GERECHTSHOF AMSTERDAM zaaknummer : 200.356.693/01 zaaknummer hoofdzaak : K23/230386 Beslissing van de wrakingskamer van 18 juli 2025 op het wrakingsverzoek ingediend door [verzoekster] wonende te [woonplaats] , gemachtigde mevrouw [gemachtigde], hierna: verzoekster. 1De procedure 1.
- De hoofdzaak betreft een beklag op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie van 13 juli 2023 waarbij aan verzoekster is medegedeeld dat niet wordt overgegaan tot vervolging van verschillende artsen en instanties tegen wie verzoekster aangifte heeft gedaan van dood door schuld en valsheid in geschrift. Op 29 november 2023 heeft klaagster wederom aangifte gedaan. Naar aanleiding daarvan heeft het Openbaar Ministerie op 7 mei 2024 een sepotbeslissing genomen. 1.
- Verzoekster heeft op 20 mei 2025 een wrakingsverzoek tegen mr. E. de Greeve (hierna: de raadsheer), tevens president van het gerechtshof Amsterdam ingediend (het eerste wrakingsverzoek). Dit verzoek tot wraking is achter gesloten deuren behandeld op 1 juli
- Het eerste verzoek tot wraking hield – kort gezegd en voor zover van belang voor dit verzoek – in dat 1) de raadsheer mede verantwoordelijk is voor de weigering van het hof de tussenbeschikking van 4 februari 2025 aan te passen door daarin alsnog de (“tweede”) aangifte van 29 juli 2024 (van overtreding van de artikelen 255 en 257 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) te noemen en 2) de raadsheer mede verantwoordelijk is voor dat verzoekster wordt geblokkeerd in haar recht op informatie over het verloop van de procedure in de hoofdzaak omdat de datum van de zitting waarop beklaagden worden gehoord niet wordt medegedeeld. 1.
- De raadsheer heeft in haar toenmalige schriftelijke reactie aangevoerd dat zij niet vooringenomen is jegens klaagster en dat zij geen aanleiding heeft gegeven om dat te veronderstellen. Zij brengt daarbij, samengevat, naar voren dat uit de tussenbeschikking van 4 februari 2025 blijkt dat de tweede aangifte daarin is opgenomen en dat de beslissing over de aanwezigheid van klaagster bij de zitting in de hoofdzaak een processuele beslissing van het hof betreft. 1.
- De wrakingskamer heeft op 10 juli 2025 verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot wraking omdat de wrakingskamer heeft vastgesteld dat verzoekster op verschillende momenten bekend is geworden met de omstandigheden die zij ten grondslag heeft gelegd aan haar wrakingsverzoek en dit verzoek niet direct is gedaan, maar op een later moment, zonder dat hiervoor een redelijke verklaring is gegeven. 1.
- Verzoekster heeft bij brief van 10 juli 2025, gericht aan de wrakingskamer, wederom een verzoek tot wraking gedaan jegens de raadsheer. Zij legt aan dit tweede wrakingsverzoek (nagenoeg) dezelfde grond ten grondslag, te weten dat de tweede aangifte niet bij de behandeling wordt betrokken Verzoekster stelt zich voorts op het standpunt dat de raadsheer, in haar functie als president, verantwoordelijk is voor het functioneren van het gerechtshof. 1.
- De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van het opvragen van de schriftelijke reactie van de raadsheer en afgezien van een mondelinge behandeling. De uitspraak is bepaald op vandaag. 2De beoordeling Juridisch kader 3.
- Artikel 512 Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen. Hoewel het wrakingsrecht in artikel 512 Sv niet is toegekend aan de klager in een artikel 12 Sv-procedure, moet worden aangenomen dat de klager in beginsel toch de raadsheren kan wraken die zijn belast met de behandeling van zijn klacht. Een en ander op grond van het fundamentele rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter. Voor de procedureregels wordt in dat geval aangesloten bij die van de artikelen 512 Sv en volgende. 3.
- Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. 3.
- Op grond van het Wrakingsprotocol gerechtshof Amsterdam kan de wrakingskamer een verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting buiten behandeling stellen of niet-ontvankelijk verklaren, indien het een volgend verzoek ten aanzien van eenzelfde raadsheer betreft, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. Het oordeel van de wrakingskamer 3.
- Verzoekster heeft aan het verzoek tot wraking geen nieuwe gronden ten grondslag gelegd. Van relevante feiten en/of omstandigheden die pas na het eerste wrakingsverzoek aan verzoekster bekend zijn geworden, is daarom geen sprake. Om die reden zal de wrakingskamer het verzoek niet-ontvankelijk verklaren. 3.
- De conclusie is dat verzoekster niet-ontvankelijk is in het wrakingsverzoek. 3.
- De wrakingskamer constateert dat sprake is van meerdere vergeefs gedane wrakingsverzoeken in deze zaak (niet alleen jegens de raadsheer, maar ook jegens de voorzitter van de combinatie die de hoofdzaak behandelt) met (telkens) nagenoeg dezelfde gronden. Om die reden zal de wrakingskamer bepalen dat een volgend verzoek tot wraking met betrekking tot de zaak met nummer K23/230386 niet in behandeling zal worden genomen. 4De beslissing De wrakingskamer: verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking; bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de zaak met nummer K23/230386 niet in behandeling zal worden genomen. Deze beslissing is gegeven door mrs. F.J.P.M. Haas, A.V.T. de Bie en W.J. Blokland, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 juli
- mrs. A.V.T. de Bie en W.J. Blokland zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen. De griffier, de voorzitter, Artikel 4 lid 2 onder f.