GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/3510 18 december 2025 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Y] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach) tegen de uitspraak van 16 september 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/6386 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] , de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
- De heffingsambtenaar heeft op 11 maart 2023 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van € 69,40 en € 3,45 aan kosten. 1.
- Op 11 maart 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. 1.
- Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank door middel van een beroepschrift met dagtekening 16 oktober
- De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.
- Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.
- Desgevraagd hebben beide partijen kenbaar gemaakt geen zitting te wensen. Het onderzoek is op 16 december 2025 gesloten. 2Feiten 2.
- De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (de heffingsambtenaar wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘verweerder’): “
- Verweerder heeft de naheffingsaanslag herroepen na te hebben vastgesteld dat geen sprake was van parkeren waarvoor parkeerbelasting was verschuldigd.” 2.
- Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten en vult deze als volgt aan. 2.
- De heffingsambtenaar heeft in zijn uitspraak op bezwaar een vergoeding van de kosten toegekend ter hoogte van €
- Bij de berekening hiervan heeft de heffingsambtenaar een wegingsfactor van 0,25 toegepast en een puntwaarde van €
- 2.
- Op 2 september 2024 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden bij de rechtbank. 3Geschil in hoger beroep In hoger beroep is in geschil de hoogte van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’): “
- Ter zake van de vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase zijn de volgende wettelijke regelingen van toepassing: Artikel 7:15, tweede, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luiden als volgt:
- De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
- Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.
- Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Artikel
- aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) luidt als volgt: Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:~5 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:
- tweede lid. of 7:
- tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op: a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Artikel
- aanhef en onder a. van het Besluit luidt als volgt: Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld: a. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel
- onderdeel a: overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief. Ingevolge de in artikel 2 van het Besluit genoemde bijlage (de Bijlage) wordt met bedrag van de kosten, bedoeld in artikel I, onderdeel a. van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig onderstaande lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C). Met betrekking tot de wegingsfactor is in de Bijlage onder C het volgende opgenomen: C.1 Gewicht van de zaak: gewicht factor zeer licht 0,25 licht 0,5 gemiddeld 1 zwaar 1,5 zeer zwaar 2
- Het geschil beperkt zich tot de vraag of verweerder de zwaarte van de zaak in het onderhavige geval terecht heeft aangemerkt als zeer licht.
- Verweerder heeft in zijn verweerschrift verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:
- Daarbij heeft de Hoge Raad onder meer de volgende overweging van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:2801) bevestigd: Het Hof onderschrijft hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverwegingen 6 tot en met 10 van haar uitspraak en maakt deze tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof als volgt. Het Hof stelt voorop dat het de beslissing van de rechtbank en de heffingsambtenaar inzake de (proces)kostenveroordeling niet marginaal, maar volledig toetst. Dit laat onverlet dat de vaststelling van de factor zaakzwaarte sterk met een waardering van feitelijke aard is verweven en dat naar 's Hofs oordeel niet gezegd kan worden dat het bestuursorgaan of de rechtbank in dit geval een onjuiste afweging heeft gemaakt. Het Hof ziet, ook in het licht van hetgeen door belanghebbende in hoger beroep is aangevoerd, onvoldoende reden om tot een andere afweging te komen.
- De grieven van eiser in onderhavige zaak leiden niet tot een ander oordeel. De in overweging 5 genoemde handelingen [Hof: het opstellen en indienen van het bezwaarschrift, de bestudering van de stukken en de deelname aan een telefonische hoorzitting] betreffen handelingen die van een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent mogen worden verwacht bij als zeer licht aan te merken geschillen. Eisers verwijzing naar de richtlijnen die door de gerechtshoven worden gehanteerd berust op de onjuiste veronderstelling dat deze richtlijnen verweerder dan wel de rechtbank binden (vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:703).
- Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” 5Beoordeling van het geschil in hoger beroep Wegingsfactor in bezwaar 5.
- Belanghebbende heeft, evenals bij de rechtbank, het standpunt ingenomen dat de door de heffingsambtenaar toegepaste wegingsfactor van 0,25 te laag is. Het Hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank in dezen (ro.11). De rechtbank is in rechtsoverweging 8 van de uitspraak uitgegaan van een juist toetsingskader. Daaraan voegt het Hof toe dat bij de hoogte van de wegingsfactor van belang kan zijn welke gronden ten grondslag hebben gelegen aan de vernietiging van de naheffingsaanslag (zie HR, 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:862, ro. 3.4). In dit geval betreft die grond een niet geparkeerd staan van de auto en derhalve een niet belastingplichtig zijn, hetgeen de gemachtigde van belanghebbende eenvoudigweg aannemelijk heeft gemaakt door het indienen van een enkele foto van de situatie ter plaatse, dit naast het indienen van zijn standaardbezwaarschrift en het herhalen van belanghebbendes verklaring. Deze zeer beperkte werkzaamheden maken dat de heffingsambtenaar heeft mogen concluderen tot toepassing van een wegingsfactor van 0,
- Puntwaarde in bezwaar 5.
- Belanghebbende heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, betoogd dat de heffingsambtenaar een te lage vergoeding heeft toegekend voor de kosten van de bezwaarfase. De Hoge Raad heeft in het genoemde arrest geoordeeld dat bij toekenning van een vergoeding van proceskosten, punt 1 van onderdeel B2 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing moet blijven. Als gevolg daarvan moet een vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase worden berekend op basis van het in punt 2 van dat onderdeel vermelde bedrag (2025: € 647). Het hoger beroep slaagt in zoverre. Het Hof kent voor de bezwaarfase een kostenvergoeding toe als vermeld in onderdeel 6 van deze uitspraak. Daarbij kent het Hof een extra punt toe voor horen in bezwaar, welke proceshandeling ten onrechte niet is meegeteld. Slotsom 5.
- Op grond van hetgeen onder 5.2 is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. 6Kosten Het Hof vindt aanleiding voor een volgende veroordeling in de (proces)kosten: Bezwaar: 2 [bezwaarschrift en horen] x € 647 x 0,25 = € 324 Beroep: 2 [beroepschrift en zitting] x 907 x 0,25 = € 454 Hoger beroep: 1 [beroepschrift] x € 907 x 0,25 = € 227 Omdat het (hoger) beroep gegrond is naar aanleiding van formele punten van ondergeschikt belang is een wegingsfactor van 0,25 op zijn plaats. Dit komt dan in totaal neer op €
- 7Beslissing Het Hof: - vernietigt de uitspraak van de rechtbank; - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de kostenvergoeding in bezwaar; - veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1005, en indien dit bedrag niet tijdig wordt vergoed te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de datum van deze uitspraak; - draagt de heffingsambtenaar op het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186 aan belanghebbende te vergoeden, en indien dit bedrag niet tijdig wordt vergoed te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de datum van deze uitspraak. De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, als voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en E.A.M. Huiskers-Stoop, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 18 december 2025 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: