GERECHTSHOF AMSTERDAM zaaknummer : 200.357.550/02 zaaknummer hoofdzaak : 200.357.550/01 Beslissing van de wrakingskamer van 27 oktober 2025 op het wrakingsverzoek ingediend door: [verzoeker] gevestigd te [plaats] , hierna: verzoeker. 1De procedure 1.
- De hoofdzaak betreft het hoger beroep van een beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2025 waarin verzoeker ten aanzien van de klachtonderdelen I en II niet-ontvankelijk is verklaard in zijn klacht en de klacht ten aanzien van klachtonderdeel III ongegrond is verklaard. 1.
- De wederpartij van verzoeker, de notaris, heeft via zijn gemachtigde verbonden aan [bedrijf] , om uitstel van de termijn voor het indienen van een verweerschrift gevraagd. Dit verzoek is toegewezen en dat is door de administratie op 16 september 2025 per e-mail aan partijen gecommuniceerd. De namen van de raadsheer of raadsheren die het verzoek hebben toegewezen zijn daarbij niet bekend gemaakt. 1.
- Verzoeker heeft daarop op 16 september 2025 een e-mailbericht verzonden naar de wrakingskamer met een – althans zo is dit in behandeling genomen – een verzoek tot wraking. 1.
- Op 25 september 2025 heeft verzoeker een e-mailbericht verzonden met daarin een aanvullende grond tot wraking. 1.
- De voorzitter van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer heeft op 10 oktober 2025 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking. In die reactie heeft hij aangegeven dat hij (de wrakingskamer begrijpt: uit hoofde van zijn functie als voorzitter van de notaris en gerechtsdeurwaarderkamer) de onder 1.2 bedoelde beslissing op het uitstelverzoek heeft genomen. 1.
- Het wrakingsverzoek is op 13 oktober 2025 door de wrakingskamer behandeld. Op de zitting was verzoeker aanwezig. De voorzitter van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer heeft laten weten niet te zullen verschijnen. 2Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover 2.
- Tijdens de zitting heeft de wrakingskamer vastgesteld dat het wrakingsverzoek de voorzitter van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer, mr. Tromp, betreft omdat hij te kennen heeft gegeven de beslissing op het in 1.2 bedoelde uitstelverzoek heeft genomen. 2.
- Verzoeker heeft de gronden van het wrakingsverzoek uiteengezet in zijn emailberichten van 16 en 25 september
- Samengevat heeft verzoeker aangevoerd dat de toewijzing van het uitstelverzoek niet gemotiveerd is en dat de toon van de communicatie de schijn van vooringenomenheid wekt. Tijdens de zitting heeft verzoeker de gronden verder toegelicht. Zijn bezwaren richten zich met name op de wijze waarop de communicatie is verlopen. Verzoeker voelt zich niet gehoord in de behandeling van het uitstelverzoek, vooral omdat de toewijzende beslissing geen motivering bevat. Daarnaast speelt mee dat verzoeker – ondanks herhaalde verzoeken – niet te horen heeft gekregen wie de beslissing heeft genomen. Pas uit de reactie op het wrakingsverzoek van 10 oktober 2025 werd duidelijk dat mr. Tromp, als voorzitter van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer de beslissing heeft genomen. Verzoeker heeft twijfels over deze bewering en vraagt zich af of het werkelijk de voorzitter zelf was die de beslissing heeft genomen. Hij maakt zich zorgen over de indruk die de administratie van het hof naar buiten maakt. 2.
- Mr. Tromp heeft in zijn schriftelijke reactie laten weten dat hij niet berust in de wraking. Volgens mr. Tromp geven zowel de toon als de formulering van het e-mailbericht van 16 september 2025 geen aanleiding om vooringenomenheid aan te nemen. 3De beoordeling Juridisch kader 3.
- Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen. 3.
- Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. Beoordeling in deze zaak 3.
- De wrakingskamer begrijpt uit de stellingen van verzoeker dat hij van mening is dat de schijn van vooringenomenheid is ontstaan door (i) de beslissing die is genomen op het uitstelverzoek omdat die – aldus verzoeker - niet is gemotiveerd, en (ii) door de wijze waarop gecommuniceerd is. 3.
- Wat betreft het eerste punt heeft verzoeker aangevoerd dat de procesbeslissing van mr. Tromp onterecht is. De wrakingskamer merkt op dat de beslissing reeds is genomen. Het wrakingsverzoek richt zich dus tegen een beslissing die niet kan worden herroepen via een wrakingsprocedure. Bovendien staat op geen enkele wijze staat vast welke raadsheren de inhoudelijke behandeling van deze zaak gaan doen en of mr. Tromp daar onderdeel vanuit maakt. Reeds om die redenen kan verzoeker niet worden ontvangen in zijn wrakingsverzoek. Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat de inhoud van een rechterlijke (tussen)beslissing in beginsel geen grond kan vormen voor wraking. Wraking is immers geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer beoordeelt derhalve niet de juistheid van de (motivering van de) (tussen)beslissing. Alleen als uit de motivering van zo’n beslissing, gezien alle omstandigheden en objectief beoordeeld, blijkt dat de rechter die de beslissing heeft genomen vooringenomen is, kan dit een grond voor wraking zijn. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit de in de motivering gebruikte bewoordingen. In dit geval is geen sprake van zulke omstandigheden. 3.
- Wat betreft het tweede punt geldt ook dat het niet duidelijk is of mr. Tromp bij de verdere (inhoudelijke) behandeling van de hoofdzaak betrokken zal zijn. Daardoor kan met het toewijzen van het wrakingsverzoek in dit stadium geen rechtens relevant belang zijn gediend. Ten overvloede geldt dat de wrakingsprocedure niet is bedoeld voor klachten over bejegening, en dat concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in de wijze van communicatie een bejegening ligt besloten waaruit (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid van de raadsheer volgt, niet zijn gesteld en evenmin niet aannemelijk zijn geworden. Een en ander laat onverlet dat aan verzoeker kan worden toegegeven dat hem eerder had kunnen worden medegedeeld welke (combinatie van) raadshe(e)r(en) de beslissing tot het verlenen van uitstel voor het indienen van een verweerschrift heeft genomen. 4De beslissing De wrakingskamer verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking. Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J. Blokland, F.J.P.M. Haas en P.F.G.T. HofmeijerRutten, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.