Gerechtshof Amsterdam – ECLI:NL:GHAMS:2025:3427
GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 24/3454 en 24/3455 4 december 2025 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, tegen de uitspraak van 15 juli 2024 in de zaak met kenmerken HAA 21/571 en 21/573 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, en de inspecteur.
1Loop van het geding 1.1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 4.437 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.706. Daarbij is een boete van € 4.293 opgelegd.
1.1.2.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.956 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.837. Daarbij is een boete van € 8.453 opgelegd.
1.2.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 4.437 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.413. Daarbij is een boete van € 13.545.
1.2.2.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.956 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.675. Daarbij is een boete van € 17.793 opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de hiervoor vermelde aanslagen, navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen gehandhaafd.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft hierop als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “De rechtbank: verklaart de beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 ongegrond; vernietigt de uitspraken van verweerder inzake de boetebeschikkingen behorend bij de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016; vermindert de bij de aanslag IB/PVV 2015 opgelegde boete tot € 3.434; vermindert de bij de aanslag IB/PVV 2016 opgelegde boete tot € 6.762; verklaart de beroepen betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2016 gegrond; vernietigt de uitspraken van verweerder inzake de boetebeschikkingen behorend bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2016; vernietigt de bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2016 opgelegde vergrijpboeten; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde (delen van de) uitspraken op bezwaar; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750; draagt verweerder op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden tot een bedrag van € 49.”
1.5.
De inspecteur heeft hoger beroep ingesteld.
1.6.
De inspecteur heeft een beroep op beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan voor delen van bijlagen 73 tot en met 76 van zijn hogerberoepschrift. Bij tussenuitspraak van 8 augustus 2025 heeft de zevende enkelvoudige belastingkamer van het Hof, fungerend als geheimhoudingskamer, beslist dat het beroep van de inspecteur op beperkte kennisneming gerechtvaardigd is en het dossier met uitsluitend de geschoonde stukken ter beschikking gesteld van de kamer die de hoofdzaak behandelt.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2025. Namens de inspecteur zijn verschenen mr. [naam 1] en [naam 2] . Belanghebbende is zonder bericht van verhindering niet verschenen, hoewel hij tijdig en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd. De aan belanghebbende per aangetekende post verzonden uitnodiging voor de zitting is volgens gegevens van PostNL op 23 september 2025 om 16:10 uur op het adres van belanghebbende bezorgd en voor de ontvangst is getekend. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten 2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld: “Feiten 1. Eiser is de fiscaal partner van [naam 3] (hierna ook: de echtgenote).
Met betrekking tot vraag 5 heeft u gisteren verklaard dat er contact met de bank is geweest en er 4500 euro betaald is voor het verkrijgen van de bankgegevens.
Ten aanzien van de verklaringen die er gisteren zijn afgelegd ontvang ik graag de volgende bescheiden: (…) -overzicht waaruit blijkt welke bedragen er contant werden aangehouden naar aanleiding van opnames € 198.500 (2013) en € 327.970 (2014) (in totaal ruim € 525.000 dus) Daarnaast wil graag een antwoord op de volgende vraag:
Alle contante opnames t/m 2012 zijn opgegaan voor privé uitgaven.
Het totaal bedrag van deze opnames bedroeg € 65,000,-. saldo Uitgaven verbouwing 2011 € 60.000 € - 60.000 31-12-2011 Uitgaven verbouwing 2012 € 60.000 € -120.000 31-12-2012 Opname bank 2013 € 198.500 Terug betaald lening verbouwing € -120.000 € 78.500 31-12-2013 Opname bank 2014 € 253.000 € 331.500 31-12-2014 2 horloges gekocht € 74785,- € 331.500 31-12-2015 Verkocht september 2016 2 horloges € 72.000 € 403.500 30-9-2016 Contant geld nog in bezit 30-9-2016 € 300.000 Opgemaakt van af 2013 t/m heden € 103.500 Deze opnames moeten verdeeld worden over deze jaren.
Geld is ook deels geschonken aan de kinderen en kleinkinderen.”
Motivering boete De reden waarom een vergrijpboete wordt opgelegd wordt hierna door mij nader gemotiveerd. Het is algemeen bekend dat (al dan niet in het buitenland aangehouden en/of opgekomen) inkomens-en/of vermogensbestanddelen in de belastingaangiften moeten worden opgenomen; de vraagstelling hieromtrent is in de belastingaangifte voldoende duidelijk. Desondanks hebt u de (buitenlandse) inkomens- en/of vermogensbestanddelen niet in de aangiften verantwoord. Ik ben van mening dat u voor deze belastingjaren (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.”
Contante opnames Datum minus kosten Opnamen [bank 1] 5 september 2013 € 29.000 9 september 2013 € 20.000 10 september 2013 € 19.500 30 september 2013 € 60.000 30 september 2013 € 70.000 Totaal 2013 € 198.500 13 maart 2014 € 70.000 13 mei 2014 € 100.000 2 juni 2014 € 30.000 15 september 2014 € 53.185 17 september 2014 € 74.785 Totaal 2014 € 327.970 Opnamen [bank 2] 29 juli 2013 € 19.000 5 september 2013 € 29.000 9 september 2013 € 19.500 2 december 2013 € 80.000 17 maart 2014 € 80.000 3 juni 2014 € 80.000 19 september 2014 € 75.620 Totaal [naam 5] € 383.120 9 september 2013 € 9.000 2 december 2013 € 20.000 2 juni 2014 € 95.000 3 juni 2014 € 65.000 8 december 2014 € 3.000 18 december 2014 € 24.198 Totaal ' [naam 6] € 216.198 Totaalopnamen € 1.125.788 Uitgaven Verbouwingen akkoord € 197.886 Saldo ultimo 2014 € 927.902 […]”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.
3Geschil in hoger beroep 3.1.
In hoger beroep zijn (enkel nog) in geschil de vergrijpboeten die zijn opgelegd bij de navorderingsaanslagen ib/pvv 2015 en 2016.
3.2.
De inspecteur stelt in hoger beroep dat deze vergrijpboeten ten onrechte door de rechtbank zijn vernietigd. Hij stelt zich nader op het standpunt dat dat deze vergrijpboeten dienen te worden verminderd en € 7.401 respectievelijk € 7.471 dienen te bedragen. Dit is 225% (€ 9.252 respectievelijk € 9.339) van de respectieve bedragen van de nagevorderde belasting (€ 4.112 respectievelijk € 4.151) verminderd met 20% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn (zie onderdeel 31 van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak van dit Hof van 16 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297, r.o. 5.10).
3.3.
Belanghebbende stelt, zo begrijpt het Hof, in hoger beroep dat deze vergrijpboeten terecht door de rechtbank zijn vernietigd.
4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft in haar uitspraak, voor zover thans in hoger beroep nog van belang, het volgende overwogen: “Vergrijpboeten bij de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 22. Verweerder heeft op 21 februari 2020 – gelijktijdig met het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2015 en IB/PVV 2016 – op grond van artikel 67d Awr vergrijpboeten van 225% opgelegd. Verweerder neemt het standpunt in dat er bij eiser sprake was van (voorwaardelijke) opzet.
Gelet op de vragen die aan eiser zijn gesteld door verweerder in de brieven met verzoeken om informatie en mede gelet op het traject waarin eiser zich bevond rondom de aangehouden bankrekening bij [bank 1] en ook de duidelijke vraagstelling in de aangiftebiljetten, acht de rechtbank het buiten redelijke twijfel dat eiser ten tijde van het doen van de aangiften voor 2015 en 2016 wist dat de door hem aangehouden contanten afkomstig van de [land] bankrekeningen in deze aangiften moesten worden opgenomen. Hetzelfde heeft te gelden voor eventuele vorderingen van eiser op derden voor zover eiser de opgenomen gelden zou hebben uitgeleend, zoals hij heeft gesteld. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat eiser de belastingconsulent die de aangiften 2015 en 2016 heeft ingediend (volgens partijen niet [naam 4] , maar iemand anders) niet op de hoogte heeft gesteld van de door hem aangehouden contanten dan wel vorderingen.
Daarmee heeft eiser bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn aangiften IB/PVV 2015 en 2016 niet juist zouden worden ingediend. Dat partijen niet (meer) weten wie de aangifte heeft ingediend, doet daar niet aan af. Ook de stelling dat eiser volledig vertrouwde op zijn gemachtigde, wat daar ook verder van zij, neemt niet weg dat het eiser kan worden verweten dat hij bewust niet alle benodigde gegevens voor het doen van de juiste aangiften aan degene die de aangifte deed heeft doorgegeven.
Vergrijpboeten bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2016 32. Op grond van artikel 67e Awr in samenhang met de paragraaf 27 BBBB kan verweerder een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete als het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat de aangifte tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Op de voet van artikel 67d, vijfde lid, Awr wordt het maximum bedrag van de boete verhoogd van 100% tot 300%, indien de aanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
Het navorderingsaanslagbiljet voor het jaar 2016 bevat een vergelijkbare vermelding.
Slotsom 38. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 ongegrond te worden verklaard en dienen de beroepen betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV 2015 en 2016 gegrond te worden verklaard.
Proceskosten 39. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten voor de beroepsprocedure. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1 en een factor 1 vanwege 2 samenhangende zaken). Ook dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 49 te vergoeden.”
5Beoordeling van het geschil 5.1.
In haar uitspraak acht de rechtbank de vereiste opzet voor de vergrijpboeten die aan belanghebbende tezamen met de primitieve aanslagen zijn opgelegd op basis van artikel 67d AWR bewezen (overtuigend aangetoond). Dit geldt volgens de rechtbank niet voor de vereiste opzet voor de vergrijpboeten die zijn opgelegd tezamen met de navorderingsaanslagen op basis van artikel 67e AWR (hierna ook: navorderingsboeten). In hoger beroep gaat het om de vraag of dit oordeel van de rechtbank over de navorderingsboeten juist is.
5.2.
Aan de onderscheiden boeten (artikelen 67d en 67e AWR) liggen in essentie hetzelfde feitencomplex en hetzelfde verwijt ten grondslag: het door belanghebbende (en zijn echtgenote) verhullen van vermogensbestanddelen (buitenlandse bankrekeningen, contanten en/of vorderingen) door deze opzettelijk in zijn (en haar) belastingaangifte niet aan te geven (althans degene die die aangifte voor hen doet opzettelijk niet op de hoogte te stellen van die bankrekeningen, contanten en/of vorderingen) waardoor de belastingaanslag te laag is vastgesteld.
5.3.
In de parlementaire geschiedenis van artikel 67e AWR is onder andere het volgende opgemerkt (zie Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 470, nr. 3, p. 45-46): “Er zijn enkele verschillen tussen de reikwijdte van de boete bij de definitieve-aanslagregeling en de navorderingsboete. De boete bij de definitieve-aanslagregeling is geheel gekoppeld aan de aangifte die behoort te worden gedaan. Navordering, en bijgevolg de boete bij navordering, is niet alleen aan de orde indien een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Ook anderszins kan te weinig belasting zijn geheven. Dat wil zeggen dat andere gedragingen dan vergrijpen tegen de aangifteplicht ten gevolge hebben gehad dat de schatkist in eerste instantie tekort is gedaan. (…) Wij geven enkele voorbeelden. Het ten onrechte achterwege blijven van een aanslag kan onder omstandigheden berusten op een onjuiste of onvolledige aangifte, doch ook op de omstandigheid dat iemand, hoewel daartoe verplicht, niet om de uitreiking van een aangiftebiljet heeft verzocht en daardoor geen aangiftebiljet uitgereikt heeft gekregen. Indien de termijn van 3 jaren voor het opleggen van een definitieve aanslag is verstreken, zal herstel moeten geschieden door middel van navordering. (…) De boete-oplegging ingevolge artikel 67e kent in een aantal gevallen een beperking die de boete bij de definitieve-aanslagregeling niet kent, aangezien eerstbedoelde boete is gekoppeld aan de bevoegdheid tot navordering.”
5.4.
Het Hof leidt uit deze citaten af dat de wetgever beoogt met de delictsomschrijving van artikel 67e AWR – naast het niet doen van een aangifte – ook het doen van een opzettelijk onjuiste aangifte (vgl. artikel 67d AWR) waardoor de aanslag te laag is te omvatten. De enige beperking in de boete die opgelegd kan worden op grond van artikel 67e AWR ten opzichte van die op grond van artikel 67d AWR, is dat de navorderingsboete (ex artikel 67e AWR) gekoppeld moet zijn aan een geldige reden om de belasting na te vorderen.
5.5.
Ten aanzien van de navorderingsboeten is vereist dat de inspecteur overtuigend aantoont dat het aan belanghebbendes opzet is te wijten dat de aanslagen ib/pvv 2015 en 2016 tot een te laag bedrag zijn vastgesteld.
5.6.
Het Hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat belanghebbende de aangiften ib/pvv 2015 en 2016 opzettelijk onjuist (te laag) heeft gedaan, althans dat de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat belanghebbende opzettelijk de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangiften onjuist zouden worden ingediend, door aan degene die deze namens hem indiende de informatie over de door hem aangehouden contanten en vorderingen te onthouden (zie onderdeel 26 van de uitspraak van de rechtbank). Ook onderdelen 32 tot en met 36 van de uitspraak van de rechtbank volgt het Hof.
5.7.
Naar het oordeel van het Hof staat eveneens buiten redelijke twijfel vast dat de opzet van belanghebbende bij het doen van de onjuiste aangiften (althans bij het onthouden van de informatie zoals in 5.6 bedoeld) erop gericht was dat de aanslagen tot een te laag bedrag vastgesteld zouden worden. Het Hof overweegt voorts dat, na het schriftelijk verzoek van belanghebbende en zijn echtgenote van 20 juli 2020 om het gehele vermogen toe te rekenen aan belanghebbende (zie onderdeel 12 van de uitspraak van de rechtbank), de aan belanghebbende opgelegde primitieve aanslagen voor 2015 en 2016 inderdaad tot een te laag bedrag vastgesteld waren. Met het voorgaande is naar ’s Hofs oordeel voldaan aan de delictsomschrijving van artikel 67e AWR, zodat de vergrijpboetes op basis van dat artikel terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Dat (een deel van) het door belanghebbende niet aangegeven vermogen in eerste instantie in de aanslagen van zijn echtgenote was begrepen neemt belanghebbendes opzet op de te lage aanslagen niet weg. Zijn aangiften waren immers – net als die van de echtgenote – onjuist omdat de aangehouden vorderingen en contanten opzettelijk niet bij de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen waren opgenomen.
Daarbij merkt het Hof op dat dit een evident andere situatie is dan die waarbij twee fiscale partners aanvankelijk nu juist wel de volledige gezamenlijke grondslag sparen en beleggen hebben aangegeven en waarbij, na ontvangst van de primitieve aanslagen, een keuze als bedoeld in artikel 2.17, lid 4 Wet IB 2001 wordt gedaan. Aan de fiscale partner die daarbij een groter gedeelte van de grondslag krijgt toebedeeld dient daarop een navorderingsaanslag te worden opgelegd, maar zonder navorderingsboete omdat de gehele grondslag door de partners gezamenlijk reeds was aangegeven. Het gaat er in de onderhavige zaak (voor de toepassing van artikel 67e AWR) echter om dat de aanslagen van belanghebbende tot een te laag bedrag waren vastgesteld en dat het opzet van belanghebbende daarop was gericht, en dat dat zo was is bij belanghebbende buiten redelijke twijfel vast komen te staan.
5.8.
Het Hof voegt hier nog aan toe dat een andere uitkomst niet strookt met de reden van beboeting (zie de beschrijving van het verwijt in 5.2). Deze andere uitkomst zou er immers toe kunnen leiden dat belastingplichtige partners die gezamenlijk belastbaar inkomen uit sparen en beleggen niet hebben aangegeven na de boeteoplegging naar willekeur de toedeling van de grondslag van die boete kunnen wijzigen (via een keuze tot wijziging van de onderlinge verhouding van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen op de voet van artikel 2.17, lid 4 Wet IB 2001) en daarmee de volledige boete van één van hen kunnen ontlopen, zonder risico op een corresponderende beboeting van de ander. Dit terwijl deze nieuwe toedeling geen enkele wijziging brengt in de verwijtbaarheid van ieders gedragingen noch in de belastingontduiking waartoe deze strekte.
5.9.
Het Hof zal de navorderingsboeten conform het nader standpunt (zie 3.2) van de inspecteur verlagen. Voorts acht het Hof acht de boeten van 225% onder de gegeven omstandigheden passend en geboden. Noch het tijdsverloop na het instellen van hoger beroep, noch de totale behandelingsduur van de zaak tot de uitspraak van het Hof geven aanleiding tot verdere vermindering van de boete.
Slotsom 5.10.
De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd voor zover het betreft de navorderingsboeten opgelegd bij de navorderingsaanslagen ib/pvv 2015 en 2016. De navorderingsboeten dienen verminderd te worden tot de bedragen zoals vermeld in 3.2.
6Kosten Voor een kostenveroordeling is geen aanleiding.
7Beslissing Het Hof:
De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, M.J. Leijdekker en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 4 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: