenaar 4] en/of [politieambtenaar 5] en/of [politieambtenaar 6] en/of [politieambtenaar 7] en/of [politieambtenaar 8] en/of [politieambtenaar 9] en/of [politieambtenaar 10] en/of [politieambtenaar 11] en/of [politieambtenaar 12] en/of [politieambtenaar 13] (werkzaam bij de Nationale Politie) van het leven te beroven, [politieambtenaar 1] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of [politieambtenaar 2] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of [politieambtenaar 3] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of [politieambtenaar 4] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of [politieambtenaar 5] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of [politieambtenaar 6] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of [politieambtenaar 7] (locatie: Bruggetje) en/of [politieambtenaar 8] (locatie: Bruggetje) en/of [politieambtenaar 9] (locatie: Bruggetje) en/of [politieambtenaar 10] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of [politieambtenaar 11] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of [politieambtenaar 12] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of [politieambtenaar 13] (locatie: Bruggetje), telkens met (een) (automatische) vuurwapen(
- s)een aantal kogels in de richting van voertuig(
- en)waar die politieambtenaren zich in bevonden en/of op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren heeft geschoten, welke poging(
- en)tot doodslag werd(
- en)vergezeld en/of voorafgegaan van een of meer strafbare feiten, te weten het (mede)plegen van een diefstal met geweld (te weten een overval op Schöne Edelmetaal, en welke poging(
- en)tot doodslag op de politieambtenaren werd(
- en)gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die feit(
- en)gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(
- s)aan dat/die feit(
- en)hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of in Broek in Waterland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meer politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten [politieambtenaar 1] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of [politieambtenaar 2] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of [politieambtenaar 3] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of [politieambtenaar 4] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of [politieambtenaar 5] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of [politieambtenaar 6] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of [politieambtenaar 7] (locatie: Bruggetje) en/of [politieambtenaar 8] (locatie: Bruggetje) en/of [politieambtenaar 9] (locatie: Bruggetje) en/of [politieambtenaar 10] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of [politieambtenaar 11] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of [politieambtenaar 12] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of [politieambtenaar 13] (locatie: Bruggetje), van het leven te beroven, met (een) (automatische) vuurwapen(
- s)een aantal kogels in de richting van voertuig(
- en)waar die politieambtenaren zich in bevonden en/of op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meer politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten [politieambtenaar 1] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of [politieambtenaar 2] (locatie: Zuiderzeeweg en/of invoeg/S115/A10 en/of afrit/S116/A10 naar de N247 en/of N247/Slochterweg/busbaan) en/of [politieambtenaar 3] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of [politieambtenaar 4] (locatie: Vanuit [voertuig 2] /n247 en/of Broekergouw/Kruisweg) en/of [politieambtenaar 5] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of [politieambtenaar 6] (locatie: N247 en/of Galggouw) en/of [politieambtenaar 7] (locatie: Bruggetje) en/of [politieambtenaar 8] (locatie: Bruggetje) en/of [politieambtenaar 9] (locatie: Bruggetje) en/of [politieambtenaar 10] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of [politieambtenaar 11] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of [politieambtenaar 12] (locatie: Galggouw/Broekergouw en/of Kippenbruggetje) en/of [politieambtenaar 13] (locatie: Bruggetje), heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)opzettelijk dreigend aan bovengenoemd(
- e)perso(o)n(
- en)(een) (automatische) vuurwapen(
- s)getoond en/of voornoemd(
- e)vuurwapen(
- s)op bovengenoemd(
- e)perso(o)n(
- en)gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij) (meermalen) met voornoemd(
- e)vuurwapen(
- s)in de lucht en/of in de richting van (het/de voertuig(
- en)van) bovengenoemd(
- e)perso(o)n(
- en)geschoten; 3. hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meer politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten [politieambtenaar 14] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en/of [politieambtenaar 15] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en/of [politieambtenaar 16] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en/of [politieambtenaar 17] (locatie: Meeuwenlaan (bus 2)) en/of [politieambtenaar 18] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en/of [politieambtenaar 19] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en/of [politieambtenaar 20] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en/of [politieambtenaar 21] (locatie: Onderweg passeren [voertuig 1] ) en/of [politieambtenaar 22] (locatie: Broek in Waterland/Kruisweg) en/of [politieambtenaar 23] (locatie: Bruggetje) en/of [politieambtenaar 24] (locatie: Bruggetje) en/of [politieambtenaar 25] (locatie: Ramvoertuig), heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
- s)opzettelijk dreigend aan bovengenoemd(
- e)perso(o)n(
- en)(een) (automatische) vuurwapen(
- s)getoond en/of voornoemd(
- e)vuurwapen(
- s)op bovengenoemd(
- e)perso(o)n(
- en)gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij) (meermalen) met voornoemd(
- e)vuurwapen(
- s)in de lucht en/of in de richting van (het/de voertuig(
- en)van) bovengenoemd(
- e)perso(o)n(
- en)geschoten; 4. primair hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland en/of Diemen, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk brand heeft/hebben gesticht aan/in (een) personenauto(‘s), te weten een [voertuig 1] met kenteken [kenteken 1] en/of een [voertuig 2] met kenteken [kenteken 2] en/of een [voertuig 3] met kenteken [kenteken 3] , door open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans met een brandbare stof (die in/over/tegen de personenauto(’
- s)was gesprenkeld/gegoten/gegooid), ten gevolge waarvan die personenauto(’s), geheel en/of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor het wegdek, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was; subsidiair hij, op of omstreeks 19 mei 2021 te Amsterdam en/of Broek in Waterland en/of Diemen, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en wederrechtelijk een [voertuig 1] met kenteken [kenteken 1] , in elk geval enig goed, en/of een [voertuig 2] met kenteken [kenteken 2] , in elk geval enig goed, en/of een [voertuig 3] met kenteken [kenteken 3] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan [eigenaar] , in elk geval geheel of ten dele toebehorend aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. 3Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. 4Het onder 1 tenlastegelegde 4.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde. 4.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte geheel moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de verdediging primair aangevoerd dat de handelingen van de verdachte niet kunnen worden aangemerkt als een bijdrage van voldoende gewicht om te kwalificeren als medeplegen en subsidiair heeft zij betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op het gronddelict. De verdediging heeft zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het schieten op de openbare weg en/of in de richting van politieambtenaren en van de geweldshandelingen in de richting van de medewerkers van Schöne Edelmetaal. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op het gronddelict. 4.3. Oordeel van het hof 4.3.1. Betrokkenheid van de verdachte De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep steeds ontkend betrokken te zijn geweest bij de voorbereidingen en uitvoering van de overval op Schöne Edelmetaal op 19 mei 2021 in Amsterdam en heeft gesteld dat hij in die periode niet in Nederland is geweest. Het hof overweegt als volgt. Telefoonnummers Voor de bewijslevering zijn enkele telefoonnummers, waarmee de verdachte in verband kan worden gebracht, van belang. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangegeven dat hij de telefoonnummers [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ) en [telefoonnummer 2] (hierna: [telefoonnummer 2] ) eerder heeft gebruikt. De bewijsmiddelen houden eveneens in dat de verdachte deze telefoonnummers in, voor beoordeling van het bewijs, relevante perioden heeft gebruikt. Het hof gaat er op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vanuit dat de verdachte ook de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] (hierna: [telefoonnummer 3] ). Dit volgt onder meer uit: onderzoek naar dit nummer waaruit blijkt dat met dit nummer veel contact is geweest met telefoonnummers die kunnen worden toegeschreven aan de moeder van de verdachte; het feit dat de simkaart die gekoppeld is geweest aan het telefoonnummer [telefoonnummer 3] ,de mast op 450 meter afstand van het woonadres van de verdachte het meest heeft aangestraald; het feit dat het nummer in de periode van 29 april 2021 tot 18 mei 2021 gekoppeld kan worden aan een Apple iPhone 8 en een Samsung J3 terwijl de Samsung J3 ook gekoppeld kan worden aan het nummer [telefoonnummer 1] ten aanzien waarvan de verdachte zelf heeft verklaard van dat nummer gebruik te hebben gemaakt. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het nummer [telefoonnummer 3] op 18 en 19 mei 2021 actief in Nederland geweest, meer in het bijzonder op 19 mei 2021 tussen 14:11 en 14:14 uur in de directe omgeving van de plaats van de overval. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het de verdachte was die toen van dit nummer gebruikt heeft gemaakt. Voor beantwoording van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op het moment dat de telefoon met het nummer [telefoonnummer 3] op 19 mei 2021 rond 14:10 uur in de directe omgeving van de plaats van de overval uitpeilt, er twee sms-berichten binnen komen van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (hierna: [telefoonnummer 4] ). Dit nummer staat op naam van de moeder van de verdachte. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen nog het volgende. Kort na de overval is met het nummer [telefoonnummer 3] getracht contact te leggen met het nummer [telefoonnummer 5] (hierna: [telefoonnummer 5] ), terwijl ook al op 18 mei 2021 tussen deze nummers contact is vastgesteld. Dit nummer wordt toegeschreven aan de later te noemen [medeverdachte 6] , die blijkens de bewijsmiddelen één van de overvallers was. Hij was een contact van [verdachte] . De telefoon voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] reisde na het tijdstip van de overval van Amsterdam-Noord via België naar [land 1] mee met een [voertuig 7] . Op grond van hierna te bespreken bewijs komt het hof tot de conclusie dat deze auto afwisselend was voorzien van het [land 2] kenteken [kenteken 4] en het [land 3] kenteken [kenteken 5] . [verdachte] heeft deze [voertuig 7] , voorzien van genoemd [land 3] kenteken, geregistreerd en, zo heeft hij verklaard, ook gebruikt. Voorgaande omstandigheden in onderling verband beschouwd leiden het hof tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die op 19 mei 2021 gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Hierna zal ook worden vastgesteld dat de verdachte toen reed in de [voertuig 7] en rond het tijdstip van de overval, gezeten in deze auto, in de directe omgeving van de plaats delict was. Voorverkenningen Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de nummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] op 28 april 2021 actief zijn geweest in het [land 2] mobiele netwerk en dat dit ook geldt voor het nummer [telefoonnummer 2] op 21 april 2021. De overige op die data betrekking hebbende bewijsmiddelen brengen het hof bovendien tot de vaststelling dat de verdachte op 21 april en 28 april 2021 in Nederland aanwezig was en toen deze telefoons gebruikte. Het hof betrekt hierbij de volgende feiten en omstandigheden. Het nummer [telefoonnummer 2] kan in verband worden gebracht met een [voertuig 10] voorzien van het [land 4] kenteken [kenteken 6] . Deze [voertuig 10] is op 28 april 2021 om 13:28 uur de Meeuwenlaan [nummer] in Amsterdam gepasseerd, het adres van Schöne Edelmetaal. Het nummer [telefoonnummer 1] was op die zelfde dag en rond hetzelfde tijdstip actief in het bereik van de cell-ID’s in de omgeving van de Meeuwenlaan [nummer] in Amsterdam. Het nummer [telefoonnummer 2] was daar op dat moment ook actief en bewoog mee met de [voertuig 10] met het [land 4] kenteken. Het nummer [telefoonnummer 3] bevond zich op woensdag 5 mei 2021 in het bereik van cell-ID’s in de omgeving van de Meeuwenlaan [nummer] te Amsterdam. Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoonnummer op 18 mei 2021 meebewoog vanuit [plaats 5] richting de [land 6] grens met het toestel dat bij [medeverdachte 2] ( [telefoonnummer 6] ), één van de overvallers, op 19 mei 2021 in beslag is genomen. Ook op 19 mei 2021 direct na de overval is met het nummer [telefoonnummer 3] contact gezocht met het nummer van [medeverdachte 2] . Op de weg terug naar [plaats 5] is door de bestuurder van de [voertuig 7] , op dat moment voorzien van het [land 3] kenteken [kenteken 5] , bij een tolovergang gebruik gemaakt van de creditcard van [medeverdachte 2] . Uit wat het hof hierna overweegt leidt het hof af dat het [verdachte] was die toen die creditcard heeft aangeboden. Het moment waarop de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 3] op 5 mei 2021 omstreeks 15:50 uur op of in de directe omgeving van de Meeuwenlaan [nummer] was, was het net als 19 mei 2021 een woensdag, de dag waarop het transport van Brink’s bij Schöne Edelmetaal wordt gelost. Op 18 mei 2021 komen de gebruikers met de nummers [telefoonnummer 3] (zoals hiervoor vastgesteld en relevant voor hierna: [verdachte] ) en [telefoonnummer 5] ( [medeverdachte 6] ) Nederland binnen. In het toestel van [medeverdachte 6] is het adres Meeuwenlaan [nummer] Amsterdam Nederland ingetoetst in de navigatiesoftware. Om 19:20 uur rijdt een [voertuig 8] met kenteken [kenteken 7] via de grensovergang [plaats 6] Nederland binnen, gelijktijdig met de telefoons met de nummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 5] . Ook rijden gelijktijdig een voertuig met het kentekennummer [kenteken 8] (het hof begrijpt de later bij de overval gebruikte [voertuig 1] ) en een voertuig met het [land 2] kentekennummer [kenteken 9] (het hof begrijpt de eveneens bij de overval gebruikte [voertuig 2] ) via die grensovergang Nederland binnen. Betekenisvol in dit verband is dat [verdachte] de [voertuig 2] (voorzien van het [land 3] kenteken [kenteken 10] ) eerder in [land 1] heeft aangeschaft. [verdachte] (met het nummer [telefoonnummer 3] ) kan in direct verband worden gebracht met de [voertuig 8] . Uit de verklaring van [medeverdachte 4] blijkt dat hij samen met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] op 18 mei 2021 van [plaats 5] naar België is gereden en dat gelijktijdig een persoon, door hem aangeduid als [bijnaam verdachte] , ook naar Nederland reed. Dat [medeverdachte 4] daarbij spreekt over [verdachte] blijkt voorts uit het volgende. [bijnaam verdachte] reed volgens [medeverdachte 4] die dag in de blauwe [voertuig 8] . Op de dag van de overval, een dag later, reed hij in een witte auto. Vanuit de witte auto, die de codenaam drone had, werd het startsein gegeven voor de overval. [bijnaam verdachte] wordt door [medeverdachte 4] omschreven als [signalement] . [medeverdachte 4] dacht dat hij degene was die ‘alles een beetje bedacht heeft’. [bijnaam verdachte] had gezegd dat hij hier al drie maanden op wachtte. Hij denkt dat [bijnaam verdachte] van [afkomst] is uit de streek [streek] en dat hij waarschijnlijk tussen de [leeftijd] oud is. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat zijn ouders uit de regio [streek] in [land 5] komen. De verklaring van [medeverdachte 4] wordt op een aantal belangrijke onderdelen ondersteund door de hiervoor genoemde onderzoeksbevindingen met betrekking tot onder meer de camerabeelden en de reisbewegingen van de gebruikte auto’s, zoals de [voertuig 8] , de witte [voertuig 7] , de [voertuig 1] en de [voertuig 2] . Deze verankering in objectieve resultaten van opsporing is zodanig dat het hof geen waarde hecht aan de verklaring van [medeverdachte 4] , afgelegd als getuige in de strafzaak van de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank op 4 november 2022, inhoudende dat [bijnaam verdachte] een ander uiterlijk zou hebben dan de verdachte en dat het daarom een ander persoon zou betreffen. Op 18 mei 2021 is het gezelschap bestaand uit onder meer [medeverdachte 4] en de verdachte doorgereden naar Amsterdam. Zij hebben de [voertuig 1] en de [voertuig 2] weggezet en zijn daarna naar de overvallocatie gereden waar [medeverdachte 4] aan de deur heeft gevoeld. Op camerabeelden uit de omgeving van de Meeuwenlaan in Amsterdam wordt op 18 mei 2021 rond 20:45 uur een blauwe [voertuig 8] waargenomen. Uit beelden van Schöne Edelmetaal blijkt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] bij het pand van Schöne Edelmetaal te zien zijn, waarbij [medeverdachte 4] aan de deur voelt. Het nummer [telefoonnummer 3] maakte die avondgebruik van een cell-ID in Amsterdam. Vervolgens is de [voertuig 8] naar Diemen gereden en daarna naar de Galggouw in Broek in Waterland. Een [getuige] zag daar die dag in de avond rond 21:30 uur op de Wagengouw een blauwe [voertuig 8] met een [land 6] kenteken. Tussen 22:17 uur en 22:48 uur maakte de telefoon van [verdachte] met het nummer [telefoonnummer 3] gebruik van cell-ID’s ter hoogte van Vianen. en uiteindelijk in de buurt van Breda. Het kenteken van de [voertuig 8] werd om 22:46 uur geregistreerd bij de grensovergang. Ook daar komen locatiegegevens overeen met locatiegegevens van het nummer [telefoonnummer 3] . De [voertuig 8] reed vervolgens naar de omgeving van de [adres 1] in [plaats 1] , waar om 23:10 uur werd gestopt bij het appartement aan de [adres 1] . Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen stelt het hof vast dat de verdachte op zowel 5 mei 2021 als op 18 mei 2021 in Nederland is geweest, op de locaties en tijdstippen als hiervoor besproken. [medeverdachte 4] heeft bevestigd dat er op laatstgenoemde dag een voorverkenning plaats heeft gevonden. Dat hier sprake was van voorverkenningen leidt het hof ook af uit de omstandigheid dat 5 mei 2021 – net als 19 mei 2021 – een woensdag was en dat rond het tijdstip waarop hij op 5 mei 2021 in de omgeving van Schöne Edelmetaal was, het waardentransport van Brink’s werd gelost. Voor wat betreft 18 mei 2021 stelt het hof vast dat met de [voertuig 8] van België naar Amsterdam, via de plaats van de later te plegen overval op de Meeuwenlaan in Amsterdam Noord, naar Diemen (waar een dag later de [voertuig 3] in brand gestoken wordt) en naar de Galggouw in Broek in Waterland (vlakbij de plek waar een dag later de buit wordt overgeladen) en van daaruit weer terug naar [plaats 1] is gereden, waar de verdachte en medeverdachten in een appartement aan de [adres 1] in [plaats 1] hebben verbleven. Uit de verklaring van [medeverdachte 4] kan verder worden afgeleid dat het deze [bijnaam verdachte] , dus de verdachte, is geweest die op 18 mei 2021 in Belgie in een appartement de beelden van de te overvallen locatie heeft laten zien aan de medeverdachten en op de dag van de overval in de witte auto is meegereden naar de overvallocatie en het startsein voor de overval heeft gegeven. [adres 1] in [plaats 1] Op grond van het voorgaande en de hierna in het kader van feit 2 nog te bespreken bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte aanwezig was in het appartement aan de [adres 1] in [plaats 1] in de nacht van 18 op 19 mei 2021. De verdachte had dit appartement, zo heeft hij verklaard, voor één nacht gehuurd. Over het doel hiervan heeft hij wisselend verklaard, hetgeen het hof tot de conclusie brengt dat hij geen aannemelijke verklaring hiervoor heeft gegeven en dat dit feit aldus als belastend kan worden aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat in het appartement de te gebruiken vuurwapens, kogelwerende vesten en andere voorwerpen aanwezig waren die zijn gebruikt tijdens de overval. 19 mei 2021 Op 19 mei 2021 (de dag van de overval) reden om 10:07 uur een [voertuig 6] , de in Broek in Waterland geplaatste [voertuig 5] en [voertuig 4] en een witte [voertuig 7] in een ‘treintje’ op de E19 in de richting van Nederland. Zij kwamen tussen 10:15 uur en 10:19 uur Nederland binnen, evenals de [voertuig 3] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat het, naast de witte [voertuig 7] , de bij de overval gebruikte [voertuig 3] betreft, de in Broek in Waterland geparkeerde vluchtauto’s en de [voertuig 6] waarin de inzittenden uit de [voertuig 3] zijn overgestapt na de overval. Op het moment van de registraties in Nederland heeft de [voertuig 7] het [land 2] kenteken [kenteken 4] . De auto’s bleven achter elkaar aanrijden en passeerden Vianen tussen 10:55 uur en 10:57 uur. Om 12:43 uur reden de [voertuig 1] , de [voertuig 2] en de [voertuig 7] gezamenlijk in de omgeving van Broek in Waterland, in de richting van Amsterdam. Uit camerabeelden blijkt dat voorafgaand aan de overval de [voertuig 7] in de buurt van de Meeuwenlaan rond reed. Om 14:03 uur reed het waardetransport van Brink’s op de Johan van Hasseltweg en sloeg vervolgens rechtsaf de Meeuwenlaan op richting Schöne Edelmetaal. Eenentwintig seconden later volgde de [voertuig 7] achter het waardetransport vanuit dezelfde richting op de Johan van Hasseltweg en sloeg de [voertuig 7] ook rechtsaf de Meeuwenlaan op. De [voertuig 7] reed vervolgens zo’n tien minuten later in de richting het Gedempte Hamerkanaal en later weer richting de Johan van Hasseltweg. Om ongeveer 14:14 uur vond de overval op Schöne Edelmetaal plaats. Na de overval vluchtten de overvallers in drie auto’s: een [voertuig 1] , een [voertuig 2] en een [voertuig 3] . Te zien is dat de [voertuig 7] meereed met de vluchtende [voertuig 1] en de twee [voertuig 2] ’s. Het nummer [telefoonnummer 3] probeerde rond half drie in de middag en iets over drie uur, dus na de overval contact op te nemen met het nummer van [medeverdachte 6] ( [telefoonnummer 5] ), dat is aangetroffen in de [voertuig 5] en rond drie uur met het nummer van [medeverdachte 2] ( [telefoonnummer 7] ). Het nummer [telefoonnummer 3] verplaatste zich op dat moment richting het zuiden, waarbij zeer waarschijnlijk gebruik werd gemaakt van de Rijksweg A2. Het (valse) [land 2] kentekennummer van de [voertuig 7] , [kenteken 4] , werd om 15:09 uur geregistreerd door de ANPR-camera op de A2 ter hoogte van Vianen. Dit is de laatste ANPR-registratie van dit kentekennummer. Het nummer [telefoonnummer 3] was daar op dat moment vlak in de buurt. Om 16:33 uur reed een [voertuig 7] met het [land 3] kenteken [kenteken 5] bij de grensovergang [plaats 6] vanuit Nederland in de richting van België. Deze locatiegegevens sluiten aan bij de locatiegegevens van het nummer [telefoonnummer 3] . [voertuig 7] Voor de vaststelling dat het telkens om de [voertuig 7] van de verdachte gaat kent het hof bovendien betekenis toe aan het volgende. Uit [land 6] onderzoek blijkt dat de [voertuig 7] met het kenteken [kenteken 11] op 19 mei 2021 vanaf 16:59 uur op de [land 6] snelwegen reed en zich richting [land 1] bewoog. De laatste registratie in België was om 19:33 uur, in de richting van de [land 3] / [land 6] grens. Uit [land 3] onderzoek volgt dat op 19 mei 2021 later op de avond bij de tolpoort van [plaats 7] een witte [voertuig 7] passeerde in de richting van [plaats 5] . Daarbij werd met een creditcard op naam van [medeverdachte 2] betaald, terwijl [medeverdachte 2] op dat moment al was aangehouden in verband met betrokkenheid bij de overval. Het hof leidt hieruit (in samenhang met de eerder in deze bewijsoverweging besproken bevindingen ten aanzien van de auto) af dat de (valse) [land 2] kentekenplaten op de [voertuig 7] tussen Vianen en de grensovergang [plaats 6] zijn vervangen door de originele [land 3] kentekenplaten en dat [verdachte] , in het bezit van een telefoon met het nummer [telefoonnummer 3] toen in de [voertuig 7] reed. 4.3.2. Conclusie Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en de waardering ervan, zoals hiervoor overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tenlastegelegde diefstal met geweld heeft medegepleegd. Hij heeft deze diefstal op diverse momenten en uiteenlopende wijzen voorbereid en is tijdens de uitvoering met een significante bijdrage aanwezig geweest. Het hof acht niet bewezen dat het geweld of de bedreiging met geweld mede tegen de medewerkers van Schöne Edelmetaal is gepleegd. Hoewel de situatie tijdens de overval voor hen zeer bedreigend is geweest, zijn zij niet bedreigd of mishandeld op een instrumentele wijze als bedoeld in de delictsomschrijving van artikel 312 Wetboek van Strafrecht (Sr). In zoverre wordt de verdachte vrijgesproken. 4.3.3. Alibi Namens de verdachte is aangevoerd dat hij op 18 mei 2021 niet in België of Nederland was, maar in het [bedrijf] in [plaats 5] , waar hij werkte. Ter onderbouwing van dit alibi zijn verschillende getuigen in hoger beroep gehoord. Enkele getuigen hebben kort gezegd verklaard geen specifieke herinneringen te hebben aan 18 mei 2021 (getuigen [getuige 1] en [getuige 2] ). De getuige [getuige 3] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat de verdachte op 18 mei 2021 in het [bedrijf] in [plaats 5] aanwezig was. Het hof acht deze laatste verklaring van getuige [getuige 3] echter niet geloofwaardig. [getuige 3] heeft immers ten overstaan van de [land 3] politie op 9 november 2021 – enkele maanden na 18 mei 2021 – verklaard dat hij niet meer wist wat de planning van de verdachte voor de tweede helft van de maand mei 2021 was, dat hij de verdachte drie of vier dagen niet had gezien en dat de verdachte die 18de mei alleen ‘s ochtends aanwezig was in de winkel. De getuige heeft niet verklaard waardoor hij bij de raadsheer-commissaris bijna drie jaar later wel wist dat de verdachte de hele dag op 18 mei 2021 in het [bedrijf] was geweest. Voor zover de getuige heeft willen zeggen dat hij dit koppelt aan een inkomend gesprek van een gebruiker met een [land 6] telefoonnummer dat op 18 mei 2021 zou hebben plaatsgevonden acht het hof dit evenmin geloofwaardig. Immers valt niet in te zien dat de getuige relatief kort na het incident niet meer wist of de verdachte in de winkel was en kennelijk ook geen enkele herinnering had aan het inkomende telefoongesprek van een [land 6] nummer, terwijl hij enkele jaren later op detailniveau hierover verklaart. Het hof betrekt in dit oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat het door de getuige genoemde inkomende telefoongesprek van een [land 6] nummer een omstandigheid betreft die jaren later zoveel indruk zal hebben gemaakt en dat hij zich dat pas dan kan herinneren. Bovendien is opvallend dat hij ook niets kan zeggen over de daaropvolgende werkdag en de werkzaamheden die de verdachte toen zou hebben verricht. Dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, op de printlijst van de telefoon van [getuige 3] blijkt dat op 18 mei 2019 om 15:14 uur met het nummer van mevrouw [getuige 2] is gebeld naar [getuige 3] doet aan het voorgaande niet af. Mevrouw [getuige 2] is de partner van de verhuurder van het appartement aan de [adres 1] in [plaats 1] en zij helpt hem bij de verhuur. Allereerst valt uit de printscreen niet op te maken dat dit een overzicht van de gebelde nummers op 18 mei 2021 betreft, maar zelfs als het hier een overzicht van 18 mei 2021 zou betreffen, zegt dit niets over de aanwezigheid van de verdachte op dat moment in het [bedrijf] . In dit verband merkt het hof op dat uit de getuigenverklaring van [getuige 2] , afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 23 juli 2025, blijkt dat er enkel direct telefonisch contact is met de huurder van het appartement als de huurder bijvoorbeeld te laat is of de locatie niet kan vinden. Dat de huurder van het appartement, verdachte, tijdens dit gesprek dus in [plaats 5] was kan hieruit geenszins worden afgeleid. Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof tot de conclusie dat het door de verdachte geschetste alibi, inhoudende dat hij op 18 mei 2021 in [plaats 5] was en niet in België of Nederland, op geen enkele wijze steun vindt in de resultaten van het onderzoek. Zijn verklaring wordt om die reden in zoverre terzijde geschoven. 5Het onder 2 tenlastegelegde 5.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat er voor alle verdachten een bewezenverklaring kan volgen voor enkele incidenten die onder feit 2 primair ten laste zijn gelegd als poging gekwalificeerde doodslag en dat voor de meeste overige tenlastegelegde incidenten een bewezenverklaring kan volgen voor de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging. Een bewezenverklaring voor het primair tenlastegelegde medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag dient te volgen voor: de invoegstrook S115 richting de A10 ten aanzien van de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] , gedachtestreepje 1 en 2); de N247/Slochterweg/busbaan ten aanzien van de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] , gedachtestreepje 1 en 2); de locatie Broekergouw/Kruisweg ten aanzien van de inzittenden van de Hyundai Kona ( [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 3] , gedachtestreepje 3 en 4); de locatie Galggouw (met de hoek Broekergouw) ten aanzien van de inzittenden van de Volkswagen Passat ( [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] , gedachtestreepje 5 en 6); de locatie ‘Bruggetje’ (op de Kruisweg richting Broekergouw) ten aanzien van de [politieambtenaar 7] en [politieambtenaar 8] , gedachtestreepje 7 en 8). Een bewezenverklaring voor het meer subsidiair tenlastegelegde medeplegen van bedreiging dient te volgen voor de locatie: Zuiderzeeweg ten aanzien van de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] , gedachtestreepje 1 en 2); de Afrit S116 /A10 richting ten aanzien van de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] , gedachtestreepje 1 en 2); de N247 (geschoten vanuit de [voertuig 2] ) ten aanzien van de inzittenden van de Hyundai Kona ( [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] , gedachtestreepje 3 en 4); de N247 ten aanzien van de bestuurder van de Volkswagen Passat ( [politieambtenaar 5] , gedachtestreepje 5) Galggouw/Broekergouw ten aanzien van de inzittenden van de politiebus ( [politieambtenaar 10] , [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] ; gedachtestreepje 10, 11 en 12); het ‘Kippenbruggetje’ ten aanzien van de inzittenden van de politiebus ( [politieambtenaar 10] , [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] , gedachtestreepje 10, 11 en 12); ‘Bruggetje’ (Kruisweg richting Broekergouw) ten aanzien van de [politieambtenaar 13] , gedachtestreepje 13. De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot integrale vrijspraak ten aanzien van de bijrijder van de Volkswagen Passat ( [politieambtenaar 6] ) op de N247 (gedachtestreepje 6). 5.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. De verdediging heeft daartoe primair aangevoerd dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, en subsidiair dat de aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel ontbreekt. De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde enkel kan worden bewezen ten aanzien van de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie invoeg/S115/A10 en dat voor het overige enkel een bewezenverklaring voor de meer subsidiair tenlastegelegde bedreigingen kan volgen. 5.3. Inleidende overwegingen over de waardering van het gepresenteerde bewijs Er is een omvangrijk opsporingsdossier aan het hof ter beschikking gesteld op grond waarvan de advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof overgaat tot bewezenverklaring van het merendeel van de aan alle verdachten onder 2 (in uiteenlopende varianten), 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Het hof ziet aanleiding om voorafgaand aan de beoordeling van het gepresenteerde bewijs voor feit 2 enkele algemene opmerkingen te maken, die mede het kader bepalen voor de door het hof te verrichten bewijswaardering. 5.3.1. Bewijswaarde en bewijskracht Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft tussen partijen debat plaatsgevonden over de bewijskracht die, tegen de achtergrond van de omstandigheden waaronder de kort na de overval aangehouden verdachten zijn achtervolgd, aan de resultaten van opsporing kan worden toegekend. In de vonnissen heeft de rechtbank hieraan ook beschouwingen gewijd. Bij feit 2 gaat het om strafbare feiten die tegen politieambtenaren zouden zijn gepleegd. Daarvan hebben de meesten van hen processen-verbaal van bevinden opgemaakt. Daarna hebben zij veelal ook aangifte gedaan en zijn aanvullende aangiftes opgenomen. De meeste betrokkenen zijn later nogmaals als getuige gehoord door de rechter-commissaris. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep, onder meer onder verwijzing naar het vonnis, gewezen op de factoren die van invloed kunnen zijn geweest op de waarnemingen van de politieambtenaren. Het gaat daarbij in het bijzonder om de stressvolle omstandigheden, de dreiging die van de vluchtende daders van de overval is uitgegaan, de weersomstandigheden en de bijeenkomsten die de politie heeft georganiseerd om over de gebeurtenissen van 19 mei 2021 te spreken. Het heeft de rechtbank onder andere tot de conclusie gebracht dat zij een proces-verbaal als bedoeld in artikel 344, tweede lid, Sv, dat op grond van die bepaling kan dienen tot volstrekt bewijs, toch niet voldoende acht voor enige bewezenverklaring. Het hof overweegt dat ingevolge artikel 344, tweede lid, Sv het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, door de rechter kan worden aangenomen enkel op grond van een door een bevoegde opsporingsambtenaar op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Genoemde bepaling maakt geen uitzondering voor feiten die tegen de opsporingsambtenaar zelf zijn gepleegd. Naar het oordeel van het hof bestaat daarom op zichzelf geen grond om deze wettelijke regel van bewijsrecht opzij te zetten of van een aanvullend vereiste te voorzien. Wel is het zo dat de wet in de vorm van het bepaalde in artikel 338 Sv de rechter opdraagt om het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, slechts aan te nemen indien hij daarvan de overtuiging heeft bekomen. Daarvoor moet hij vertrouwen hebben in de betrouwbaarheid van het betreffende proces-verbaal van de betrokken opsporingsambtenaar. In geval namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in artikel 359, tweede lid, tweede volzin Sv wordt ingenomen met betrekking tot de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel, dient de rechter, bij afwijking van dit standpunt door dat bewijsmiddel toch tot het bewijs te bezigen, in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Het hof zal, anders dan de rechtbank, niet de algemene eis stellen dat een proces-verbaal van bevindingen telkens dient te zijn voorzien van aanvullend bewijs voordat tot bewezenverklaring kan worden overgegaan. Het hof overweegt voorts dat de rechter volgens vaste rechtspraak tot beantwoording van een door verdediging of Openbaar Ministerie naar voren gebracht standpunt verplicht is indien dat duidelijk, beargumenteerd, en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie naar voren is gebracht. Alleen dan is sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als hiervoor bedoeld. Dit brengt met zich dat het hof eisen stelt aan bewijsverweren die betrekking hebben op het gewicht dat aan processen-verbaal en verklaringen van de betrokken politieambtenaren mag worden toegekend. Deze verweren dienen concreet te zijn over de omstandigheden waar de verdediging het oog op heeft en op de gevolgen die deze hebben gehad. Beschouwingen over mogelijke invloeden van externe factoren, denkbare verstoringen in de waarneming of de mogelijkheid van beïnvloeding van het geheugen als gevolg van debriefings of andere vormen van uitwisseling van ervaringen zijn, voor zover in algemene zin naar voren gebracht, niet toereikend. Dit betekent dat het hof, anders dan de rechtbank, er niet reeds op voorhand vanuit gaat dat de eerder genoemde factoren in meer of mindere mate de bewijskracht of bewijswaarde van de resultaten van het opsporingsonderzoek hebben aangetast. Het door het hof te verrichten onderzoek zal, onder meer op geleide van gevoerde verweren, betrekking hebben op concrete aanknopingspunten voor het vermoeden dat de waarneming van de politieambtenaren zou zijn bemoeilijkt of dat zij daarover op enig moment onvolledig dan wel onjuist zouden hebben gerapporteerd. Hun antwoorden, gegeven op nadere vragen over de aanwezigheid en doorwerking van die mogelijk verstorende factoren, gesteld door verhorende verbalisanten gedurende het opsporingsonderzoek of tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris, vormen het object van dat onderzoek. In dat onderzoek gaat de aandacht in het bijzonder uit naar hetgeen er kan worden vastgesteld over de wijze van totstandkoming van processen-verbaal en verklaringen en naar consistentie. Daarbij moet worden opgemerkt dat consistentie als algemeen kenmerk op zichzelf niet zonder meer bijdraagt aan het oordeel over betrouwbaarheid van gerapporteerde waarnemingen en bevindingen en over de bruikbaarheid ervan voor het bewijs. Maar de mate waarin die consistentie betrekking heeft op de kern van verklaringen kan, beoordeeld in samenhang met de inhoud van andere verklaringen en objectieve resultaten van opsporing, wél van invloed zijn op de reikwijdte van conclusies over die betrouwbaarheid en bruikbaarheid. Het hof neemt op voorhand ook niet aan dat tijdsverloop als zodanig een omstandigheid is die de bruikbaarheid van een bewijsmiddel zonder meer in negatieve zin beïnvloedt. In zoverre wordt de advocaat-generaal gevolgd in de bij requisitoir naar voren gebrachte uitgangspunten. Het voorgaande doet niet af aan de verantwoordelijkheid van het hof om ook zelfstandig, dat wil zeggen buiten het verband van gevoerde verweren, de potentiële bewijsmiddelen te beoordelen op samenhang en consistentie. In het bijzonder wanneer blijkt van tegenstrijdigheden binnen of tussen de gepresenteerde bewijsmiddelen, die op basis van de overige inhoud van het dossier niet kunnen worden verklaard of begrepen, is een behoedzame en kritische beoordeling nodig. Deze toetsing beweegt zich zowel op het niveau van de algemene lijnen als op het niveau van relevante details. Daarvoor zijn echter geen algemene regels te geven. Het hof ziet hierin, anders dan de rechtbank, dan ook geen aanleiding om aanvullende uitgangspunten voor die bewijswaardering te formuleren. 5.3.2. ‘ Gericht schieten’ In de feitelijke omschrijving van de poging tot gekwalificeerde doodslag en de poging tot doodslag, respectievelijk onder 2 primair en 2 subsidiair telkens ten laste gelegd, is wat de feitelijke gedragingen betreft opgenomen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, heeft geschoten ‘in de richting van’ de (voertuigen van
- de)politieambtenaren. Ter terechtzitting zijn door partijen standpunten naar voren gebracht die betrekking hebben op de beoordeling van het bewijs voor dit ten laste gelegde schieten. Daarbij hebben zij de bewijsopgave opgevat als beantwoording van de vraag of er ‘gericht’ is geschoten. Uit de processtukken kan worden afgeleid dat één of meer personen (waarbij in dit verband in het midden kan blijven wie dat zijn geweest) na de overval op Schöne Edelmetaal hebben geschoten. Er zijn, voor zover van belang voor het onder 2 tenlastegelegde, schoten gelost tijdens de vlucht waarbij de overvallers werden achtervolgd door de politie en op de locatie in Broek in Waterland waar de buit werd overgeladen in andere vluchtauto’s. Tijdens de vlucht werd door de overvallers en door de politie met zeer hoge snelheid gereden. De afstanden tussen de auto’s waren volgens de politieambtenaren afwisselend klein en iets groter. In Broek in Waterland was in één geval sprake van een met hoge snelheid voorbij rijdende politieauto die mogelijk werd beschoten. Voorts kan op basis van diverse verklaringen worden aangenomen dat de aanvalsgeweren waarmee werd geschoten van uiteenlopende kwaliteit waren en tijdens het vuren in zekere mate bewogen. Daarom kunnen naar het oordeel van het hof de woorden ‘in de richting van’, zoals opgenomen in de tenlastelegging niet op één lijn worden gesteld met ‘gericht schieten’. Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde omstandigheden dienen de aanwezigheid van vol opzet dan wel van voorwaardelijk opzet, opgevat als de aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg en de bewuste aanvaarding daarvan, te worden beoordeeld. Dat betekent overigens niet dat de lat voor de bewijslevering wordt verlaagd. Het hof zal uitgaan van de bewoordingen van de tenlastelegging en beoordelen of schieten in de richting van de politieambtenaren in één of meer gevallen bewezen is. Daarbij komt ter toets of dit in het licht van alle relevante omstandigheden en aan de hand van de toepasselijke maatstaven tot bewijs voor enige variant van het onder 2 telkens tenlastegelegde kan leiden. 5.3.3. Aanmerkelijke kans In het verlengde van het voorgaande wordt nog het volgende overwogen. Geen van de verdachten heeft verklaard dat het de bedoeling was om andere personen te raken. Reeds daarom zal het hof dienen te beoordelen of, waar het gaat om de poging tot doodslag, in twee varianten ten laste gelegd onder 2 primair en subsidiair, bij de schutters voorwaardelijk opzet heeft bestaan om personen dodelijk te treffen. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat naar algemene ervaringsregels de kans op een bepaald gevolg aanmerkelijk is en dat de verdachte die kans willens en wetens heeft aanvaard. Daarbij komt, zo blijkt uit vaste rechtspraak, betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Deze twee factoren vormen in hun onderlinge samenhang de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging. De beoordeling van deze uiterlijke verschijningsvorm is een min of meer objectieve toetsing, vooral in het geval aan de verklaring van de verdachte in dit verband geen of weinig waarde kan worden gehecht. Van dat laatste is, zoals later in dit arrest zal blijken, in deze strafzaak sprake. Bijzondere risicoverhogende of risicoverlagende omstandigheden, zowel afhankelijk als onafhankelijk van de wil van de verdachte, kunnen daarbij van aanvullende betekenis zijn. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Er is tot slot geen grond om de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. In dit geval betekent dit dat het hof niet sneller een aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg mag aannemen op de grond dat dit een zeer ernstig gevolg zou zijn geweest. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat geen algemene regels zijn te geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan dat deze kans in een percentage zou zijn uit te drukken. De te beoordelen kans dient ‘geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen te zijn’. Deze formulering van de maatstaf valt te ontlenen aan vroegere rechtspraak van de Hoge Raad. Daarover heeft de Hoge Raad overwogen dat met de introductie van het nieuwe criterium ‘aanmerkelijke kans’ niet een wezenlijk andere vorm of mate van waarschijnlijkheid is beoogd. Dit betekent dat, zo nodig, bij een weging van de mate van waarschijnlijkheid, ook bij deze oude formulering aansluiting kan worden gezocht. Ook vanuit dit perspectief bezien ziet het hof reden om bij de beoordeling van de tenlastelegging van feit 2, primair en subsidiair, dicht te blijven bij de daarin opgenomen woorden ‘in de richting van’. Met de operationalisering ervan door middel van het woord ‘gericht’, gehanteerd door procespartijen tijdens het debat ter terechtzitting in beide instanties, wordt een subjectieve component geïntroduceerd die onvoldoende recht doet aan de bewoordingen van de tenlastelegging en aan de context waarop deze betrekking heeft. Daardoor zou de beoordeling, gelet op specifieke kenmerken van de zaak, kunnen worden vertroebeld. Het hof stelt zich ten doel om dat te vermijden. 5.3.4. Overige aspecten in verband met de bewijsvoering De verdediging heeft voorts gewezen op enkele factoren die aanleiding zouden moeten geven tot een kritische beoordeling van de verklaringen en processen-verbaal van de betrokken politieambtenaren. Aan deze factoren zou namelijk telkens een relativering of soms zelfs falsificatie van de door hen gerelateerde bevindingen en waarnemingen kunnen worden ontleend. ‘De ervaringsdeskundige’ In de opsporingsfase is een persoon als getuige gehoord die veel ervaring heeft met het gebruik van een type aanvalswapen dat bekend is onder de benaming ‘Kalasjnikov’. Hij is nogmaals, naar het hof begrijpt opnieuw in de hoedanigheid van getuige, gehoord door de rechter-commissaris. Hij heeft zich uitgelaten over de mogelijkheden om met een wapen van dit type in het algemeen en met de onder de verdachten aangetroffen wapens in het bijzonder zodanig te schieten dat een persoon in wiens richting wordt geschoten wordt geraakt. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen uiteenlopende posities van de schutter, variërend van dynamisch (vanuit een snel rijdende auto) tot statisch (vanuit stilstand). De afstand die door een afgeschoten projectiel moet worden afgelegd speelt ook een rol bij de mate van nauwkeurigheid als er gericht wordt geschoten. Voorts zijn de kwaliteit van de schutter en de mate waarin hij is getraind volgens de ervaringsdeskundige van invloed. Het hof zal de opmerkingen van de ervaringsdeskundige niet betrekken in de bewijswaardering. In strafvorderlijke zin heeft deze persoon een atypische hoedanigheid. Hij heeft, zo blijkt uit zijn verklaringen, veel ervaring opgedaan in gevechtssituaties waarbij aanvalswapens zijn gebruikt. Toch heeft hij niet de rol van de deskundige van wie, behoudens de zich hier niet voordoende situatie waarin gronden bestaan om reeds op voorhand niet van zijn verklaring uit te gaan, het oordeel naar zijn aard gewicht in de schaal legt bij de beoordeling van het bewijs. De deskundige is in dit geval een getuige van wie de door hem gerapporteerde ervaringen met vergelijkbare wapens aan de processtukken zijn toegevoegd. Dit betekent ook dat een aanzienlijk deel van de opmerkingen van de ervaringsdeskundige (begrijpelijkerwijs) het niveau van hetgeen naar algemene ervaringsregels kan worden aangenomen, niet ontstijgen. Voor zover de ervaringsdeskundige zich specifiek over de gebruikte vuurwapens heeft uitgelaten heeft hij, na kennisneming van de omstandigheden waaronder deze zijn gebruikt, toegelicht dat te verwachten valt dat de trefpunten een aanzienlijke spreiding zullen vertonen. Voorts biedt het dossier geen betrouwbare aanknopingspunten voor vaststellingen ten aanzien van de kwaliteit van de schutters, die in de hierna volgende overwegingen zullen worden geïdentificeerd. Dit houdt voor een deel verband met de omstandigheid dat ten aanzien van enkele incidenten niet met zekerheid kan worden vastgesteld wie er heeft geschoten. Anderdeels hebben de betrokken schutters gezegd dat zij geen of vrijwel geen ervaring hebben met wapens van het type Kalasjnikov dan wel daarover wisselende verklaringen afgelegd. Tot slot merkt het hof op dat voor beantwoording van de vraag of één of meer schutters voorwaardelijk opzet op een dodelijk resultaat hebben gehad de maatstaf onder meer is gelegen in de aanwezigheid van de aanmerkelijke kans op het intreden van dat gevolg. Zoals hiervoor reeds is overwogen vindt die beoordeling plaats aan de hand van algemene ervaringsregels. Het hof kan zich voorstellen dat onder (hier niet aan de orde zijnde) omstandigheden de deugdelijkheid van de poging ter discussie kan komen te staan op basis van door een deskundige ingebrachte informatie over de kwaliteit van een wapen. Maar overigens laat de aanmerkelijke kans op het dodelijk gevolg zich naar zijn aard niet beoordelen op basis van de inbreng van deze ervaringsdeskundige. Dit geldt in het bijzonder voor het incident waarbij volgens de ervaringsdeskundige bij ‘gerichte’ schoten een auto of persoon zou zijn geraakt, te weten het moment waarop de schutter vanuit stilstand heeft geschoten in Broek in Waterland op de parkeerplaats. Niet valt in te zien dat uit het enkele gegeven dat er geen inslagen zijn aangetroffen, noch personen zijn geraakt, moet worden afgeleid dat niet in de richting van politieambtenaren zou kunnen zijn geschoten. Dat zou immers tot de ongerijmdheid leiden dat een aanmerkelijke kans op een resultaat onder bepaalde omstandigheden met zekerheid tot het beoogde of in de gedraging besloten liggende resultaat zou moeten hebben geleid om het bestaan van die kans te mogen aannemen. Zo’n standpunt kan niet als juist worden aanvaard. Deze factoren brengen, in samenhang beschouwd, met zich dat de waarde van de informatie die is verschaft door de ervaringsdeskundige zodanig moet worden gerelativeerd dat hieraan geen betekenis kan toekomen bij de waardering van het gepresenteerde bewijs of in het kader van de bewijsvoering. Resultaten van forensisch onderzoek De verdediging heeft naar voren gebracht dat er geen personen zijn geraakt, noch inslagen zijn aangetroffen in de betrokken politieauto’s, bomen en woningen in de omgeving van plaatsen waar, vanuit de groep waarvan de verdachte deel uitmaakte, is geschoten. Evenmin zijn er op enkele relevante locaties hulzen gevonden. Op enkele andere locaties lag slechts een beperkt aantal hulzen. Dit moet, naar het hof begrijpt, op onderdelen tot de conclusie leiden dat er geheel niet is geschoten dan wel dat er niet intensief of niet ‘gericht’ is geschoten. Het hof stelt op grond van de processtukken vast dat er kort na de overval onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van hulzen op de locatie van Schöne Edelmetaal aan de Meeuwenlaan in Amsterdam, op de parkeerplaats in Broek in Waterland waar de dadergroep is overgestapt in andere gereedstaande auto’s en op de Galggouw in Broek in Waterland. Op 14 december 2021 is op twee locaties gezocht, te weten bij de oprit van de S115 naar de A10 in Amsterdam-Noord en, voor een tweede maal, op de genoemde parkeerplaats. De zoekacties die zijn uitgevoerd kort na de overval hebben tot resultaat gehad dat er hulzen, afkomstig van patronen gebruikt door de verdachten, zijn gevonden. De latere acties hebben niet geleid tot enig resultaat. Het hof overweegt dat, voor zover er wel hulzen zijn gevonden, deze bevindingen geen onderscheidend karakter hebben voor beantwoording van de vraag of er ook gericht op, dan wel in de richting van, politieambtenaren is geschoten. Voor zover er geen hulzen zijn gevonden moet onderscheid worden gemaakt tussen de gevallen waarin op de betreffende locatie vruchteloos is gezocht en de gevallen waarin er niet is gezocht. In de laatste categorie vallen de bermen langs de A10, de afslag van de A10 naar de N247 en de N247 (waaronder begrepen de hoofdrijbaan en de busbaan bekend onder de naam Slochterweg en de weg naar Broek in Waterland na passage van de afslag naar de N235 richting Purmerend). Hieraan kan geen bijzonder gewicht worden toegekend waar het gaat om de waardering van de verklaringen van de politieambtenaren over de gang van zaken. Wat betreft de eerste categorie gaat het met name om de oprit naar de A10 vanaf de S115 in Amsterdam-Noord. In een proces-verbaal van bevindingen van 21 december 2021 is het gebied aangeduid waar op 14 december 2021 is gezocht naar hulzen. Blijkens die aanduiding is alleen gezocht in de grasberm, gelegen aan de binnenkant van de haakse bocht naar de oprit. Daar komt bij dat dit onderzoek ruim een half jaar na de dag waarop de overval heeft plaatsgehad is uitgevoerd. Deze omstandigheden, in samenhang beschouwd, kunnen niet tot de conclusie leiden dat er op de betreffende oprit in het geheel niet is geschoten. Daar waar de betrokken politieambtenaren stellig, eensluidend en bij herhaling verklaren dat er door één van de leden van de dadergroep vanuit de [voertuig 1] is geschoten kan onder deze omstandigheden het enkele ontbreken van hulzen op de locatie in kwestie, daargelaten het antwoord op de vraag of er in meer of mindere mate gericht is geschoten, zo’n vergaande conclusie niet dragen. Voorts gaat het om het deel van de Zuiderzeeweg (S115) tot aan het tankstation van BP waar op 11 juni 2021 is gezocht, maar deze locatie speelt in de beoordeling van het bewijs, zoals hierna zal blijken, geen rol van grote betekenis. 5.4. Oordeel van het hof Voor zover er verweren zijn gevoerd die betrekking hebben op de bewijskracht en bewijswaarde van een proces-verbaal van bevindingen, het ontbreken van forensisch bewijs, de verklaring van de ervaringsdeskundige en het (voorwaardelijk) opzet verwerpt het hof deze verweren op grond van hetgeen hiervoor is overwogen. In een aantal gevallen (als het primair en subsidiair tenlastegelegde niet kunnen worden bewezen) zal het hof hierna tot de conclusie komen dat sprake is van een bedreiging. In dat verband stelt het hof voorop dat voor een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht vereist is dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht. Uit de aangiftes blijkt dat alle politieambtenaren die aangifte hebben gedaan dit ook hebben gedaan wegens bedreiging. Gelet op de omstandigheden inhoudende dat tijdens de vluchtroute vanuit de hardrijdende auto’s is geschoten met automatische wapens op de openbare weg, dan wel automatische wapens in de richting van de politieambtenaren zijn gehouden/getoond, acht het hof in die gevallen bewezen dat bij de betrokken politieambtenaren in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Het opzet van de schutters op de bedreiging kan uit de aard van de gedragingen en de hiervoor bedoelde omstandigheden worden afgeleid. Wat betreft het opzet van de daders die niet hebben geschoten zal een overweging aan medeplegen worden gewijd. In het licht van de voorgaande algemene overwegingen met betrekking tot de bewijswaardering stelt het hof ten aanzien van de verschillende incidenten die in verschillende varianten onder 2 zijn ten laste gelegd, het volgende vast. 5.4.1. [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] (Volkswagen Touran) Locatie Zuiderzeeweg (in de directe omgeving van het BP tankstation) Nu de aangevers niet hebben verklaard dat gericht op hen is geschoten, maar enkel in de lucht kan het primair respectievelijk subsidiair tenlastegelegde reeds daarom niet worden bewezen. Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging stelt het hof vast dat de verdediging ten aanzien van dit verwijt geen verweer heeft gevoerd. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er op die locatie vanuit de [voertuig 1] door [medeverdachte 5] in de lucht is geschoten. Dit betekent dat [medeverdachte 5] de genoemde politieambtenaren heeft bedreigd op de wijze als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. Locatie invoeg/S115/A10 Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op de oprit S115 richting de A10 gericht op de Volkswagen Touran waarin de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] zaten, is geschoten alsook dat in de richting van die politieambtenaren is geschoten. De schutter was [medeverdachte 5] , die op de achterbank van de [voertuig 1] zat. Het hof overweegt dat er op essentiële elementen sprake is van continuïteit en consistentie in de verklaringen van de betrokken politieambtenaren. Bovendien hebben zij hun waarnemingen gedaan terwijl zij op zeer korte afstand van de [voertuig 1] reden. Daarom komt het hof tot een selectie van bewijsmiddelen zoals in de bijlage weergegeven. Het schieten heeft plaatsgevonden tijdens de vlucht na de gewapende overval op Brink’s waardetransport op het terrein van Schöne Edemetaal in Amsterdam Noord. Door in de richting van de politieambtenaren te schieten is, gelet op wat hiervoor over het (voorwaardelijk) opzet is overwogen, sprake van voorwaardelijk opzet op de dood en omdat dit schietincident heeft plaatsgevonden na de gewapende overval en met het doel om aan de politie te ontsnappen en het behoud van de buit te verzekeren, is dit een poging tot gekwalificeerde doodslag. Locatie afrit/S116/A10 naar N247 In navolging van de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat geen bewezenverklaring kan volgen voor de primair en subsidiair tenlastegelegde poging (gekwalificeerde) doodslag. Nu de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] in het proces-verbaal van bevindingen hebben geverbaliseerd dat zij zagen dat op de A10 de persoon die linksachter in de [voertuig 1] zat uit het raam hing met het lange vuurwapen, dat het voertuig met hoge snelheid door de bocht de A10 in de richting van de S116 Purmerend opdraaide en zij vervolgens weer een doffe knal hoorden, volgt – mede gelet op wat hiervoor over de bedreiging is overwogen – dat wel is bewezen dat [medeverdachte 5] heeft geschoten. Dit was bedreigend voor de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] ) op de afrit S116 (A10) richting de N247. Locatie N247/Slochterweg/busbaan (Shell tankstation) Het hof acht gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 5] vanuit de [voertuig 1] in de richting van de inzittenden van de Volkswagen Touran ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] ) heeft geschoten op de N247/Slochterweg/Busbaan (in de buurt van het Shell station). Het hof betrekt in dit oordeel dat de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] al in hun proces-verbaal van bevindingen hebben geverbaliseerd dat zij zagen dat er op die locatie gericht op hen werd geschoten. Dit bevestigen beide politieambtenaren in hun aangiftes waarin ze beiden ook verklaren dat er op de locatie N247/Slochterweg (in de directe omgeving van de het Shell benzinestation) op hen wordt geschoten. Het hof ziet – gelet ook op wat hierover in de algemene overwegingen is overwogen – geen reden om hieraan te twijfelen. Dat het slechte weer en de enorme stress waarin de politieambtenaren verkeerden hun waarneming kan hebben vertroebeld is – zoals hiervoor ook is overwogen – evenmin voldoende reden om aan de waarnemingen te twijfelen. Dit leidt tot de slotsom dat [medeverdachte 5] op deze locatie met het voorwaardelijk opzet op de dood heeft geschoten in de richting van de betrokken politieambtenaren. 5.4.2. [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] (Hyundai Kona) Locatie N247 (vanuit de [voertuig 2] ) In navolging van de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat geen bewezenverklaring kan volgen voor de primair en subsidiair tenlastegelegde poging tot (gekwalificeerde) doodslag. Door de politieambtenaren wordt immers niet verklaard dat op die plek gericht op hen is geschoten. Door de politieambtenaar [politieambtenaar 5] die als bestuurder in de Volkswagen Passat zat, is geverbaliseerd dat hij portofonisch hoorde dat twee opvallende politievoertuigen achter de voertuigen van (het hof begrijpt) de verdachten reden van waaruit door de verdachten op de collega’s werd geschoten en dat hij toen zicht had op de collega’s die daadwerkelijk werden beschoten met automatische wapens. Op grond van deze verklaring kan echter niet worden vastgesteld vanuit welk voertuig werd geschoten en op welke politieauto dit was gericht zodat het hof deze waarneming onvoldoende acht om aan te nemen dat er toen gericht op de inzittenden van de Hyundai Kona is geschoten door een inzittende van de [voertuig 2] . Nu op grond van de bevindingen van de politieambtenaren [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] wel kan worden vastgesteld dat de [voertuig 2] met hoge snelheid vanaf de afrit (komende van de A10) de Slochterweg (N247) opreed en dat een persoon uit het linker achterportier hing met een automatisch wapen en dat deze vanuit de [voertuig 2] heeft geschoten, is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de vaststelling dat [medeverdachte 3] , die toen achterin de [voertuig 2] zat, in de lucht heeft geschoten. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen wat in algemene zin over de vereisten voor de bewijswaardering van bedreiging is overwogen. Locatie Broekergouw/Kruisweg Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 19 mei 2021 in Broek in Waterland op het kruispunt Broekergouw en Kruisweg voor de daar geparkeerde [voertuig 1] door een verdachte meerdere keren is geschoten in de richting van de politieambtenaren in de voorbij rijdende Hyundai Kona. Door aldus, onder uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden, in de richting van de politieambtenaren te schieten is er, gelet op wat hiervoor over het opzet is overwogen, sprake geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. Omdat dit schietincident heeft plaatsgevonden na de gewapende overval en met het doel om aan de politie te ontsnappen en de buit te verzekeren, is dit een poging tot gekwalificeerde doodslag. Het door de verdediging gevoerde verweer inhoudende dat door het slechte weer en de stress waarin de politieambtenaren verkeerden, hun waarnemingen zijn beïnvloed in die zin dat zij ten onrechte menen te hebben gezien dat er gericht op hen is geschoten wordt verworpen op grond van de hiervoor opgenomen algemene overwegingen hierover. Hetzelfde lot treft het verweer dat het ontbreken van geconstateerde inslagen of overig forensisch bewijs de verklaring van de politieambtenaren onbetrouwbaar maakt. Voor beantwoording van de vraag wie de schutter was op het kruispunt Broekergouw en Kruisweg overweegt het hof het volgende. De bijrijder heeft in haar aangifte verklaard dat zij de man die zij na de aanhoudingen van de verdachten in het weiland overnam, direct herkende als de schutter die op het kruispunt Broekergouw en Kruisweg op haar en haar collega had geschoten. Ze herkende zijn rastahaar waar hij een soort sok of mutsje overheen droeg. In haar aanvullende aangifte heeft zij verklaard dat hij een soort rastanetje/panty droeg waaronder donker rastahaar/een rastaknot zat en hij had een opvallende oranje/rode skibril op. Bij de rechter-commissaris heeft ze desgevraagd verklaard dat de schutter een oranje skibril op had. Het haarnetje heeft zij gezien op zijn hoofd op het moment dat hij in hun richting schoot. Zij heeft hem herkend toen hij in het weiland lag. De afstand tussen de schutter en de Hyundai Kona was max 10 meter. De bestuurder heeft in zijn aangifte op 2 juni 2021 verklaard dat hij een man met een rood/oranje skibril met een automatisch wapen heeft gezien voor de geparkeerde wagens die vervolgens schoot. Deze man stond op ongeveer 10 meter van de auto waarin de politieambtenaren zaten, vandaan. Deze verbalisant heeft enkele weken later in zijn aanvullende aangifte opnieuw verklaard dat de schutter een rode skibril droeg, in het donker gekleed was en een bult met haar op zijn hoofd had onder een soort haarnetje. De afstand tussen de schutter en de Hyundai waarin hij reed was ongeveer 8 à 10 meter. Hij heeft later de verdachte met de rode skibril overgenomen van collega’s. Desgevraagd bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat de schutter een soort panty over zijn hoofd had met rastahaar. Hij had een skibril op. Dat de schutter een haarnetje had, had hij al waargenomen op het moment dat de schutter richting hem en zijn collega schoot. Hij heeft de schutter later in het weiland overgenomen. Het hof stelt vast dat op het moment van het schieten de afstand tussen de schutter en de politieambtenaren in de Hyundai Kona ongeveer 8 à 10 meter was; zij hebben hem dus van dichtbij gezien. Beide politieambtenaren hebben verklaard over het rastahaar en het netje/panty waaronder het haar werd gedragen en de rood/oranje skibril. Bovendien hebben zij beiden verklaard dat zij de schutter herkenden toen zij hem van collega’s in het weiland overnamen. Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen vast dat het [medeverdachte 2] is geweest die op het kruispunt Broekergouw en Kruisweg in de richting van de politieambtenaren in de voorbij rijdende Hyundai Kona heeft geschoten. Het hof heeft in dit oordeel betrokken dat, hoewel nog twee andere verdachten een rood/oranjekleurige skibril droegen, deze verdachten op significante wijze niet aan het overige signalement voldoen. [medeverdachte 5] , de enige persoon in de dadergroep die buiten [medeverdachte 2] ook een negroïde uiterlijk heeft, was immers niet in het donker gekleed, maar droeg juist lichte (groenkleurige) kleding en [medeverdachte 6] had een geblokte jas aan. Ook onderscheiden deze verdachten zich doordat zij onmiskenbaar geen rastahaar hadden. Bovendien was [medeverdachte 6] op het moment van de aanhoudingen al niet meer in leven. 5.4.3. [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] (Volkswagen Passat) Locatie N247 Het hof stelt vast dat in het proces-verbaal van bevindingen van de politieambtenaren [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] niets is gerelateerd over gericht schieten op deze locatie op deze politieambtenaren. De bijrijder ( [politieambtenaar 6] ) heeft volgens de aangifte en de overige door deze politieambtenaar afgelegde verklaringen niets gezien. In navolging van het requisitoir van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte wat betreft dit incident, voor zover betrekking hebbend op deze verbalisant, van het tenlastegelegde in alle varianten moet worden vrijgesproken. Verder stelt het hof vast dat de politieambtenaar [politieambtenaar 6] weliswaar heeft verklaard in zijn aangifte dat er is geschoten, maar deze aangifte wordt niet ondersteund door een ander bewijsmiddel zodat om die reden ook een integrale vrijspraak dient te volgen wat betreft dit incident voor zover betrekking hebbend op de politieambtenaar [politieambtenaar 5] . Locatie Galggouw/Broekergouw Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat er op de hoek Galggouw en de Broekergouw door een verdachte in de richting van de inzittenden van de Volkswagen Passat is geschoten. Door aldus op de politieambtenaren te schieten is, gelet op wat hiervoor over het (voorwaardelijk) opzet is overwogen, sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van deze politieambtenaren. Omdat dit schietincident heeft plaatsgevonden na de gewapende overval en met het doel om aan de politie te ontsnappen en de buit veilig te stellen, wordt dit aangemerkt als een poging tot gekwalificeerde doodslag. Door de verdediging is erop gewezen dat de bestuurder van de Volkswagen Passat ( [politieambtenaar 5] ) in zijn aanvullende aangifte heeft verklaard dat hij niet heeft gezien waarop de schutter richtte zodat er onvoldoende bewijs is voor opzet op de dood. Het hof stelt vast dat de beide politieambtenaren in het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot deze locatie melding maken van het gericht op hen schieten. In de aanvullende aangifte heeft politieambtenaar [politieambtenaar 5] verklaard dat de schutter hun kant op draaide met het wapen. Weliswaar heeft hij toen ontkennend geantwoord op de vraag of hij zag waarop de schutter richtte, maar desgevraagd heeft hij ten overstaan van de rechter-commissaris ter toelichting hierop verklaard dat hij niet kon zien of de schutter op de wielen of op de borstkast richtte maar dat hij heeft gezien dat hij het wapen in de richting van de politieambtenaren hield en dat er gevuurd werd. Het hof ziet, gelet op de verklaringen en in het bijzonder de uitleg die de politieambtenaar als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris heeft gegeven over de verschillende accenten in de door hem gerapporteerde waarnemingen en bevindingen, geen reden te twijfelen aan de inhoud van de verklaringen van deze politieambtenaar over de wijze waarop is geschoten. Zijn verklaring in zijn aanvullende aangifte doet geen afbreuk aan de bruikbaarheid van zijn eerder gerelateerde bevindingen. Bovendien sluit deze aan op de bevindingen van zijn collega [politieambtenaar 6] , zoals verwoord in het proces-verbaal van bevindingen dat door het hof voor het bewijs wordt gebruikt. Het hof begrijpt de verklaring van [politieambtenaar 5] in de aanvullende aangifte aldus dat hij niet precies kon zeggen waarop werd gericht maar dat hij wel bij zijn verklaring zoals geverbaliseerd in het proces-verbaal van bevindingen blijft dat er in hun richting is gevuurd. Dat het een van de verdachten is geweest die toen in de richting van de VW Passat heeft geschoten, stelt het hof vast op grond van de bewijsmiddelen. Niet kan worden vastgesteld welke verdachte toen vuurde. 5.4.4. [politieambtenaar 7] , [politieambtenaar 8] , [politieambtenaar 26] en [politieambtenaar 13] Locatie Bruggetje Ten aanzien van [politieambtenaar 7] Het hof stelt vast dat de politieambtenaar [politieambtenaar 7] geen proces-verbaal van bevindingen heeft opgemaakt. Wel heeft hij aangifte gedaan van gericht schieten door een verdachte op deze locatie. Voor de vraag of er voldoende steunbewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, is de verklaring van politieambtenaar [politieambtenaar 8] relevant. Weliswaar blijkt uit de verklaring van die politieambtenaar dat er gericht is geschoten, maar naar het oordeel van het hof kan niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de beide politieambtenaren voor wat betreft het gericht schieten over precies dezelfde locatie spreken. De samenhang tussen beide verklaringen is daarom onvoldoende betekenisvol voor de bewijslevering. Nu het bewijs voor opzet op de dood niet blijkt uit andere bewijsmiddelen dan een enkele aangifte zal de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde (ten aanzien van [politieambtenaar 7] ) worden vrijgesproken. Omdat zowel politieambtenaar [politieambtenaar 7] als politieambtenaar [politieambtenaar 8] wel allebei hebben verklaard over het schieten op deze locatie, is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de bedreiging van politieambtenaar [politieambtenaar 7] op deze locatie, gepleegd door één van de leden van de dadergroep. Ten aanzien van [politieambtenaar 8] Politieambtenaar [politieambtenaar 8] heeft een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt kort gezegd inhoudende dat de man met een Kalasjnikov op hem en zijn collega’s richtte en diverse malen in hun richting schoot toen hij op de brug stond. Het hof heeft overwogen dat het bewijs dat een feit is gepleegd in beginsel kan worden gebaseerd op de inhoud van een proces-verbaal van bevindingen, maar dat er omstandigheden kunnen zijn die ertoe leiden dat van dat uitgangspunt niet onverkort kan worden uitgegaan. Nu deze politieambtenaar in zijn verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris zijn waarnemingen duidelijk heeft genuanceerd, is van een dergelijke omstandigheid sprake. Dit betekent dat het hof in dit geval aanleiding ziet om het opgemaakte proces-verbaal van bevindingen niet als toereikend bewijsmiddel te beschouwen, en van oordeel is dat er aanvullend bewijs nodig is om tot een bewezenverklaring van opzet op de dood aan te nemen. Dit aanvullende bewijs ontbreekt in deze zaak zodat het hof reeds daarom tot een vrijspraak komt van het primair en subsidiair tenlastegelegde poging (gekwalificeerde) doodslag ten aanzien van politieambtenaar [politieambtenaar 8] . Zoals ook overwogen ten aanzien van politieambtenaar [politieambtenaar 7] is er gelet op de verklaringen van beide politieambtenaren, zoals opgenomen in hun aangiftes, wel voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de tenlastegelegde bedreiging, gepleegd door één van de leden van de dadergroep. Ten aanzien van [politieambtenaar 9] In navolging van het requisitoir van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging dat ten aanzien van deze politieambtenaar de verdachte integraal moet worden vrijgesproken, stelt het hof vast dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor enige variant van het verwijt in feit 2 ten aanzien van deze politieambtenaar zodat de verdachte hiervan wordt vrijgesproken. Ten aanzien van [politieambtenaar 13] Nu de aangever en zijn collega in het proces-verbaal van bevindingen niet hebben verklaard dat gericht op hen is geschoten, maar enkel in de lucht wordt de verdachte – zoals ook door de advocaat-generaal is gerekwireerd – reeds daarom van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken. Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging stelt het hof vast dat de verdediging ten aanzien van dit verwijt geen verweer heeft gevoerd. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er op die locatie door een van de verdachten dreigend in de lucht is geschoten door één van de leden van de dadergroep. 5.4.5. [politieambtenaar 10] , [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] (politiebus) Locatie Broekergouw/Galggouw Het hof volgt de advocaat-generaal in het standpunt dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er is geschoten op een manier waaruit opzet op de dood kan worden afgeleid. Daarom zal de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken. Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging stelt het hof vast dat de verdediging ten aanzien van dit verwijt geen verweer heeft gevoerd. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er op die locatie door een van de verdachten dreigend is geschoten. Locatie Kippenbruggetje Nu de aangevers in het proces-verbaal van bevindingen niet hebben verklaard dat er op enigerlei wijze op hen is geschoten, wordt de verdachte – zoals ook door de advocaat-generaal is gerekwireerd van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken. Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde bedreiging stelt het hof vast dat de verdediging ten aanzien van dit verwijt geen verweer heeft gevoerd. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat er op die locatie door een van de verdachten dreigend is geschoten. 5.4.6. Medeplegen Aan de verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij deze, naar verschillende incidenten uitgesplitste, feiten telkens heeft medegepleegd. In het voorgaande is overwogen dat het hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen bewezen acht dat: [medeverdachte 5] de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd op de locatie invoeg/ S115/A10 en op de locatie N247/Slochterweg/busbaan, in beide gevallen tegen de politieambtenaren NP 225356 en [politieambtenaar 2] , respectievelijk chauffeur en bijrijder van de Volkswagen Touran; [medeverdachte 2] de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd op de locatie Broekergouw/Kruisweg in Broek in Waterland, tegen de politieambtenaren [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 3] , respectievelijk de chauffeur en bijrijder van de Hyundai Kona; een niet te identificeren persoon, die deel uitmaakte van de dadergroep, de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd op de locatie Galggouw in Broek in Waterland, tegen de politieambtenaren [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] , respectievelijk chauffeur en bijrijder van de Volkswagen Passat; bij de overige onder 2 opgenomen incidenten, behoudens enkele deelvrijspraken, [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] of een niet met zekerheid te identificeren schutter, deel uitmakend van de dadergroep, de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging heeft gepleegd. Maatstaven Bij deze stand van zaken staat ter beoordeling of de hiervoor bedoelde personen één of meer van deze feiten alleen hebben gepleegd of dat zij één of meer van deze feiten tezamen en in vereniging met een ander of anderen hebben gepleegd. Meer in het bijzonder is daarbij de vraag of de verdachte één van deze medeplegers is geweest. Daarbij staat het hof allereerst stil bij de vraag of sprake is van medeplegen van de bewezen te verklaren gevallen van poging tot gekwalificeerde doodslag. Deze incidenten lenen zich wat deze bewijsvraag betreft voor een gezamenlijke bespreking. Voor het bewijs van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering ervan. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties moet in de bewijsvoering aandacht worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(
- re)rol in de voorbereiding. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, zijn onder meer relevante factoren de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt, blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad, een beoordeling van het concrete geval. In dit verband kan de procesopstelling van de verdachte ook een rol spelen. Voor medeplegers geldt dat zij het door de delictsomschrijving geëiste opzet moeten hebben. Dat brengt mee dat van het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag slechts sprake kan zijn als de betrokkene opzet heeft op het van het leven beroven van een ander en het medeplegen van de poging tot doodslag tevens is gepleegd met (één van de varianten van) het bijkomend oogmerk dat artikel 288 Sr eist. Volgens vaste rechtspraak is in het geval van medeplegen voor een bewezenverklaring niet vereist dat de verdachte alle bestanddelen van de delictsomschrijving zelf heeft vervuld. Evenmin is nodig dat de verdachte alle handelingen die, ontleend aan de tenlastelegging, in de feitelijke omschrijving van de bewezenverklaring worden opgenomen, heeft uitgevoerd. Mede met toepassing van deze uitgangspunten en de algemene maatstaven voor het bewijs van medeplegen is het hof tot de bewezenverklaring van feit 1 gekomen, zoals eerder in dit arrest is overwogen. Dit impliceert echter niet dat, wanneer deze feitelijke, door de verdachte niet verrichte, gedragingen als afzonderlijke delicten worden ten laste gelegd, reeds op grond daarvan ook tot bewezenverklaring van die feiten kan worden overgegaan. De bewijsbaarheid van de onder 2 ten laste gelegde feiten vereist telkens een zelfstandige beoordeling op basis van de daarvoor uit het dossier af te leiden bewijsmiddelen. Dit betekent evenwel niet dat dit een geïsoleerde beoordeling is waarin volledig wordt geabstraheerd van de inhoud van de voor bewezenverklaring van feit 1 gebruikte bewijsmiddelen. Evenmin staat enige rechtsregel eraan in de weg dat het hof nadere vaststellingen afleidt uit en conclusies verbindt aan die bewijsmiddelen met het oog op de bewijsvoering inzake feit 2. Dat betekent het volgende. Vastgesteld kan worden dat de verdachte, waar het gaat om de incidenten zoals ten laste gelegd onder 2, de delictsomschrijving zelf niet heeft vervuld. Daarom dient onderzocht te worden welke bijdrage van de verdachte uit de processtukken kan worden afgeleid. Deze moet worden beoordeeld aan de hand van de hiervoor weergegeven maatstaven die betrekking hebben op medeplegen. Toepassing op de zaak De verdachte heeft deelgenomen aan een gewapende overval waarbij een hoeveelheid edelmetalen is buitgemaakt met een waarde van meer dan 14 miljoen euro. Daarbij is gebruik gemaakt van drie automatische aanvalsgeweren en een shotgun. Met in elk geval twee aanvalsgeweren is daadwerkelijk op verschillende momenten en op verschillende locaties geschoten. Een derde is gebruikt om te dreigen. Daarnaast waren nog twee vuistvuurwapens, een mes en aanzienlijke hoeveelheden munitie, waaronder van pantser doorborende kwaliteit, meegenomen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de persoon is die ‘ [bijnaam verdachte] ’ is genoemd door de medeverdachte [medeverdachte 4] . Deze [bijnaam verdachte] is samen met enkele andere overvallers op 18 mei 2021 in een appartement in [plaats 4] geweest. Ook is hij die dag met enkele overvallers naar Amsterdam en Broek in Waterland gegaan om de omgeving van het te overvallen bedrijf te verkennen en om enkele auto’s klaar te zetten. In de late avond van die dag is de verdachte in het gezelschap van deelnemers aan de overval in een appartement aan de [adres 1] in [plaats 1] geweest. De verdachte heeft ook beelden van de te overvallen locatie getoond. De volgende ochtend, op 19 mei 2021, zijn de overvallers samen met de verdachte vertrokken naar Amsterdam. Het hof leidt dit af uit de verklaringen van [medeverdachte 4] bij de politie, die heeft verklaard dat hij de dag voor de overval samen met de verdachte en enkele andere betrokkenen in onder meer een blauwe [voertuig 8] naar Amsterdam is geweest, dat zij daar de [voertuig 1] en de [voertuig 2] hebben geplaatst, dat zij daarna zijn teruggereden naar België en hebben verbleven in een appartement dat hij herkende als de [adres 1] in [plaats 1] en dat zij de ochtend van 19 mei 2021 met de [voertuig 4] , de [voertuig 5] , de [voertuig 3] , een [voertuig 6] en een witte auto ‘wat een [voertuig 7] , [voertuig 8] of [voertuig 9] was’ weer naar Amsterdam zijn gereden. De verdachte was, zo leidt het hof ook uit deze verklaringen in samenhang met de overige bewijsmiddelen af, de bestuurder van de witte [voertuig 7] . Ter terechtzitting in hoger beroep op 6 oktober 2025 heeft [medeverdachte 4] als getuige in de zaak van de verdachte verklaard dat hij zich herinnert dat [bijnaam verdachte] ook in het appartement in [plaats 1] was in de nacht voorafgaand aan de overval. De verdachte was daarom ook op de ochtend van 19 mei 2021 in het appartement aan de [adres 1] in [plaats 1] . Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat op dat moment de aanvalsgeweren, de munitie en de kogelwerende vesten in het appartement aanwezig waren. Ook uit de verklaringen van [medeverdachte 5] tijdens het opsporingsonderzoek kan worden opgemaakt dat er vooroverleg heeft plaatsgevonden. In het appartement aan de [adres 1] in [plaats 1] is, zo kan uit zijn verklaringen worden opgemaakt, gediscussieerd over het gebruik van de aanvalsgeweren, waarbij onder meer verschil van mening bestond over de vraag of en hoe er zou worden geschoten. Ook door [medeverdachte 4] is als getuige ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat besproken is of er wapens zouden worden gebruikt. De overval is, zo kan worden vastgesteld, zodanig uitgevoerd dat daaruit blijkt dat, op tal van essentiële onderdelen, sprake is geweest van voorafgaande onderlinge afstemming. Dat biedt op dit onderdeel bevestiging voor de verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . De overvallers zaten steeds in dezelfde samenstelling en op dezelfde plaatsen in de auto’s, ook nadat zij in Broek in Waterland waren overgestapt in de andere vluchtauto’s. Voor [medeverdachte 3] geldt dat hij in elk geval zowel voorafgaand als na de overval en na de overstap in de [voertuig 4] in Broek in Waterland op de achterbank van de auto heeft gezeten. Of dit de gehele tijd links achterin is geweest kan niet worden vastgesteld. De gehele operatie is in vier minuten uitgevoerd. Daarbij waren de rollen verdeeld. [medeverdachte 4] ramde de voordeur met de door hem bestuurde [voertuig 1] . Het rammen van de voordeur was, zo blijkt uit zijn verklaring, tijdens een voorverkenning afgesproken. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] renden als eersten naar binnen, ieder met een lang geweer in de aanslag. [medeverdachte 3] bleef buiten en positioneerde zich direct op de parallelweg en loste met het wapen dat hem was toebedeeld meer dan tien schoten in de lucht. Dat was volgens afspraak zijn taak, zo heeft hij zelf verklaard. [medeverdachte 7] paste geweld toe op de beide medewerkers van Brinks en bond hen allebei vast met tie wraps. De overige daders, van wie er enkele in hoger beroep niet terecht staan, hebben de dozen uit de transportwagen naar buiten gebracht en geplaatst in de [voertuig 1] en de [voertuig 3] . Uit dit samenstel van handelingen leidt het hof af dat er sprake was van een planmatige aanpak. Vrijwel alle betrokken uitvoerders van de overval hebben verklaard dat er een afspraak bestond over het gebruik van de aanvalsgeweren. Deze afspraak hield in dat niet zou worden geschoten op personen, ook niet na een eventuele betrapping door de politie. Er zou alleen in de lucht worden geschoten. Het hof stelt met de rechtbank vast dat de verklaringen over het moment waarop en de plaats waar de bedoelde afspraak over het gebruik van de vuurwapens is gemaakt, dan wel gecommuniceerd, uiteen lopen. Ook zijn de verklaringen op dit punt algemeen en vaag. De waarachtigheid ervan kan daarom moeilijk worden beoordeeld. Voorts is in de zaak van de verdachte van belang dat hij hierover zelf geen verklaring heeft afgelegd omdat hij heeft ontkend bij de overval enige betrokkenheid te hebben gehad. Maar als deze afspraak wel zou zijn gemaakt is van belang dat er kennelijk over het gebruik van de wapens is gesproken en dat dit gebruik niet is uitgesloten. Sterker nog, op grond van de afgelegde verklaringen moet worden aangenomen dat gebruik van de aanvalsgeweren in bepaalde gevallen, waaronder betrapping door de politie en een daarop volgende achtervolging, als passende oplossing werd beschouwd. En ook blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 5] dat over de intensiteit van het toe te passen vuurwapengebruik discussie had plaatsgevonden. Daar is de verdachte, gelet op de hiervoor uit de inhoud van de bewijsmiddelen getrokken conclusies, bij aanwezig geweest. Bijna alle verdachten droegen zichtbaar kogelwerende vesten, met uitzondering van [medeverdachte 2] . Of [medeverdachte 7] een dergelijk vest droeg kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Dit feit betekent op zich beschouwd al dat de verdachten allen rekening hebben gehouden met een gewelddadige confrontatie, onder meer met de politie, waar het gebruik van vuurwapens onderdeel van zou kunnen zijn. Daar komt bij dat reeds tijdens de overval is geschoten. [medeverdachte 3] loste schoten buiten op straat. Dat waren harde klappen, zo blijkt uit de verklaringen van de daar aanwezige politieambtenaren. [medeverdachte 5] kwam na de overval naar buiten terwijl hij schoot. Rond dat moment, in elk geval voordat de overvallers wegreden in drie vluchtauto’s, de [voertuig 1] , de [voertuig 2] en de [voertuig 3] , stonden al drie opvallende politievoertuigen in de directe omgeving van Schöne Edelmetaal. De daders zijn met hoge snelheid weggereden en hebben daarbij de route gevolgd die uit de bewijsmiddelen blijkt. Uit die bewijsmiddelen blijkt ook dat de witte [voertuig 7] waarin de verdachte zat enige tijd is meegereden. Vanaf de Zuiderzeeweg in Amsterdam-Noord zijn de [voertuig 1] en de [voertuig 2] achtervolgd door politieauto’s naar Broek in Waterland. De [voertuig 3] , met daarin onder anderen [medeverdachte 7] , is ontkomen door op de Zuiderzeeweg af te slaan naar de A10 in de andere richting. [medeverdachte 1] bestuurde de [voertuig 2] , met [medeverdachte 2] als bijrijder en [medeverdachte 3] links op de achterbank. De [voertuig 1] werd bestuurd door [medeverdachte 4] ; naast hem zat [medeverdachte 6] , die later in het weiland in Broek in Waterland door een politiekogel dodelijk werd getroffen; links achterin zat [medeverdachte 5] . Tijdens de vlucht is diverse malen vanuit beide auto’s, zoals hiervoor besproken, door [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en een niet met zekerheid aan te wijzen schutter uit de dadergroep geschoten. [medeverdachte 2] en de niet te identificeren schutter hebben geschoten op de parkeerplaats in Broek in Waterland. Wat betreft [medeverdachte 5] in twee gevallen en wat betreft [medeverdachte 2] en de andere schutter op de genoemde locatie telkens in de vorm van poging tot gekwalificeerde doodslag. Dit geweld vond plaats in het kader van een vlucht waarbij uit de gang van zaken blijkt dat alle inzittenden van de [voertuig 1] en de [voertuig 2] zich, in bezit van de buit, aan aanhouding door de politie wilden onttrekken. Er werden zeer hoge snelheden bereikt waarbij op risicovolle wijze werd gereden. Op de parkeerplaats in Broek in Waterland werd de buit overgeladen in de gereed staande [voertuig 4] en [voertuig 5] . Alle daders waren daar in meer of mindere mate mee bezig. Ook zijn zij, nadat de [voertuig 1] en de [voertuig 2] in brand waren gestoken, opnieuw weggereden. Op verschillende momenten werd daarbij geschoten. Nadat het onmogelijk was geworden om verder te rijden zijn zij met uitzondering van [medeverdachte 4] het weiland in gerend. [medeverdachte 4] heeft zich in een afvalcontainer verstopt in de tuin van een van de woningen. De verdachte was in diverse fasen in een organiserende rol betrokken bij deze overval, zoals reeds overwogen bij de bespreking van het bewijs voor feit 1. Hij heeft gedurende geruime tijd voorbereidingen getroffen, verkenningen uitgevoerd, contacten onderhouden en was op het moment van de overval aanwezig. Op een belangrijk moment in die voorbereiding, de ontmoeting in het appartement aan de [adres 1] in [plaats 1] , was de verdachte aanwezig en waren alle wapens en kogelwerende vesten beschikbaar. Ook heeft daar discussie plaatsgehad over het gebruik van de wapens. Direct voorafgaand aan de overval was de verdachte ter plaatse aanwezig en gaf hij het teken dat tot actie kon worden overgegaan. Hij stond daartoe in verbinding met alle drie auto’s die door de dadergroep werden gebruikt. Het gebruik van de wapens door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] was door zijn aanwezigheid op de plaats delict voor hem kenbaar. Dat geldt ook voor de aanwezigheid van drie politievoertuigen waardoor het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat het uitgesloten was dat de daders zouden kunnen ontkomen zonder dat de politie zou overgaan tot enige vorm van interventie. Daarmee was ook voor de verdachte duidelijk dat als gevolg van de overval de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid in het leven was geroepen dat er een gewelddadige confrontatie met de politie zou plaatsvinden onder gevaarlijke en voor niet-professionele schutters niet te beheersen omstandigheden. Hij kende de route die de vluchtende mededaders moesten afleggen om bij de auto’s te komen die in de ochtend van de dag van de overval met zijn actieve betrokkenheid waren geplaatst in Broek in Waterland. Dat traject bestond uit een deel dat in de bebouwde kom is gelegen, een drukke autosnelweg en een provinciale weg met één rijbaan in beide richtingen. Niet is gebleken dat de verdachte, vanuit de rol en positie die hij had en met de middelen die hij ter beschikking had, heeft opgeroepen om de vlucht op enig moment te staken. Integendeel, hij is tot een niet vast te stellen moment in Amsterdam-Noord tijdens die vlucht meegereden dan wel in de buurt van de drie met hoge snelheid wegrijdende auto’s gebleven. Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, leiden tot de conclusie dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd en daarom medepleger is van de hiervoor onder 2 bewezen verklaarde incidenten. Ook de overige overvallers kunnen naar het oordeel van het hof als de medeplegers van de verdachte worden beschouwd. Terwijl het vuurwapengeweld op verschillende plaatsen en in uiteenlopende omstandigheden werd toegepast, hebben zij zich op geen enkel moment gedistantieerd. Integendeel, ze hebben zich tot het uiterste ingespannen om in bezit te blijven van de buit en om een aanhouding te vermijden. De bijdrage van elk van de hiervoor genoemde verdachten kan, in het geval zij niet zelf de schutter waren, worden aangemerkt als een bijdrage van voldoende gewicht. Het geweld is toegepast tijdens een gezamenlijke criminele onderneming. Het toegepaste vuurwapengeweld was daarbij een belangrijk onderdeel in de uitvoering, zowel voor de verkrijging van de buit als voor de vlucht. Daarmee was, blijkens de aanwezigheid van kogelwerende vesten, vooraf rekening gehouden. De reële mogelijkheid van een gewapend treffen, zoals kennelijk ingecalculeerd door de verdachten, impliceert de mogelijkheid dat bij de toepassing van vuurwapengeweld grenzen worden overschreden. De aanwezigheid van de zware aanvalsgeweren die de verdachten hadden meegenomen, heeft aan die mogelijkheid bijgedragen. Aldus heeft zich de reële mogelijkheid van intensievere geweldstoepassing door de respectieve schutters gerealiseerd. Het is niet uit te sluiten dat de overige verdachten deze overschrijding van grenzen niet hebben verwacht, althans daarmee niet volledig rekening hebben gehouden. Maar deze mogelijkheid was onder de gegeven omstandigheden niet zo onwaarschijnlijk dat medeplegen uitgesloten moet worden geacht. De hiervoor weergegeven gang van zaken en de overige gedane vaststellingen leiden tot de conclusie dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [verdachte] de bewezen geachte pogingen tot gekwalificeerde doodslag tezamen en in vereniging hebben gepleegd. De slotsom is dan ook dat zowel de verdachte als de genoemde verdachten die zijn gevlucht in de [voertuig 1] en in de [voertuig 2] , als medepleger betrokken zijn geweest bij de hiervoor besproken gevallen van poging tot gekwalificeerde doodslag. Zij hadden opzet op het gronddelict en op de nauwe en bewuste samenwerking. Door het directe en instrumentele verband met de door de verdachte en zijn medeverdachten gepleegde diefstal met geweld is het bewijs van het in artikel 288 Sr bedoelde bijkomende oogmerk ook gegeven. Het hof komt op dezelfde gronden tot de conclusie dat, wat betreft de incidenten waar de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging bewezen is geacht, ook telkens sprake is van medeplegen. 6Het onder 3 tenlastegelegde 6.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 tenlastegelegde. 6.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, omdat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. 6.3. Oordeel van het hof Het hof acht op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen alle onder 3 ten laste gelegde gevallen van bedreiging bewezen. Ten aanzien van de bedreiging met gebruikmaking van een automatisch vuurwapen, gepleegd op de Meeuwenlaan in Amsterdam tijdens de overval wordt het volgende vastgesteld en overwogen. Buiten redelijke twijfel staat dat [medeverdachte 3] tijdens de overval buiten heeft gestaan en diverse malen in de lucht heeft geschoten. Dit levert bedreiging op jegens de genoemde inzittenden van bus 1 en bus 3. [medeverdachte 5] is de persoon geweest die dreigend zijn aanvalsgeweer heeft getoond richting bus 2. Voorts is het [medeverdachte 3] geweest die op de locatie Broek in Waterland/Kruisweg uit de wegrijdende [voertuig 4] schoot, wat een bedreiging van [politieambtenaar 22] oplevert. Van de overige onder 3 opgenomen incidenten kan niet met zekerheid worden gezegd wie de persoon is geweest die heeft geschoten dan wel dreigend een vuurwapen heeft getoond. Wel is er telkens sprake geweest van bedreiging. Op de gronden zoals uiteengezet in de overwegingen over medeplegen bij feit 2 acht het hof eveneens bewezen dat de verdachte samen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] bij alle incidenten medepleger van de bedreiging is geweest. [medeverdachte 7] is medepleger geweest van de bedreiging van de inzittenden van bus 1, bus 2 en bus 3. Voor het overige is zijn betrokkenheid niet zodanig geweest dat hij als medepleger kan worden beschouwd. 7Het onder 4 tenlastegelegde 7.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 primair tenlastegelegde. 7.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde, omdat de verdachte geen significante en wezenlijke bijdrage heeft verricht en niet is gebleken van een gezamenlijk plan, noch dat de verdachte daar enige wetenschap van had. 7.3. Oordeel van het hof Feit 4 heeft onder meer betrekking op het in brand steken van de [voertuig 2] en de [voertuig 1] op en bij de parkeerplaats aan de Broekergouw in Broek in Waterland. [medeverdachte 4] heeft, zo blijkt uit zijn eigen verklaring, samen met een ander de [voertuig 1] in brand gestoken. [medeverdachte 2] heeft blijkens zijn eigen verklaring benzine in de [voertuig 2] gegooid waarna deze door een ander in brand werd gestoken. [medeverdachte 3] heeft verklaard deze auto in brand te hebben gestoken. Het dossier, noch het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep, biedt aanknopingspunten om nadere vaststellingen te doen over de personen die de brandstichting in één van de twee auto’s in Broek in Waterland hebben gepleegd. Voorts vermeldt de tenlastelegging de brandstichting in de [voertuig 3] , de derde vluchtauto, die uitgebrand is aangetroffen in Diemen. Daarvan kan niet worden vastgesteld wie de dader is geweest. De advocaat-generaal heeft betoogd dat de brandstichting in alle drie vluchtauto’s moet worden beschouwd als onderdeel van een gezamenlijk plan van alle daders van de diefstal met geweld. Het kan aan de advocaat-generaal worden toegegeven dat het een veel voorkomende werkwijze is dat vluchtauto’s na ernstige delicten uitgebrand worden achtergelaten. Maar het dossier biedt geen aanknopingspunten om met zekerheid te oordelen dat dit ook in dit geval onderdeel van een planmatige aanpak is geweest. De in de tenlastelegging onder 4 omschreven handelingen kunnen, anders dan bij de feiten 2 en 3, niet binnen de reikwijdte van die planmatige werkwijze en van de daarvan deel uitmakende reële mogelijkheden worden gebracht. De verdachte wordt van dit feit geheel vrijgesproken. 8Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 2 meer subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij, op 19 mei 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, goederen, te weten een grote hoeveelheid kostbare edelmetalen, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen medewerkers van Brinks en politieambtenaren, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die medewerkers van Brinks met tie wraps vast te binden en met automatische vuurwapens naar die medewerkers van Brinks te richten en die medewerkers van Brinks een mes te tonen en een medewerker van Brinks te schoppen en met automatische vuurwapens op de openbare weg in de lucht te schieten en met automatische vuurwapens op de openbare weg een aantal kogels in de richting van voertuigen waar de politieambtenaren zich in bevonden te schieten en met automatische vuurwapens op de openbare weg op en/of in de richting van de lichamen van die politieambtenaren te schieten; 2. primair hij, op 19 mei 2021 in Amsterdam en/of Broek in Waterland, tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om meermalen opzettelijk de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] (werkzaam bij de Nationale Politie) van het leven te beroven, door in Amsterdam: met betrekking tot de [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie invoeg/S115/A10 met een automatisch vuurwapen kogels in de richting van het voertuig waarin die politieambtenaren zich bevonden en op die politieambtenaren te schieten; met betrekking tot de [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie N247/Slochterweg/busbaan met een automatisch vuurwapen kogels in de richting van het voertuig waarin die politieambtenaren zich bevonden en op die politieambtenaren te schieten; in Broek in Waterland: met betrekking tot de [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] op de locatie Broekergouw/Kruisweg met een automatisch vuurwapen kogels in de richting van het voertuig waarin die politieambtenaren zich bevonden en op die politieambtenaren te schieten; met betrekking tot de [politieambtenaar 5] en [politieambtenaar 6] op de locatie Galggouw met een automatisch vuurwapen kogels in de richting van het voertuig waarin die politieambtenaren zich bevonden en op die politieambtenaren te schieten; welke pogingen tot doodslag werden voorafgegaan van het medeplegen van een diefstal met geweld (te weten een overval bij Schöne Edelmetaal) en welke pogingen tot doodslag op de politieambtenaren werden gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat feiten hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; meer subsidiair hij, op 19 mei 2021 in Amsterdam en/of Broek in Waterland, tezamen en in vereniging met anderen meermalen politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij in Amsterdam ten aanzien van [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie Zuiderzeeweg opzettelijk dreigend met een automatisch vuurwapen in de lucht geschoten; in Amsterdam of Broek in Waterland: ten aanzien van [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] op de locatie afrit/S116/A10 naar de N247 opzettelijk dreigend een automatisch vuurwapen getoond en voornoemd vuurwapen op hen gericht en geschoten; ten aanzien van [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] opzettelijk dreigend vanuit de [voertuig 2] op de N247 met een automatisch vuurwapen (in de lucht) geschoten; in Broek in Waterland: ten aanzien van [politieambtenaar 7] en [politieambtenaar 8] op de locatie Bruggetje opzettelijk dreigend met een automatisch vuurwapen geschoten; ten aanzien van [politieambtenaar 10] en [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] op de locatie Galggouw/Broekergouw en Kippenbruggetje opzettelijk dreigend met een automatisch vuurwapen (in de richting van het voertuig van [politieambtenaar 10] , [politieambtenaar 11] en [politieambtenaar 12] ) geschoten; ten aanzien van [politieambtenaar 13] op de locatie Bruggetje opzettelijk dreigend met een automatisch vuurwapen in de lucht heeft geschoten. 3. hij, op 19 mei 2021 te Amsterdam of Broek in Waterland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, politieambtenaren (werkzaam bij de Nationale Politie), te weten in Amsterdam: [politieambtenaar 14] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en [politieambtenaar 15] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en [politieambtenaar 16] (locatie: Meeuwenlaan (bus 1)) en [politieambtenaar 18] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en [politieambtenaar 19] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en [politieambtenaar 20] (locatie: Meeuwenlaan (bus 3)) en heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend aan bovengenoemde personen een automatisch vuurwapen getoond en voornoemd vuurwapen op bovengenoemde personen gericht en/of gericht gehouden en/of (meermalen) met voornoemd vuurwapen in de lucht en/of in de richting van (het voertuig van) bovengenoemde person(
- en)geschoten; in Amsterdam: [politieambtenaar 17] (locatie: Meeuwenlaan (bus 2)) en [politieambtenaar 21] (locatie: Onderweg passeren [voertuig 1] ) en in Broek in Waterland: [politieambtenaar 22] (locatie: Broek in Waterland/Kruisweg) en [politieambtenaar 23] (locatie: Bruggetje) en [politieambtenaar 24] (locatie: Bruggetje) en [politieambtenaar 25] (locatie: Ramvoertuig), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend aan bovengenoemde personen een automatisch vuurwapen getoond en/of voornoemd vuurwapen op bovengenoemde personen gericht en/of gericht gehouden. Hetgeen onder 1 primair, 2 primair, 2 meer subsidiair en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij dit arrest. 9Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 primair, 2 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op het heter daad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren. Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op: medeplegen van poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit, hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, meermalen gepleegd. Het onder 2 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. 10Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair, 2 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde uitsluit. 11Oplegging van straf 12.1. Vonnis van de rechtbank De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, 2 primair, 2 meer subsidiair, 3, 4 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige