GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 25/4 18 december 2025 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach) tegen de uitspraak van 11 november 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/6753 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de invorderingsambtenaar van de gemeente [Y], de invorderingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
- De heffingsambtenaar heeft op 14 april 2023 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting ad € 70 (€ 66,50 parkeerbelasting en € 3,50 kosten) opgelegd. 1.
- De invorderingsambtenaar heeft aan belanghebbende bij beschikking aanmaningskosten met dagtekening 10 juni 2023 (hierna: beschikking aanmaningskosten) ten bedrage van € 8 in rekening gebracht wegens het onbetaald blijven van de naheffingsaanslag. 1.
- Belanghebbende heeft op 15 juni 2023 bezwaar gemaakt tegen de beschikking aanmaningskosten. De invorderingsambtenaar heeft dit bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 27 september 2023 ongegrond verklaard. 1.
- Belanghebbende heeft door middel van een beroepschrift met dagtekening 5 oktober 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de invorderingsambtenaar als ‘verweerder’): “De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.” 1.
- Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.
- Desgevraagd hebben beide partijen kenbaar gemaakt geen zitting te wensen. Het onderzoek is op 16 december 2025 gesloten. 2Feiten Het Hof ziet aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen. 2.
- Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift in eerste aanleg van 5 oktober 2023 de rechtbank verzocht om vergoeding van wettelijke rente, indien het zou komen tot een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. 2.
- De invorderingsambtenaar heeft op 5 december 2024 de door de rechtbank uitgesproken vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende betaald (zie 1.4.). 3Geschil in hoger beroep In hoger beroep is in geschil of de rechtbank de invorderingsambtenaar had moeten veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over de te betalen bedragen aan proceskosten en griffierecht. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep relevant - het volgende overwogen: “Proceskosten
- De rechtbank ziet, gelet op het onder
- overwogene, aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten voor beroep.
- Eiser verzoekt om een vergoeding voor door een derde verleende rechtsbijstand in overstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hierbij uitgegaan dient te worden van een wegingsfactor 0,
- De wegingsfactor wordt bepaald naar gelang het gewicht van de zaak. Het gewicht van de zaak wordt bepaald door de aard, het belang en de ingewikkeldheid van de zaak (vgl. Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162). In onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit worden de wegingsfactoren ingedeeld in vijf categorieën, van zeer licht (wegingsfactor 0,25) tot zeer zwaar (wegingsfactor 2).
- De rechtbank is van oordeel dat gelet op het zeer geringe belang (€ 8) van de onderhavige zaak en het feit dat de proceskostenvergoeding enkel wordt toegekend, omdat verweerder ten onrechte niet is ingaan op de stelling van eiser dat hij de naheffingsaanslag niet ontvangen heeft, kan worden volstaan met toekennen van een proceskostenvergoeding op basis van een wegingsfactor van 0,
- Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).” 4Beoordeling van het geschil in hoger beroep 4.
- Belanghebbende stelt dat de rechtbank zijn verzoek tot vergoeding van wettelijke rente over de proceskosten en het griffierecht had moeten toekennen in haar uitspraak, mede gelet op de uitspraak van dit Hof van 21 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:
- De invorderingsambtenaar stelt dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van wettelijke rente, omdat de invorderingsambtenaar de bedragen ter vergoeding van de proceskosten en griffierecht tijdig heeft uitbetaald. 4.
- Het Hof stelt voorop dat op grond van artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek wettelijke rente is verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Deze rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest met de voldoening van die geldsom. 4.
- Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet als uitgangspunt worden gehanteerd dat de uiterste datum waarop de proceskostenvergoeding en/of het griffierecht moet worden betaald, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling tot vergoeding hiervan is opgenomen, is gedaan. Pas als de vergoeding op die uiterste datum niet is betaald, raakt de schuldenaar in verzuim en gaat de wettelijke rente lopen vanaf de dag na die uiterste datum. Dit uitgangspunt geldt ook indien de veroordeling tot vergoeding van proceskosten en/of het griffierecht is neergelegd in een uitspraak waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend en evenzeer wanneer de werking van de desbetreffende uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel is verstreken of, indien dat rechtsmiddel is ingesteld, daarop is beslist (vlg. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, BNB 2019/49). 4.
- De Hoge Raad heeft in voormeld arrest van 21 december 2018 beslist dat de rechter, indien de belanghebbende aanspraak maakt op vergoeding van wettelijke rente, in de uitspraak op dit verzoek moet beslissen. Indien de rechter in een zodanig geval nalaat op die aanspraak te beslissen, staat zijn uitspraak op die grond bloot aan vernietiging. 4.
- Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift (zie 2.1) verzocht om vergoeding van wettelijke rente over de proceskostenvergoeding en het griffierecht. De rechtbank heeft ten onrechte niet op dit verzoek beslist in haar uitspraak. Gelet op voormeld arrest van 21 december 2018 staat de uitspraak daarom bloot aan vernietiging. 4.
- Het Hof is evenwel van oordeel dat hiermee ten aanzien van het geschil tussen belanghebbende en de invorderingsambtenaar geen redelijk belang wordt gediend, nu belanghebbende door correctie van de uitspraak niet in een betere positie kan komen te verkeren (vgl. Hoge Raad van 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1033). De invorderingsambtenaar heeft de bedragen aan proceskostenvergoeding en griffierecht namelijk tijdig, dat wil zeggen binnen vier weken na dagtekening van de uitspraak van de rechtbank, zijnde 11 november 2024, uitbetaald. De invorderingsambtenaar heeft onbetwist gesteld dat de betaling van het griffierecht en de vergoeding in de proceskosten heeft plaatsgevonden op 5 december 2024 (zie 1.4). Ook in het geval de rechtbank de verplichting tot vergoeding van wettelijke rente wel in haar uitspraak had opgenomen, had belanghebbende hierop daarom geen aanspraak kunnen maken, omdat de (wettelijke) voorwaarde van niet-tijdige uitbetaling zich niet heeft voorgedaan. Het hoger beroep van belanghebbende is daarom ongegrond. Slotsom 4.
- De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. 5Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en E.A.M. Huiskers-Stoop, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 18 december 2025 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: