GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/3282 16 december 2025 uitspraak van de veertiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. A. Bakker) tegen de uitspraak van 26 april 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/2586 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] , de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 februari 2022 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat 1] te [Z] (hierna ook: de woning) voor het kalenderjaar 2022 naar waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 821.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2022 bekendgemaakt. 1.2. Bij uitspraak van 23 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft op 7 juni 2024 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof en dit nader gemotiveerd bij brief van 14 augustus 2024. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Beide partijen hebben zich afgemeld voor de zitting op 9 december 2025. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een tussenwoning, gebouwd in 1923. De opstal van de woning is ongeveer 113 m² en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 169 m². 2.2. De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase, naast het taxatieverslag, een grondstaffel (kavelmodel) en een taxatiematrix met de in het taxatieverslag vermelde vergelijkingsobjecten aan de adressen [straat 2] , [straat 3] en [straat 4] te [Z] naar [bedrijf] , de voormalig gemachtigde van belanghebbende, gestuurd. 2.3. De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase een nieuwe waardematrix overgelegd, waarin de woning wederom is vergeleken met de onder 2.2 vermelde vergelijkingsobjecten. Deze drie vergelijkingsobjecten zijn, net als de woning, tussenwoningen met bouwjaar 1923 en zijn dichtbij elkaar gelegen in dezelfde wijk. Tevens zijn de indexeringspercentages bijgevoegd. 2.4. Belanghebbende heeft in hoger beroep een matrix ingebracht, waarmee hij de door hem voorgestane WOZ-waarde van € 760.000 eveneens onderbouwt met de onder 2.2 en 2.3 vermelde vergelijkingsobjecten en daarin uitgaat van dezelfde oppervlakten. Voorts heeft belanghebbende van de [straat 3] en de [straat 4] te [Z] verkoopadvertenties en stamkaarten meegestuurd. 3Geschil in hoger beroep In hoger beroep is, evenals in beroep, in geschil of de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft, voor zover nog relevant in hoger beroep, als volgt overwogen en beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ’eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’): “WOZ-waarde 6. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. 7. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Voor de beoordeling of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, is van belang of de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning, en indien dit het geval is, of verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. 8. De in de door verweerder overgelegde matrix genoemde vergelijkingsobjecten zijn kort vóór […] de waardepeildatum verkocht en wat type, ligging en omvang betreft voldoende vergelijkbaar met de woning. De verkoopprijzen van de door verweerder getoonde objecten kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er gelet op de matrix en de toelichting daarop in geslaagd aannemelijk te maken dat voldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De vastgestelde waarde van de woning staat niet in een onjuiste verhouding tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Grondstaffel, matrix en taxatieverslag 9. Eiseres heeft gesteld dat verweerder een matrix, grondstaffel en taxatieverslag had moeten verstrekken, omdat zij hier om heeft verzocht. Uit de stukken die verweerder heeft overgelegd blijkt dat deze gegevens weldegelijk door verweerder zijn overgelegd. Deze stukken zijn in de bezwaarfase (digitaal) aan de toenmalige gemachtigde van eiser ( [bedrijf] ) verstrekt en in ieder geval het taxatieverslag is ook in het hoorgesprek met verweerder expliciet besproken. Deze grief faalt daarom. iWOZ-kaarten en bouwtekeningen 10. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder de iWOZ-kaarten en bouwtekeningen van de vergelijkingsobjecten (volledig) had moeten overleggen. Verweerder heeft wel de foto’s uit iWOZ overgelegd, maar niet de verdere beschrijvingen, zodat niet kan worden gecontroleerd of verweerder de objectkenmerken en/of alle bijgebouwen correct heeft verwerkt. Naar het oordeel van de rechtbank behoren de iWOZ-kaarten alsmede de bouwtekeningen van de vergelijkingsobjecten niet zonder meer tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb. Verweerder is daarom in beginsel niet verplicht deze gegevens over te leggen. Dit zou anders kunnen zijn als eiseres één of meer objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten voldoende gemotiveerd betwist. Dat heeft eiseres in dit geval niet gedaan. Eiseres heeft slechts bij gebrek aan wetenschap bestreden dat de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten juist zijn. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om verweerder op te dragen de iWOZ-kaarten en/of bouwtekeningen van de vergelijkingsobjecten over te leggen. Objectafbakening 11. Eiseres bestrijdt dat verweerder rekening heeft gehouden met het feit dat een deel van het onderhavige perceel is afgescheiden van het onderhavige object en verwijst naar de uitspraak ECLI:NL:GHARL:2021:6905. Uit de stukken blijkt dat er geen sprake is van een brandgang. De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar stelling onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Deze grief faalt daarom. Motiveringsbeginsel 12. Eiseres voert aan dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd, omdat verweerder niet volledig heeft weergegeven wat op de hoorzitting is besproken. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt voldoende waarop verweerder zijn beslissing heeft gebaseerd. Verder gaat verweerder uitgebreid in op de argumenten van eiseres in bezwaar en heeft er een hoorzitting plaatsgevonden, echter was de vorige gemachtigde hierbij betrokken. Van strijd met het motiveringsbeginsel is geen sprake. Indexeringspercentage 13. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder het gehanteerde indexeringspercentage en de onderbouwing daarvan niet inzichtelijk heeft gemaakt, overweegt de rechtbank als volgt. De enkele stelling dat de (onderbouwing van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.