GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/224 4 december 2025 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Y] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels) tegen de uitspraak van 23 januari 2024 in de zaak met kenmerk AMS 23/1623 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [Y] , de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
- De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 maart 2022 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat] te [Y] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2021 naar waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 619.
- In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 bekendgemaakt. 1.
- Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 3 februari 2023, ongegrond verklaard. 1.
- Belanghebbende heeft bij brief van 14 maart 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 23 januari 2024 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 1.
- Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 29 januari
- De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.
- Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ontvangen door het Hof op 28 augustus 2025, 1 september 2025 en 16 september
- 1.
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september
- Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten De onroerende zaak betreft een omstreeks 1883 gebouwd object in [Y] , welk object in gebruik is als winkel. 3Geschil in hoger beroep In hoger beroep is, net als in beroep, in geschil of de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. 4Overwegingen van de rechtbank De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen en beslist: “De WOZ-waarde
- In deze zaak gaat het om een omstreeks 1883 gebouwd object in [Y] ( [Y] ) dat in gebruik is als winkel. Het object heeft een oppervlakte van 78 m².
- In geschil is of de WOZ-waarde van dit object te hoog is vastgesteld, zoals [X] stelt. Hij staat een waarde voor van € 569.000,-.
- Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, oftewel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.
- De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft de waarde van het object vastgesteld door middel van de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij de jaarhuur wordt vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor. Hij is daarbij uitgegaan van een bruto huurwaarde van € 48.360,- per jaar (huurwaarde voor de oppervlakte van het object: € 620,-/m²). De heffingsambtenaar heeft om de huurwaarde van dit object te onderbouwen een vergelijking gemaakt met gerealiseerde huurprijzen uit de markt van soortgelijke winkels in [Y] rondom de waardepeildatum. Voor de kapitalisatiefactor is de heffingsambtenaar op basis van drie verkopen van vergelijkbare winkels uitgegaan van 12,8, terwijl die verkopen een gemiddelde kapitalisatiefactor hebben van 16,
- De heffingsambtenaar heeft de kapitalisatiefactor bepaald door verkoopcijfers van vergelijkbare objecten te delen door getaxeerde huurwaarden.
- De rechtbank is met de heffingsambtenaar van oordeel dat de in de matrix opgevoerde huur- en verkoopobjecten vergelijkbaar zijn met het object van [X] , omdat deze winkels van vergelijkbare omvang en ouderdom zijn en in de nabijheid van het object zijn gelegen.
- [X] voert aan dat de wijze waarop de heffingsambtenaar in de matrix bij de vergelijkende huurobjecten rekening heeft gehouden met de bij die huurovereenkomsten verkregen incentives op de overeengekomen huurprijs onjuist is. Volgens [X] moet bij de huurkorting van 2 maanden (huur 1), 1 maand (huur 2) respectievelijk € 11.000,- (huur 3) niet verspreid worden over de volledige looptijd van de huurovereenkomst, maar gelden die huurkortingen uitsluitend voor het jaar waarin deze daadwerkelijk zijn verstrekt. Een huurovereenkomst kan immers tussentijds worden opgezegd en dan is de incentive reeds ten volle genoten.
- Op zichzelf is juist dat een toegekende incentive moet worden toegerekend aan de werkelijke periode waarvoor deze is verstrekt en dat deze niet moet worden uitgesmeerd over de totale huurperiode die is overeengekomen.[noot 1: Hof Arnhem-Leeuwarden 09-07-2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5127] Dit betekent voor de jaarhuur minus incentive: Huur 1: € 66.000,- minus € 11.000,- = € 55.000,-. Gem m² (: 82 =) ca. € 671,- Huur 2: € 55.000,- minus € 4.583,- = € 50.417,-, Gem m² (: 110 =) ca. € 458,- Huur 3: € 39.000,- minus € 1.100,- = € 28.000,- Gem m² (: 59 =) ca. € 475,- Indien bij elk van de referentieverhuren aangenomen wordt dat de volledige incentive in het eerste jaar van de huurovereenkomst werd genoten, dan is dus de gemiddelde huurprijs van deze referenties ca. € 535,- in plaats van de door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen huurprijs van € 620,-.
- Ten aanzien van de kapitalisatiefactor heeft [X] aangevoerd dat de vergelijkingsobjecten verkoop 1, 2 en 3 in leegstaat zijn verkocht en dat dat een indicatie is dat deze objecten verkocht zijn als woning, en niet als kantoor. [X] heeft dit vermoeden, dat door de heffingsambtenaar gemotiveerd wordt betwist, niet onderbouwd, zodat de rechtbank deze stelling verwerpt. Nu de berekening van de kapitalisatiefactor voor het overige niet is betwist, betekent dit dat de gemiddelde kapitalisatiefactor voor deze drie verkopen van 16,7 in voldoende mate is onderbouwd.
- De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de door hem voorgestane waarde van de onroerende zaak op overtuigende wijze heeft onderbouwd met behulp van de overgelegde matrix. Weliswaar moet de in aanmerking genomen huurwaarde naar beneden worden bijgesteld naar € 535,-/m² (dus vermenigvuldigd met de oppervlakte van 78 m² leidt dit tot een jaarhuur van € 41.730,-), maar bij een gemiddelde kapitalisatiefactor van 16,7 betekent dit een waarde voor het gehele object van ten hoogste € 696.891,-. De heffingsambtenaar heeft de waarde van het object met € 619.000,- dus niet te hoog vastgesteld.
- Het beroep tegen de bestreden uitspraak op bezwaar is ongegrond. Immateriële schadevergoeding
- [X] heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet.
- Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In dit geval is het bezwaarschrift ingediend op 13 april
- Bij het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar nog niet overschreden. Daarom heeft [X] geen recht op een vergoeding.” 5
- Beoordeling van het geschil Omvang geschil in hoger beroep 5.
- In de op 28 augustus en 1 september 2025 door het Hof ontvangen nadere stukken, maakt belanghebbende voor het eerst in deze procedure opmerkingen over de opbrengstlimiet waarvan de vermeende overschrijding in geschil kan zijn bij bepaalde gemeentelijke heffingen. Op het aanslagbiljet is evenwel geen heffing vermeld waarop de opbrengstlimiet van toepassing kan zijn. Daarop gewezen door de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof, heeft belanghebbende deze beroepsgrond ingetrokken. Wijze van procederen 5.
- De wijze waarop belanghebbendes gemachtigde procedeert is in strijd met hetgeen van een beroepsmatig optredende rechtshulpverlener mag worden verwacht. Van deze gemachtigde die zeer veel procedeert mag worden verwacht en verlangd, dat hij in de van hem afkomstige stukken duidelijk en tijdig aangeeft wat zijn grieven zijn tegen de aangevallen beslissing en op welke feiten die grieven zijn gebaseerd. De door de gemachtigde ingezonden stukken voldoen niet aan die norm. Wat steeds weer opvalt is dat de gemachtigde de wederpartij in alle fasen van het geding overlaadt met niet ter zake doende stellingen en standpunten; daartussen bevinden zich dan soms – meest niet onderbouwde – opmerkingen die echter wel betrekking kunnen hebben op het geding. Eerst ter zitting worden aan die opmerkingen door de gemachtigde argumenten ontleend waarmee hij zijn stellingen onderbouwt. Daardoor ontneemt hij de wederpartij de mogelijkheid om tegen die argumenten op gedegen wijze verweer te voeren. De gemachtigde is hier al in eerdere procedures uitdrukkelijk op gewezen en hij heeft ter zitting van het Hof verklaard zich daarvan bewust te zijn. Het Hof heeft echter moeten constateren dat de gemachtigde zich daarvan niets heeft aangetrokken en zijn wijze van procederen op oude voet continueert. Het Hof acht deze wijze van procederen in strijd met de goede procesorde en verbindt hieraan als consequentie dat hij bij zijn oordeelsvorming slechts ingaat op de argumenten van gemachtigde, voor zover zij tijdig en duidelijk in gedingstukken naar voren zijn gebracht. 5.
- Ook in deze zaak heeft de gemachtigde zich bediend van algemene, onsamenhangende en/of inconsistente tekstblokken; zo is in het hogerberoepschrift gesteld “taxatieverslagen (ook wel genaamd gemeentelijke taxatiekaarten) zijn verder nimmer tijdig én compleet overgelegd”, en “dat de verschillende heffingsgrondslagen op zich genomen niet alleen incorrect zijn vastgesteld, doch evenmin toegepast”. Pas in de “eerste verbijzonderingsbrief”, bij het Hof ingekomen op 1 september 2025, zijn enkele (in algemene bewoordingen gestelde) passages opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op de voorliggende zaak. Voorts zijn ter zitting enkele nieuwe argumenten genoemd die min of meer ontleend zijn aan deze passages. De heffingsambtenaar heeft daarover terecht zijn bedenkingen geuit en de goede procesorde ter sprake gebracht. Het Hof ziet in deze zaak evenwel geen aanleiding om een of meer stellingen van belanghebbende tardief te verkIaren aangezien de heffingsambtenaar voldoende gelegenheid heeft gehad om op deze (in algemene bewoordingen geformuleerde) stellingen te reageren en het Hof er rekening mee houdt dat geen diepgaande reactie verwacht kan worden op argumenten die (zonder reden) eerst ter zitting worden aangedragen. Wel heeft het Hof tijdens deze zitting van 17 september 2025 de gemachtigde gewaarschuwd dat hij het risico loopt dat vage stellingen niet als grond herkend worden en dat zeer laat ingenomen specifieke standpunten waardoor de wederpartij in zijn procesbelang wordt geschaad, door het Hof tardief kunnen worden verklaard. De WOZ-waarde 5.
- Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank over de WOZ-waarde en maakt de gronden waarop deze beslissing berust (rechtsoverweging 4 tot en met 6 en 9 en 10 – met uitzondering van de huurwaarde van € 535 per m2 zoals in ro. 8 berekend) tot de zijne. Terzake van de huurkortingen en hetgeen partijen in hoger beroep nog hebben aangevoerd, overweegt het Hof als volgt. 5.
- Belanghebbende stelt evenals in eerste aanleg, dat de transactiedata te ver verwijderd zijn van de waardepeildatum. Het Hof is met belanghebbende eens dat van de in de matrix opgenomen verkooptransactie van 29 maart 2019, terecht gesteld zou kunnen worden dat deze te ver is verwijderd van de waardepeildatum. Indien deze verkooptransactie echter buiten beschouwing wordt gelaten leidt dat niet tot een lagere maar hogere gemiddelde kapitalisatiefactor. Alle andere in de matrix opgeomen vergelijkingsobjecten met transactiedata acht het Hof aanvaardbaar. Weliswaar is er een verhuurtransactie met als datum 1 september 2019, maar dit betreft de aanvangsdatum van een 10-jarig huurcontract zodat er geen bezwaar is om de in dat contract overeengekomen huurprijs in de vergelijking mee te nemen. Overigens heeft belanghebbende zelf geen verkoop- of huurtransacties aangedragen. 5.
- Belanghebbende heeft er voorts – niet geconcretiseerd – op gewezen dat van de in de matrix opgenomen huurtransacties de daarbij vermelde secundaire ruimten niet zouden bestaan. Het Hof overweegt dat ook indien deze ruimten zouden worden weggelaten, dit geen invloed heeft op de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde, aangezien de waarde die aan de secundaire ruimten van de vergelijkingsobjecten is toegekend, op geen enkele wijze in de waardebepaling van de onroerende zaak is meegenomen. 5.
- Belanghebbende heeft gesteld dat de heffingsambtenaar de huurkortingen ten onrechte heeft uitgesmeerd over de looptijd van de huurcontracten; volgens belanghebbende moeten die kortingen in mindering worden gebracht in het jaar waarin deze worden verleend. Het Hof overweegt dat uit het tot de gedingstukken behorende ‘Formulier leegstand en huurinformatie Niet-woningen’ kan worden opgemaakt dat voor huurtransactie 1 een korting is verleend van 2 maanden huur. Indien deze korting zou worden verleend in het eerste contractjaar, dan is die korting niet van invloed op de voor de vergelijking in aanmerking genomen huursom aangezien het contract is aangevangen op 1 september 2019; de huursom blijft mitsdien € 66.000 op de waardepeildatum. Voor huurtransactie 2 geldt een huurkorting van 1 maand. Zou deze korting in het eerste jaar in aanmerking worden genomen dan leidt dat tot verlaging van de jaarlijkse huursom tot € 50.
- Voor huurtransactie 3 geldt een huurkorting van 1 maand (in totaal € 11.000) die wordt verleend tot 31 augustus 2022; dit betekent een verlaging van de jaarlijkse huursom tot € 35.
- Uitgaande van deze huursommen met huurkortingen, zou de gemiddelde maandhuur (naar beneden afgerond) uitkomen op €
- Dat is weliswaar lager dan de door de heffingsambtenaar bepaalde gemiddelde maandhuur van € 721, maar nog altijd veel hoger dan de berekende huur voor de onroerende zaak van €
- Het op andere wijze in aanmerking nemen van de huurkortingen zoals belanghebbende voorstaat, leidt zelfs als het Hof veronderstellenderwijs er vanuit zou gaan dat deze methode juist is, derhalve niet tot een verlaging van de gemiddelde huurwaarde. 5.
- Belanghebbende vraagt hoe de waarde ‘Bottom-Up’ is opgebouwd; welk leegstandsrisico is gehanteerd, en hoe de berekening kosten koper en het gebruikte opslagrisico luidt. Belanghebbende stelt dat onvoldoende inzicht is gegeven in de wijze waarop de kapitalisatiefactor van 12,8 is vastgesteld. Ten aanzien van deze grieven overweegt het Hof dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde heeft bepaald op grond van de huurwaardekapitalisatiemethode waarvan de verschillende elementen zijn vastgesteld door middel van marktgegevens. Er is geen verplichting voor de heffingsambtenaar om in plaats daarvan of daarnaast de waarde nog te bepalen aan de hand van een theoretische ‘Bottom-Up’ methode. In de matrix valt de lezen op welke wijze de heffingsambtenaar de kapitalisatiefactor aan de hand van marktgegevens heeft bepaald op een gemiddelde van 16,
- Hij heeft daar, rekening houdend met verschillen tussen het te waarderen object en de vergelijkingsobjecten nog een afslag op toegepast. 5.
- Voorts betwist belanghebbende – niet geconcretiseerd – de grondprijs en de waardering van de bijgebouwen van de vergelijkingspanden. Ook de grondstaffels zijn niet ingebracht door de heffingsambtenaar en belanghebbende mist informatie over vergelijkbare grondtransacties. Het Hof volgt belanghebbende niet in deze grieven, aangezien er geen sprake is van afzonderlijke bijgebouwen en er geen sprake is van afzonderlijk gewaardeerde grond (de waarde van de ondergrond komt tot uitdrukking in de huurwaarde); hierdoor is het niet nodig voor de heffingsambtenaar om grondstaffels in te brengen. 5.
- Belanghebbende stelt dat door de heffingsambtenaar ten onrechte niet de i-WOZ rapportage is ingebracht. De daarin vermelde gebruiksoppervlakten kloppen op meerdere punten volgens belanghebbende niet met de BAG-oppervlakten. In dat verband stelt belanghebbende dat is uitgegaan van een te veel aan vierkante meters; de onroerende zaak is door hem – binnenin – op 68 m2 ingemeten. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn meting van de verhuurbare netto gebruiksoppervlakte. Zoals de heffingsambtenaar terecht heeft opgemerkt geldt volgens de hier toe te passen NEN 2580-norm, dat de bruto verhuurbare oppervlakte moet worden vastgesteld, waarbij de oppervlakten van muren en nissen ook in aanmerking worden genomen; de heffingsambtenaar heeft deze methode op consistente wijze, ook bij de vergelijkingsobjecten, toegepast. Het door belanghebbende gehanteerde uitgangspunt bij de meting wordt daarom verworpen. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de heffingsambtenaar de objectkenmerken waaronder de vloeroppervlakte opnieuw getoetst. Die toetst heeft niet geleid tot bijstelling van de objectkenmerken, en het Hof heeft geen reden hieraan te twijfelen. Overigens zou ook bij een oppervlakte waarvan belanghebbende uitgaat, de waarde niet te hoog zijn vastgesteld gegegeven de verschillen tussen de in aanmerking genomen huurwaarde en kapitalisatiefactor en die van de vergelijkingsobjecten. Voorts overweegt het Hof dat de iWOZ-rapportage, zoals ook de heffingsambtenaar heeft aangegeven, geen op de zaak betrekking hebbend stuk is, zodat er geen verplichting is voor de heffignsambtenaar om deze rapportage in te brengen. 5.
- Volgens belanghebbende is ten onrechte geen rekening gehouden met de gevolgen van de ‘Covid19/Coronacrisis’ en met de oorlog in Europa. Het Hof overweegt dat er geen reden is om op de bepaalde waarde nog een afslag toe te passen wegens de door belanghebbende vermelde crises; belanghebbende heeft met al hetgeen hij heeft gesteld niet aanmnemelijk gemaakt in welke mate de crisis heeft geleid tot een waardeverminderde factor. 5.
- Ook met inachtneming van hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd tegen de vastgestelde WOZ-waarde, is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar de verplichtingen ingevolge artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet is nagekomen, wordt verworpen, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende een voldoende concreet verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. Weliswaar heeft belanghebbende herhaaldelijk verzocht om toezending van taxatieverslagen (ook over de afgelopen 5 jaar), maar op de vraag van de heffingsambtenaar welke taxatieverslagen concreet bedoeld worden, heeft belanghebbende niet gereageerd. Uit de stukken kan worden opgemaakt dat een taxatieverslag voor het onderhavige jaar betreffende de onroerende zaak, door de heffingsambtenaar aan belanghebbende is overgelegd in de bezwaarfase. 5.
- Belanghebbendes verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen, aangezien er op het moment van het doen van deze uitspraak, geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Slotsom 5.
- Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. 6Kosten Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet. 7Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, H.E. Kostense en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 4 december 2025 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.