GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/1947 28 oktober 2025 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels) tegen de uitspraak van 1 februari 2024 in de zaak met kenmerk AMS 23/1578 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] , de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van een aantal woningen (hierna: WOZ-waarde) aan het adres [straat 1] te [Z] voor het jaar 2022 vastgesteld. In hetzelfde geschrift zijn voor die woningen de aanslagen onroerendezaakbelasting 2022 (hierna: OZB) en aanslagen rioolheffing eigenaren 2022 (hierna: RH) bekendgemaakt. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Het door belanghebbende daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank bij haar uitspraak ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. De gecombineerde aanslag voor het jaar 2022 die door de heffingsambtenaar aan belanghebbende is opgelegd vermeldt vijf adressen, te weten [straat 1] B, C, D, E en F te [Z] . Op het biljet zijn voor elk van deze woningen steeds vermeld: de WOZ-beschikking eigenaar, de aanslag OZB eigenaar en de aanslag rioolheffing eigenaar. 2.2. De woning aan het adres [straat 1] B betreft een omstreeks 1899 gebouwde historische benedenwoning in [Z] -Centrum met een oppervlakte van ongeveer 30 m². De woning beschikt niet over een tuin, buitenruimte of berging. De WOZ-waarde voor het jaar 2022 is vastgesteld op € 275.000. 2.3. De woningen aan het adres [straat 1] C en D zijn bovenwoningen met een oppervlakte van 30 m2 en een WOZ-waarde van € 275.000. De woningen op dat adres met huisnummertoevoeging E en F zijn bovenwoningen met een oppervlakte van circa 52 m2 en een WOZ-waarde van € 429.000. 2.4. Het bezwaarschrift van belanghebbende vermeldt: “Betreft: WOZ/OZB 2022 èn uitdrukkelijk ook alle andere hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook. Tevens een verzoek houdende gehele of gedeeltelijke kwijtschelding” Het bezwaarschrift bevat uitsluitend tekstblokken met niet op de zaak toegesneden standaardklachten. Over rioolheffingen of de daarvoor geldende opbrengstlimiet wordt in het bezwaarschrift niets aangedragen. Het woord ‘rioolheffing(en)’ of ‘opbrengstlimiet’ komt niet in het bezwaarschrift voor. Het bezwaarschrift bevat klachten die betrekking hebben op de vastgestelde WOZ-waarde. Hetzelfde geldt voor het door belanghebbende opgestelde hoorverslag. 2.5. De uitspraak op bezwaar gaat in op de klachten over de WOZ-waarde en vermeldt verder: “Ten aanzien van de overige heffingen zijn door u geen grieven aangedragen.” 2.6. In de beroepsprocedure bij de rechtbank is door belanghebbende niets ingebracht over rioolheffingen. In de zittingsaantekeningen van de rechtbank staat: “ [straat 1] B […] Bartels: Woning brengt meer op dat degane grond.Stel voor een ton er af. M.i. schikken op € 175.000,-. Ingenhou: Totaal geen reden voor enige aftrek. M.i. waarde correct. Voorstel wijs ik af. Bartels: Ben akkoord met waarde 135C, 135D, 135 E en 135F. Wel usp. over 135B”. 2.7. Bij het Hof is op 7 februari 2024 een (aan de rechtbank gericht) hogerberoepschrift met standaard tekstblokken ingekomen, zonder op de zaak toegesneden klachten en zonder klachten die rioolheffingen betreffen. Nog een dergelijk stuk (aan het Hof gericht) is op 15 mei 2024 ontvangen. 2.8. Bij brief van 21 juli 2025 zijn partijen uitgenodigd voor de zitting bij het Hof op 17 september 2025. 2.9. Op 27 juli 2025 is een verweerschrift van de heffingsambtenaar ontvangen waarin verwezen wordt naar eerdere stukken omdat het hogerberoepschrift volgens de heffingsambtenaar enkel algemene grieven bevat. 2.10. Op 28 augustus 2025 heeft het Hof een nader stuk van belanghebbende ontvangen, vergezeld van een afschrift van de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3430 (hierna ook wel: de uitspraak Stichtse Vecht). In deze uitspraak werd een aanslag rioolrecht vernietigd, nadat de belastingplichtige in die procedure de overschrijding van de opbrengstlimiet door gemeente Stichtse Vecht aan de orde had gesteld. De heffingsambtenaar had inzicht geboden in de begroting, waarna belanghebbende betwistte dat ten aanzien van de posten ‘overhead, uren en BTW’ sprake was van een ‘last ter zake’ en vervolgens niet kon worden vastgesteld dat de opbrengsten niet waren overschreden. In belanghebbendes stuk staat hierover: “onze klant wenst aanvullend een beroep te doen op het recente -zéér exact richtinggevende- arrest van de het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 3 juni jl., […] waarin -kort gezegd- is bepaald dat verweerder, in casu de BghU, (on)voldoende inzicht heeft/geeft in de ramingen van baten en lasten terzake de riool-en afvalstoffenheffing, waterschapslasten, zuiveringsheffing, reinigingsrechten (én alle andere lokale belastingen én plaatselijke heffingen onder welke titel dan ook, óók de BIZ dus). Namens belanghebbende wordt -extra, op voorhand- gesteld dat ten aanzien van de posten overhead, uren en BTW in de ramingen redelijke twijfel bestaat of en in hoeverre er sprake is van een “last ter zake”. Tot nu toe heeft de Heffingsambtenaar alleen maar gereageerd met algemene stellingen zonder cijfermatige toelichting of onderbouwing. Daardoor heeft verweerder niet naar vermogen nadere inlichtingen verschaft, nu over de samenstelling en de toerekeninguitgangspunten van deze posten meer informatie beschikbaar moet zijn en daarmee is de dezerzijds opgeworpen twijfel niet weggenomen. Om reden dat niet kan worden vastgesteld dat de opbrengstlimieten niet zijn overschreden, moeten de tariefstellingen in de verordeningen jegens onze klachten onverbindend worden verklaard en moeten de aanslagen (óók) anders dan de WOZ/OZB sec worden vernietigd.” 2.11. Op 1 september 2025 heeft het Hof een nader stuk van belanghebbende ontvangen onder de noemer “eerste verbijzonderingsbrief”. Daarin schrijft belanghebbende dat de WOZ-waarden van “ [straat 1] (5 letters)” zo laag mogelijk dienen te zijn en minimaal met 10% verminderd moeten worden. Verder staan er tekstblokken met standaardklachten in. In een aantal tekstblokken wordt wederom een beroep gedaan op de uitspraak Stichtse Vecht. 2.12. Op 16 september 2025 heeft het Hof nog een (niet aangetekend verzonden) nader stuk van belanghebbende ontvangen, zonder datumstempel op de enveloppe. Het betreft een brief met standaard tekstblokken die niet op de zaak zijn toegesneden. 3Geschil in hoger beroep 3.1. In hoger beroep is in geschil of de WOZ-waarde van de woning aan het adres [straat 1] B te hoog is vastgesteld. 3.2. Ter zitting bij het Hof heeft de gemachtigde desgevraagd bevestigd dat de WOZ-waarden ter zake van [straat 1] C, D, E, en F niet meer in geschil zijn (vergelijk 2.11 waaruit anders opgemaakt kon worden). 4Overwegingen van de rechtbank De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen: “De WOZ-waarde van [straat 1] B 2. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, oftewel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. 3. In deze zaak gaat het om een omstreeks 1899 gebouwde historische benedenwoning in [Z] -Centrum ( [buurt] ) met een oppervlakte van ongeveer 30 m². Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning. 4. Volgens [X] is de vastgestelde WOZ-waarde van € 275.000,- voor de woning te hoog en zij vindt dat de waarde vastgesteld moet worden op € 175.000,-. Zij baseert dat op de omstandigheid dat het een historische benedenwoning betreft die niet te vergelijken is met de drie historische bovenwoningen ( [straat 2] , [straat 3] en [straat 4] ) waarmee het object in de waardematrix is vergeleken. 5. De rechtbank verwerpt dit betoog. Juist is dat benedenwoningen doorgaans minder goed vergelijkbaar zijn met bovenwoningen, omdat bij benedenwoningen vaak een tuin of andere buitenruimte behoort, vaak ook met een berging in die tuin. In het onderhavige geval echter heeft de benedenwoning geen tuin, buitenruimte of berging en de bovenwoningen waarmee is vergeleken evenmin. Voor het overige zijn de vergelijkingsobjecten, met name wat betreft omvang, onderhoudsniveau en ligging, goed vergelijkbaar. 6. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar met de door hem in geding gebrachte waarderingsmatrix en overige gedingstukken de waarde van de woning voldoende heeft onderbouwd en daarin ook in voldoende mate rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. [X] heeft geen andere gronden tegen de waardevaststelling door de heffingsambtenaar aangevoerd. De heffingsambtenaar heeft daarom aannemelijk gemaakt dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.” 5 5. Beoordeling van het geschil Omvang geschil in hoger beroep 5.1. Belanghebbende heeft in de op 28 augustus en 1 september 2025 ingediende nadere stukken bij het Hof een beroep gedaan op de uitspraak Stichtse Vecht (zie 2.10 en 2.11). Het is voor het eerst in deze procedure dat belanghebbende opmerkingen maakt over rioolheffing of over de opbrengstlimiet waarvan de vermeende overschrijding in geschil kan zijn bij heffingen zoals de rioolheffing (zie 2.4 t/m 2.9). 5.2. Een bezwaarschrift, zoals dat in de onderhavige zaak, waarin blijkens de onderwerpaanduiding wordt opgekomen tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB en dat uitsluitend gronden bevat die op de WOZ-waarde zien, richt zich uitsluitend tegen die WOZ-beschikking en aanslag OZB. Het heeft ook niet van rechtswege betrekking op andere belastingaanslagen die op hetzelfde geschrift vermeld zijn. Een en ander wordt niet anders door in zo een bezwaarschrift onder ‘betreft’ na de vermelding van “WOZ/OZB 2022” de zinsnede “en alle hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen” of iets dergelijks op te nemen. De voor het jaar 2022 opgelegde aanslag rioolheffing eigenaren is immers niet gerelateerd aan de WOZ-waarde (noch aan de aanslag OZB); de heffingsmaatstaf van deze rioolheffing is op grond van de Verordening Rioolheffing 2022 van de gemeente [Z] gesteld op een vast bedrag per perceel. Overigens heeft belanghebbende bij de rechtbank niet geklaagd over het ontbreken van een beslissing van de heffingsambtenaar op het bezwaar inzake de rioolheffing. Het geschil bij de rechtbank beperkte zich dus terecht tot de WOZ-beschikking(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.