← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:3469

GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 24/221 en 24/223 16 december 2025 uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de erven van [X], laatstelijk woonachtig te [Z] , belanghebbenden, (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels) tegen de uitspraak van 23 januari 2024 in de zaken met kenmerken AMS 22/786 en AMS 23/2223 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [Y], de heffingsambtenaar, en De Staat, de minister van Justitie en Veiligheid te Den Haag, de Staat, inzake het verzoek van belanghebbenden tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte beschikkingen met dagtekening 28 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2021 naar waardepeildatum 1 januari 2020 de waarden (hierna: de WOZ-waarde) van een viertal onroerende zaken (hierna ook: de woningen) gelegen te [Y] als volgt vastgesteld: [straat 1] 770-5 € 650.000 [straat 2] 53-1 € 422.000 [straat 2] 53-2 € 422.000 [straat 2] 53-3 € 428.000 In hetzelfde geschrift zijn de aanslagen voor de onroerendezaakbelasting 2021 en rioolheffing 2021 bekendgemaakt. 1.2. Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt middels een bezwaarschrift met dagtekening 22 februari 2021. Bij uitspraak op bezwaar van 28 januari 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbenden hebben bij brief van 2 februari 2022 beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbenden ongegrond verklaard en het verzoek om immateriëleschadevergoeding afgewezen. 1.4. Belanghebbenden hebben middels een beroepschrift met dagtekening 25 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 29 januari 2024, beroep aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank. Het Hof heeft van belanghebbenden nadere stukken ontvangen op 17 juli, 28 augustus en 1 september 2025. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Bij bericht van 3 september 2025 heeft het Hof de gemachtigde verzocht om een machtiging over te leggen waaruit volgt dat hij bevoegd is alle erven te vertegenwoordigen. 1.6. De gemachtigde van belanghebbende heeft daags voor de geplande zitting van 10 september 2025 het Hof om medische redenen verzocht om uitstel van de zitting. Het Hof heeft het uitstel toegewezen. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 17 september 2025. Ter zitting heeft de gemachtigde de verzochte machtiging (zie 1.5) overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. Op 28 maart 2020 is [X] , in het onder 1.1 vermelde geschrift en in de uitspraak van de rechtbank vermeld als [naam] (hierna: erflaatster), overleden. Erflaatster heeft blijkens de overgelegde verklaring van erfrecht vier erfgenamen (belanghebbenden). Belanghebbenden hebben de nalatenschap zuiver aanvaard en zijn gezamenlijk bevoegd en gerechtigd tot alle goederen die behoren tot de nalatenschap van erflaatster. Tot deze nalatenschap behoren de onder 1.1 vermelde onroerende zaken. 2.2. De onroerende zaak aan de [straat 1] 770-5 is een karakteristieke historische bovenwoning uit 1899 met een oppervlakte van 94 m². 2.3. De onroerende zaken aan de [straat 2] 53-1, 53-2 en 53-3 betreffen drie karakteristieke historische bovenwoningen uit 1899 met een oppervlakte van respectievelijk 61 m², 61 m² en 62 m². 2.4. De in het onder 1.1 vermelde geschrift (‘gecombineerde aanslag’) bekendgemaakte aanslagen rioolheffing eigenaren 2021 zijn voor elke onroerende zaak vastgesteld op een bedrag van € 144. 2.5. Het bezwaarschrift van belanghebbenden is door de heffingsambtenaar ontvangen op 23 februari 2021. In dit bezwaarschrift is onder meer het volgende vermeld: “Betreft: WOZ/OZB 2021 én uitdrukkelijk ook alle andere aanverwante/gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke titel dan ook! Hierdoor wordt namens opdrachtgever c.q. belanghebbende (on)tijdig bezwaar aangetekend tegen het in kopie bijgevoegde (aanslag-/beschikkings)biljet ten name van [belanghebbenden] met het nummer [# 2] (…). (…).” Het bezwaarschrift bevat verder (in algemene termen gestelde) klachten die betrekking hebben op de vastgestelde WOZ-waarden naast opmerkingen over bodemdaling, palenpest, windmolens en hoogspanningsmasten en de vijfjaarlijkse controle-eis van de Waarderingskamer. Het woord ‘rioolheffing’ of ‘opbrengstlimiet’ komt niet in het bezwaarschrift voor. 2.6. In de uitspraak op bezwaar is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen: “Betreft: [straat 1] 770 5, [straat 2] 53 3, [straat 2] 53 1, [straat 2] 53 2 Uw bezwaar richt zich tegen de vastgestelde waarde. Naar aanleiding van uw bezwaar heeft er een onderzoek plaatsgevonden naar de waarde van de woning van uw cliënt. (…) Controle beleid gemeente In uw bezwaarschrift geeft u aan dat het niet duidelijk is wanneer de primaire en secundaire kenmerken gecontroleerd zijn. In uw bezwaarschrift vraagt u zich tevens af of de gebruiksoppervlakte (GO) op een juiste wijze in het bestand staan dan wel tot stand gekomen zijn. In de brief van 32 mei is aangegeven dat de objectkenmerken van de onderhavige objecten bij de behandeling van uw bezwaar worden getoetst. Deze toets heeft plaatsgevonden. Op basis van beschikbare gegevens met betrekking tot de vloeroppervlakte van uw object, is gebleken dat er geen aanleiding is om de bij de taxatie gebruikte objectkenmerken bij te stellen. Oppervlakte woning In uw bezwaarschrift vraagt u zichzelf af of de gebruiksoppervlakte (GO) op een juiste wijze in het bestand staan dan wel tot stand zijn gekomen. Belastingen Gemeente [Y] hanteert de gebruiksoppervlakte (GO) van de woonruimte als beschreven in de Meetinstructie Gebruiksoppervlakte Woningen (…). Niet meegerekend bij de GO worden: (…) Uw bezwaarschrift wordt afgewezen. (…).” 2.7. Aan de gemachtigde van belanghebbenden is met dagtekening 10 februari 2022 ter zake van het ingediende beroep een nota griffierecht uitgereikt. Op 17 maart 2022 heeft de rechtbank van de gemachtigde een brief ontvangen met een beroep op betalingsonmacht griffierecht (hierna ook: bobog-verzoek). Aangezien bij het verzoek niet de daarvoor vereiste gegevens omtrent het inkomen en het vermogen waren gevoegd, heeft de rechtbank bij bericht van 27 januari 2023 de gemachtigde in de gelegenheid gesteld het verzoek aan te vullen. In reactie daarop heeft de gemachtigde bij bericht van 7 februari 2023 het volgende geschreven: “Ik herhaal (en muteer/vul aan): dezerzijds is, eveneens tijdig, schriftelijk een beroep op betalingsonmacht gedaan én anders doe ik het hierbij opnieuw voor mijzelf c.q. mijn vennootschap! Indien u dit verzoek niet stante pede toewijst, wens ik terzake gehoord te worden in het kader van een separate mondelinge behandeling! Wanneer en hoe? (…) Het is wel degelijk mogelijk om (nader) uitstel te vragen, te krijgen en door u verleend te worden! In voormeld kader voeg ik ter uwer kennisneming bij kopie van een tweetal praktisch identieke brieven van uw collega(

  1. e)bij de Rechtbank Amsterdam d.d. 22 april 2020 inhoudende de beslissing dat wel degelijk -desnoods subsidiair- toegewezen kan worden het verzoek tot uitstel van betaling in verband met de uitbraak van de Coronacrisis en wel tot een nader te bepalen moment. Vervolgens naar analogie terzake de desastreuse gevolgen van de oorlog in Europa. Ik wil mijn eerste verzoek graag geacht hebben in die zin tijdig aangevuld te hebben! OK?” 2.8. De rechtbank heeft het bobog-verzoek op 10 mei 2023 afgewezen. Het griffierecht is op 11 juli 2023 betaald. 2.9. In de beroepsprocedure bij de rechtbank hebben belanghebbenden grieven aangevoerd tegen de vastgestelde WOZ-waarden. Over de aanslagen rioolheffing is door belanghebbenden niets ingebracht. 2.10. Bij het Hof is op 29 januari 2024 een hogerberoepschrift ingekomen. Op 17 juli 2025 is van belanghebbenden een eerste nader stuk ontvangen. In deze geschriften zijn geen grieven opgenomen die de rioolheffing of de opbrengstlimiet betreffen. 2.11. Op 28 augustus 2025 heeft het Hof een nader stuk van belanghebbenden ontvangen, vergezeld van een afschrift van de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3430 (hierna ook: de uitspraak Stichtse Vecht). In deze uitspraak werd een aanslag rioolrecht vernietigd, nadat de belastingplichtige in die procedure de overschrijding van de opbrengstlimiet door de gemeente Stichtse Vecht aan de orde had gesteld. De heffingsambtenaar had inzicht geboden in de begroting, waarna belanghebbende betwistte dat ten aanzien van de posten ‘overhead, uren en BTW’ sprake was van een ‘last ter zake’ en vervolgens niet kon worden vastgesteld dat de opbrengsten niet waren overschreden. In de onderhavige zaak staat hierover in belanghebbendes stuk: “onze klant wenst aanvullend een beroep te doen op het recente -zéér exact richtinggevende- arrest van de het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 3 juni jl., […] waarin -kort gezegd- is bepaald dat verweerder, in casu de BghU, (on)voldoende inzicht heeft/geeft in de ramingen van baten en lasten terzake de riool-en afvalstoffenheffing, waterschapslasten, zuiveringsheffing, reinigingsrechten (én alle andere lokale belastingen én plaatselijke heffingen onder welke titel dan ook, óók de BIZ dus). Namens belanghebbende wordt -extra, op voorhand- gesteld dat ten aanzien van de posten overhead, uren en BTW in de ramingen redelijke twijfel bestaat of en in hoeverre er sprake is van een ,,last ter zake”. Tot nu toe heeft de Heffingsambtenaar alleen maar gereageerd met algemene stellingen zonder cijfermatige toelichting of onderbouwing. Daardoor heeft verweerder niet naar vermogen nadere inlichtingen verschaft, nu over de samenstelling en de toerekeninguitgangspunten van deze posten meer informatie beschikbaar moet zijn en daarmee is de dezerzijds opgeworpen twijfel niet weggenomen. Om reden dat niet kan worden vastgesteld dat de opbrengstlimieten niet zijn overschreden, moeten de tariefstellingen in de verordeningen jegens onze klant onverbindend worden verklaard en moeten de aanslagen (óók) anders dan de WOZ/OZB sec worden vernietigd.” 2.12. Op 1 september 2025 heeft het Hof een nader stuk van belanghebbenden ontvangen onder de noemer “eerste verbijzonderingsbrief”. In een aantal tekstblokken van dit nader stuk wordt wederom een beroep gedaan op de uitspraak Stichtse Vecht. 3Geschil in hoger beroep In geschil is of de WOZ-waarde van de onderscheidenlijke onroerende zaken niet te hoog is vastgesteld en of de aanslagen rioolheffing vernietigd moeten worden Tevens is in geschil of de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft gehandeld. Daarnaast is in geschil of de rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft toegekend. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft het volgende overwogen (in de uitspraak van de rechtbank worden belanghebbenden aangeduid als ‘eisers’): “Betaling van griffierecht 1. Eisers hebben een beroep op betalingsonmacht gedaan voor de betaling van het griffierecht. Dat beroep wordt afgewezen omdat het niet is onderbouwd, ook niet nadat eisers daartoe de gelegenheid is gegeven. Eisers hebben het griffierecht in beide zaken betaald. Algemene beroepsgronden 2. In het door de gemachtigde van [eisers] opgestelde beroepschrift, de latere brieven en een ‘pinpointbrief’ van 26 oktober 2023 staan algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. De rechtbank zal deze veelal onbegrijpelijke stellingen niet bespreken. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting wel standpunten ingenomen die specifieker op de onroerende zaak betrekking hebben en de rechtbank zal die wel beoordelen. Daarbij bewaakt de rechtbank de goede procesorde, waarbij de beoordeling van standpunten achterwege blijft als de heffingsambtenaar zich daarop, door het late moment waarop ze zijn ingenomen, onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Oproepen derde-belanghebbende 3. Eisers voeren aan dat de rechtbank ten onrechte de huurder dan wel gebruiker van de objecten niet in de gelegenheid heeft gesteld om als partij aan liet geding deel te nemen. Met deze stelling, wat daar verder van zij, is niet het belang van eisers gediend, maar de belangen van die eventuele derde-partij. De grond slaagt niet. De WOZ-waarde [straat 1] 770-5 (AMS 22/786) (…) 5. De heffingsambtenaar moet op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ een waarde aan de onroerende zaak toekennen. Hij moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. De waardepeildatum is in dit geval 1 januari 2020. Bepalend is de staat waarin de woning op die datum verkeert. Om de waarde te onderbouwen heeft de heffingsambtenaar een taxatiematrix overgelegd. 6. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te laag [het Hof verstaat: niet te hoog] is vastgesteld. Uit de matrix blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met drie andere bovenwoningen aan de [straat 1] (de vergelijkingsobjecten), waarvan marktgegevens van rondom de waardepeildatum beschikbaar zijn. De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de kwaliteit, onderhoud en ligging van de woning en overige verschillen tussen de bovenwoning en de vergelijkingsobjecten. De (gecorrigeerde) gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten (€ 6.260,-) is hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs (€ 6.187,-) die voor de waarde van de bovenwoning in aanmerking is genomen. Hierin zit voldoende marge voor eventuele waard verlagende omstandigheden. Niet is gebleken dat een groter verschil tussen de woning en de vergelijkingsobjecten gerechtvaardigd is. 7. Eisers hebben ter zitting aangevoerd dat in de matrix onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheid dat de vergelijkingsobjecten een dakterras en/of een berging hebben en de woning niet. Een dakterras is goud waard in [Y] en een berging is in ieder geval meer waard dan € 8.000,-. De heffingsambtenaar voert aan dat het standaardbedrag van € 500,- per m² voor een dakterras gebaseerd is op de PMA, de permanente marktanalyse. In ieder geval zijn hem geen marktgegevens bekend op grond waarvan deze aanname van de waarde van dakterrassen en bergingen voor onjuist moet worden gehouden. 8. De rechtbank kan deze toelichting van de heffingsambtenaar volgen en vindt dat de heffingsambtenaar in voldoende mate rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de woning geen dakterras en berging heeft en de vergelijkingsobjecten wel. De schatting van de waarde van een dakterras op een vast bedrag van € 500,- per m² en van een berging op € 8.000,- acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt mede gelet op de geringe gebruikswaarde ervan. Overigens zou een correctie in de matrix met een veel hogere prijs voor het dakterras en berging, bijvoorbeeld het tweevoudige, er gelet op de door de heffingsambtenaar aangehouden marge, nog steeds niet toe leiden dat de waarde van de onroerende zaak te hoog zou zijn. Eisers hebben tot slot niet onderbouwd dat dakterrassen in [Y] goud waard zijn, althans meer dan € 500,- per m² en een berging meer dan € 8.000,-. Verder is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar in redelijkheid kan uitgaan van een vaste waarde voor woningonderdelen als dakterrassen, tuinen, parkeerplaatsen en bergingen als hulpmiddel bij de waardering van de woning als geheel. Bij het beoordelen van de juistheid van de WOZ-waarde gaat het immers niet over de vraag of de samenstellende onderdelen van een vergelijkingsobject op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Relevant is slechts de waarde van het object als geheel.[voetnoot 1: Zie de uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam van 28 januari 2020, rechtsoverweging 5.11.3 (ECLLNL:GHAMS:2020:147) en 28 november 2023, rechtsoverweging 5.8 en 5.9 (ECLL:NL:GHAMS:2023:3540).] De beroepsgrond slaagt niet. 9. Met wat eisers hebben aangevoerd, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet meer dan € 599.000,- bedraagt. Eisers hebben niet inzichtelijk gemaakt hoe deze waarde is opgebouwd, of met welke bedragen de door de heffingsambtenaar voorgestelde waarde voor het verschil in secundaire (object)kenmerken tussen de vergelijkingsobjecten en de woning zou moeten worden gecorrigeerd. De verwijzing door eisers naar een artikel in [bedrijf] van 2021 over de invloed van de coronacrisis op huurprijzen in de horeca leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, reeds omdat in het onderhavige geval sprake is van de waardering van een woning. 10. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning [straat 1] 770-5 niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond. [straat 2] 53-1, [straat 2] 53-2 en [straat 2] 53-3 (AMS 23/2223) (…) 12. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrices (met bijlagen, waaronder foto'
  2. s)en de daarop ter zitting gegeven toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de bovenwoningen niet te hoog is vastgesteld. Uit de matrices blijkt dat de waarde is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met andere bovenwoningen (vergelijkingsobjecten) waarvan marktgegevens beschikbaar zijn en die ook in de binnenstad ( [plaats] ) zijn gelegen, en wel in de nabijheid van de [straat 2] . De heffingsambtenaar heeft in de cijfermatige onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de (matige) kwaliteit en onderhoud en (gemiddelde) ligging van de woningen en overige verschillen tussen de bovenwoningen en de vergelijkingsobjecten. De gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten is hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs die voor de waarde van de bovenwoningen in aanmerking is genomen. 13. Tijdens de zitting hebben eisers aangevoerd dat de oppervlakte van [straat 2] 53-3 niet 62 m² maar 61 m² is. De rechtbank oordeelt dat het verschil van 1 m² volstrekt niet de daaraan door eisers verbonden conclusie rechtvaardigt dat de waarde van [straat 2] 53-3 met € 6.000,- moet worden verlaagd. Het verschil in oppervlakte van 1 m² is te klein om af te doen aan de aannemelijkheid van de WOZ-waarde van [straat 2] 53-3. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. 14. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woningen [straat 2] 53-1. 53-2 en 53-3 niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Immateriële schadevergoeding 15. Eisers hebben aan de rechtbank verzocht om een immateriële schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van alle zaken als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet. 16. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.[voetnoot 2: Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.] De rechtbank ziet aanleiding de redelijke termijn te verlengen. Hiervoor is van belang dat de rechtbank op 17 maart 2022 een beroep op betalingsonmacht griffierecht (bobog) van de gemachtigde van eisers heeft ontvangen. Bij een dergelijk verzoek moeten de gegevens over het inkomen en vermogen van een belanghebbende voorden overgelegd, maar omdat dit niet was gedaan is de gemachtigde in staat gesteld het verzoek aan te vullen. De gemachtigde heeft vervolgens niet aan het verzoek van de rechtbank voldaan om gegevens over het inkomen en vermogen over te leggen. Het verzoek is op 10 mei 2023 afgewezen, omdat het niet is onderbouwd. Het griffierecht is uiteindelijk op 11 juli 2023 in alle zaken betaald. Hierdoor is een vertraging in de procedure ontstaan van afgerond een jaar en vier maanden. Zolang het griffierecht niet is voldaan, ligt de procedure namelijk stil, zoals de gemachtigde bekend is. Deze vertraging is aan de gemachtigde toe te rekenen. In het gegeven dat sprake is van een kansloos beroep op betalingsonmacht ziet de rechtbank een bijzondere omstandigheid die louter leidt tot nodeloze vertraging. De redelijke termijn wordt daarom verlengd met afgerond een jaar en vier maanden, van 17 maart 2022 tot 11 juli 2023. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar op 23 februari 2021 ontvangen. De redelijke termijn van driejaar en vier maanden is bij het doen van deze uitspraak niet overschreden. Daarom hebben eisers geen recht op een vergoeding. Proceskostenvergoeding en griffierecht 17. Er is bij deze uitkomst van het beroep geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of een vergoeding van het betaalde griffierecht.” 5Beoordeling van het geschil in hoger beroep Omvang geschil in hoger beroep 5.1. Door belanghebbenden is in hun op 28 augustus en 1 september 2025 door het Hof ontvangen nadere stukken, een beroep gedaan op de uitspraak Stichtse Vecht (zie 2.11 en 2.12). Het is met die stukken in deze procedure voor het eerst dat belanghebbenden opmerkingen hebben gemaakt over rioolheffing of over de opbrengstlimiet waarvan de vermeende overschrijding in geschil kan zijn bij heffingen zoals de rioolheffing. 5.2. Een bezwaarschrift, zoals dat in de onderhavige zaak, waarin blijkens de onderwerpaanduiding wordt opgekomen tegen de WOZ-waarden en aanslagen OZB en dat uitsluitend gronden bevat die op de WOZ-waarden zien, richt zich uitsluitend tegen die WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB. Het heeft ook niet van rechtswege betrekking op andere belastingaanslagen die zijn verenigd in één geschrift met de WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB waartegen het bezwaarschrift zich uitdrukkelijk richt. Een en ander wordt niet anders door in zo een bezwaarschrift onder ‘betreft’ na de vermelding van “WOZ/OZB 2021” de zinsnede “en alle hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen” of iets dergelijks op te nemen. De voor het jaar 2021 opgelegde aanslagen rioolheffing eigenaren zijn immers niet gerelateerd aan de WOZ-waarde (noch aan de aanslagen OZB). Immers de heffingsmaatstaf van deze rioolheffing is op grond van de Verordening Rioolheffing 2021 van de gemeente [Y] (Gemeenteblad 2020, [# 1] ), gesteld op een vast bedrag per perceel. Overigens hebben belanghebbenden bij de rechtbank niet geklaagd over het ontbreken in de uitspraak op bezwaar van een beslissing van de heffingsambtenaar inzake de rioolheffing. Het geschil bij de rechtbank beperkte zich dus terecht tot de WOZ-beschikkingen en aanslagen OZB. 5.3. Alvorens beroep in te stellen dient bezwaar te worden gemaakt (artikel 7:1, lid 1, Algemene wet bestuursrecht). In het onderhavige geval is geen bezwaar gemaakt tegen de aanslagen rioolheffing. Er is ook geen beroep ingesteld tegen deze aanslagen en beroep daartegen stond vanwege het bepaalde in artikel 7:1, lid 1, Algemene wet bestuursrecht ook niet open. Evenmin kan voor het eerst in hoger beroep worden opgekomen tegen een aanslag rioolheffing. De wet biedt deze mogelijkheid niet. Het Hof kan de klachten van belanghebbenden over de aanslagen rioolheffing daarom niet tot het geschil rekenen en zal deze onbehandeld laten. Wijze van procederen 5.4. De wijze waarop de gemachtigde van belanghebbenden procedeert is in strijd met hetgeen van een beroepsmatig optredende rechtshulpverlener mag worden verwacht. Van deze gemachtigde die zeer veel procedeert mag worden verwacht en verlangd, dat hij in de van hem afkomstige stukken duidelijk en tijdig aangeeft wat zijn grieven zijn tegen de aangevallen beslissing en op welke feiten die grieven zijn gebaseerd. De door de gemachtigde ingezonden stukken voldoen niet aan die norm. Wat steeds weer opvalt is dat de gemachtigde de wederpartij in alle fasen van het geding overlaadt met niet ter zake doende stellingen en standpunten; daartussen bevinden zich dan soms – meest niet onderbouwde – opmerkingen die echter wel betrekking kunnen hebben op het geding. Eerst ter zitting worden aan die opmerkingen door de gemachtigde argumenten ontleend waarmee hij zijn stellingen onderbouwt. Daardoor ontneemt hij de wederpartij de mogelijkheid om tegen die argumenten op gedegen wijze verweer te voeren. De gemachtigde is hier al in eerdere procedures uitdrukkelijk op gewezen en hij heeft ter zitting van het Hof verklaard zich daarvan bewust te zijn. Het Hof heeft echter moeten constateren dat de gemachtigde zich daarvan niets heeft aangetrokken en zijn wijze van procederen op oude voet continueert. Het Hof acht deze wijze van procederen in strijd met de goede procesorde en verbindt hieraan als consequentie dat hij bij zijn oordeelsvorming slechts ingaat op de argumenten van de gemachtigde, voor zover zij tijdig en duidelijk in gedingstukken naar voren zijn gebracht. WOZ-waarden [straat 1] 770-5, [straat 2] 53-1, [straat 2] 53-2 en [straat 2] 53-3 5.5. Het Hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank over de vastgestelde WOZ-waarden van deze onroerende zaken en maakt de gronden waarop deze beslissing berust (rechtsoverwegingen 5 tot en met 10 en 12 tot en met 14) tot de zijne. Ook met inachtneming van hetgeen belanghebbenden in hoger beroep hebben aangevoerd tegen deze vastgestelde WOZ-waarden is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarden van de onroerende zaken (en de aanslagen OZB) niet te hoog heeft vastgesteld. De stelling van belanghebbenden dat de heffingsambtenaar bij de waardevaststelling van de onroerende zaken een onjuiste gebruiksoppervlakte in aanmerking heeft genomen, wordt als onvoldoende geconcretiseerd verworpen. Overigens heeft het Hof geen reden te twijfelen aan de in de uitspraak op bezwaar opgenomen toelichting (zie 2.6) dat de objectkenmerken en de gebruiksoppervlakte van de onroerende zaken naar aanleiding van het bezwaar (opnieuw) getoetst zijn. 5.6. Belanghebbenden betwisten – niet geconcretiseerd – de grondprijs en vragen naar vergelijkbare grondtransacties in de gemeente. Ook wijzen belanghebbenden erop dat de grondstaffels niet heeft ingebracht. Het Hof volgt belanghebbenden niet in deze grieven, aangezien er geen sprake is van afzonderlijk gewaardeerde grond (de waarde van de ondergrond komt tot uitdrukking in de huurwaarde); hierdoor is het niet nodig voor de heffingsambtenaar om grondstaffels in te brengen. 5.7. In de ‘eerste verbijzonderingsbrief’ door het Hof ontvangen op 1 september 2025 en ter zitting van het Hof, hebben belanghebbenden gesteld dat door de heffingsambtenaar een te lage vaste waardering (van € 8.000) voor een separate berging in aanmerking is genomen, en dat sprake van een te lage vaste vierkante meter prijs voor terrassen van € 500. De heffingsambtenaar heeft in reactie hierop aangegeven dat men een aantal jaren geleden na onderzoek, deze standaard waarden heeft verdubbeld om zo rekening te houden met marktontwikkelingen. Het Hof stelt voorop dat de in geschil zijnde waardes de (WOZ-)waarden van de woningen in hun geheel betreffen. Daarbij vormen de aan de samenstellende onderdelen van de woningen toegekende waarden, zoals de waarde van een separate berging, hulpmiddelen om de waarde van de woning als geheel inzichtelijk te maken. Het Hof stelt voorts vast dat de heffingsambtenaar de waarde van (afgerond) € 8.000 per berging consequent heeft toegepast. Hij heeft dit zowel gehanteerd bij de woningen die over een berging beschikken ( [straat 2] 53-1, 53-2 en 53-3 beschikken daarover; [straat 1] 770 5 niet) als bij de vergelijkingsobjecten met een berging (vier van de zes vergelijkingsobjecten beschikken daarover). Het Hof voegt hieraan toe dat naar zijn oordeel de heffingsambtenaar ook enkel met gebruikmaking van de vergelijkingsobjecten die over een berging beschikken aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem verdedigde waarden van de woningen aan de [straat 2] niet te hoog zijn. De stelling van belanghebbenden dat de gehanteerde waarden van de berging onjuist zijn evenals hun onderbouwing daarvoor – dat dat is gebaseerd “op common sense” maakt het voorgaande niet anders. 5.8. Ook met inachtneming van hetgeen belanghebbenden voor het overige nog hebben aangevoerd tegen de vastgestelde WOZ-waarde, is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarden van de onroerende zakwn niet te hoog heeft vastgesteld. De stelling van belanghebbenden dat de heffingsambtenaar de verplichtingen ingevolge artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet is nagekomen, wordt verworpen, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbenden een voldoende concreet verzoek hebben gedaan tot het verstrekken van gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. Weliswaar hebben belanghebbenden herhaaldelijk verzocht om toezending van taxatieverslagen (ook over de afgelopen 5 jaar), maar op de vraag van de heffingsambtenaar welke taxatieverslagen concreet bedoeld worden, hebben belanghebbenden niet gereageerd. Uit de stukken kan worden opgemaakt dat een taxatieverslag voor het onderhavige jaar betreffende de onroerende zaken, door de heffingsambtenaar aan belanghebbenden is overgelegd in de bezwaarfase. Voorts is er voor de heffingsambtenaar op basis van artikel 40, lid 2, Wet WOZ in dit geding, geen verplichting om de door belanghebbenden gevraagde waarderingen in te brengen over voorgaande en opvolgende jaren aangezien deze niet ten grondslag hebben gelegen aan de voor de woningen vastgestelde waarden voor het onderhavige jaar. Vergoeding van immateriële schade 5.9. Belanghebbenden hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken in eerste aanleg ten onrechte heeft verlengd met 16 maanden. Naar de mening van belanghebbenden kan het bobog-verzoek niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. Het verschuldigde griffierecht is volgens belanghebbenden binnen de gestelde termijn betaald. Daarom zijn belanghebbenden van mening dat een bedrag van € 1.500 aan vergoeding van immateriële schade dient te worden toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. De inspecteur houdt de beslissing van de rechtbank wat betreft het niet toekennen van een vergoeding voor immateriële schade voor juist. 5.10. Het Hof ziet, mede gelet op de overige omstandigheden van het onderhavige geval, in het enkele beroep dat belanghebbenden hebben gedaan op betalingsonmacht griffierecht, onvoldoende aanleiding tot verlenging van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in bezwaar en beroep. Dat belanghebbenden ondanks het verzoek daarom van de rechtbank hebben verzuimd hun beroep op betalingsonmacht aan te vullen met de juiste bescheiden, maakt het voorgaande niet anders. Gelet op de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen (23 februari 2021) en de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan (23 januari 2024), is de redelijke termijn in eerste aanleg met 11 maanden overschreden. Belanghebbenden komt een vergoeding voor immateriële schade toe van € 1.000 (2 x € 500). Deze vergoeding dient voor een bedrag van € 556 (5/9 x € 1.000) te worden toegerekend aan de bezwaarfase (de uitspraak op bezwaar is van 28 januari 2022) zodat de heffingsambtenaar veroordeeld wordt tot vergoeding van dit bedrag, en de vergoeding voor het overige, te weten € 444 (4/9 x € 1.000) dient te worden toegerekend aan de beroepsfase, zodat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag. 5.11. In het op 1 september 2025 van belanghebbenden ontvangen nader stuk (gedateerd 27 augustus 2025), klagen belanghebbenden erover dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar het onjuiste – lage – tarief van € 261 aan kostenvergoeding heeft toegepast voor de (deels) succesvolle bezwaarfase. Aan deze klacht gaat het Hof voorbij aangezien de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond heeft verklaard, en daarom, naar ’s Hofs oordeel terecht, geen kostenvergoeding heeft toegekend. Slotsom 5.12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hoger beroep gegrond voor zover het betreft het door de rechtbank niet toekennen van een vergoeding voor immateriële schade. 6Kosten 6.1. Zowel de heffingsambtenaar als de Staat zullen worden veroordeeld in de kosten van belanghebbenden voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. In de omstandigheid dat belanghebbenden slechts gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld op een formeel geschilpunt van ondergeschikt belang en het gewicht van het geschilpunt waarop belanghebbenden in het gelijk worden gesteld ‘zeer licht’ in de zin van het Besluit zou zijn indien de zaak alleen over dat geschilpunt zou zijn gegaan, ziet het Hof aanleiding daarbij een gewichtsfactor 0,25 (zeer licht) toe te passen (vgl. Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:862, r.o. 3.2.2). Gelet op het voorgaande zal het Hof de toe te kennen proceskostenvergoeding voor het beroep met toepassing van artikel 2, lid 2, van het Besluit vaststellen op 2 punten (proceshandelingen) x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (wegingsfactor ) x 1 (vermenigvuldigingsfactor twee samenhangende zaken) = € 453,50. De heffingsambtenaar en de Staat nemen hierbij ieder de helft voor hun rekening. Aan de proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt op grond van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ, een puntwaarde toegekend van 0,10; daarbij neemt het Hof in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in r.o. 3.5.1 en 3.5.2 van het arrest HR 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46). Het voorgaande leidt tot een proceskostenvergoeding in hoger beroep met toepassing van artikel 2, lid 2, van het Besluit op 2 punten (proceshandelingen) x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (wegingsfactor ) x 0,10 (vermenigvuldigingsfactor artikel 30a, lid 2, Wet WOZ) x 1 (vermenigvuldigingsfactor twee samenhangende zaken) = € 45,35. De heffingsambtenaar en de Staat nemen hierbij ieder naar boven afgerond de helft (€ 22,68) voor hun rekening. 6.2. Belanghebbenden hebben verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, die op 23 februari 2023 was overschreden, zodat recht bestaat op vergoeding van het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep (vlg. HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2). De heffingsambtenaar en de Staat nemen hierbij ieder de helft voor hun rekening. 7Beslissing Het Hof: - vernietigt de uitspraak van de rechtbank, uitsluitend voor wat betreft het niet toekennen van een vergoeding voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht; - bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige; - wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade in hoger beroep af; - veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbenden geleden immateriële schade tot een bedrag van € 556; - veroordeelt de Staat in de door belanghebbenden geleden immateriële schade tot een bedrag van € 444; - veroordeelt de inspecteur en de Staat in de kosten van het beroep van belanghebbenden tot een bedrag van € 453,50, ieder voor de helft (€ 226,75); - veroordeelt de inspecteur en de Staat in de kosten van het hoger beroep van belanghebbenden tot een bedrag van ieder € 22,68, en - draagt de heffingsambtenaar en de Staat het betaalde griffierecht in beroep (€ 50) en in hoger beroep (€ 136) te vergoeden, ieder voor de helft (€ 93). De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, H.E. Kostense en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.