← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:3754

afdeling strafrecht parketnummer: 23-002922-24 datum uitspraak: 20 oktober 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 december 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-223661-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1993, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 2 juli 2022 ( althans in of omstreeks de periode van 25 juni 2022 tot en met 3 juli 2022) te Amsterdam , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar kind, genaamd [slachtoffer 1] (roepnaam; [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht) met een pan, in elk geval een hard voorwerp heeft geslagen op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair:zij op of omstreeks 2 juli 2022 (althans in of omstreeks de periode van 25 juni 2022 tot en met 3 juli 2022) te Amsterdam , althans in Nederland, haar kind, genaamd [slachtoffer 1] (roepnaam; [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013), heeft mishandeld door (met kracht) met een pan, in elk geval een hard voorwerp te slaan op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] . Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere strafoplegging komt en gelet op hetgeen naar voren is gebracht in het hoger beroep. Vrijspraak Met de politierechter, de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewijsoverweging De advocaat-generaal heeft gevorderd de bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte het feit ontkent en zij zich op het standpunt stelt dat de getuige [getuige 1] ‘het verhaal heeft verzonnen’. Het hof overweegt als volgt. De moeder van de verdachte, de getuige [getuige 1] (hierna: de getuige), heeft verklaard dat zij op 2 juli 2022, toen zij in het huis van de verdachte was om op [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 2] ) te passen, bloed op het hoofd van [slachtoffer 2] heeft gezien. [slachtoffer 2] vertelde haar dat zij met een pan op haar hoofd was geslagen door haar moeder, de verdachte. De aanleiding voor de klap was gelegen in een tosti die [slachtoffer 2] voor zichzelf maakte. Het hof acht zowel de verklaring van de getuige, als de daarin verwoorde mededelingen van [slachtoffer 2] betrouwbaar. Hiertoe overweegt het hof dat [slachtoffer 2] in essentie – waaronder de aanleiding voor de klap – hetzelfde heeft verklaard over het tenlastegelegde incident tegenover zowel een begeleider op haar basisschool, als een hulpverlener van Veilig Thuis . Het dossier bevat een beschrijving van de voornoemde begeleider van een tekening die door [slachtoffer 2] is gemaakt, nadat zij was gevraagd om te tekenen hoe zij zich voelde. Volgens de begeleider heeft [slachtoffer 2] daarover desgevraagd verteld dat ze haar moeder (de verdachte) heeft getekend die een koekenpan vasthield, en zichzelf, waarbij de verdachte heel boos keek en [slachtoffer 2] verdrietig; de reden hiervoor was dat ze een tosti maakte voor zichzelf wat niet snel genoeg ging. Voorts vinden de mededelingen van [slachtoffer 2] en de verklaring van de getuige steun in andere bewijsmiddelen. In de forensische medische letselrapportage wordt vermeld dat op 6 juli 2022 op de behaarde hoofdhuid van [slachtoffer 2] een ‘lijnvormige met korstvorming genezende huidbeschadiging van circa 1,5 bij 0,4 centimeter’ is waargenomen en dat het gemelde tijdstip van ontstaan (2 juli 2022) goed past bij dit waargenomen letsel. Tot slot betrekt het hof bij zijn oordeel de emotie die de medewerker van Veilig Thuis waarnam bij [slachtoffer 2] toen aan [slachtoffer 2] verteld werd dat Veilig Thuis ook met haar moeder (de verdachte) wilde spreken. [slachtoffer 2] raakte in paniek en wilde niet dat haar moeder werd aangesproken omdat ze bang was dat ze dan opnieuw zou worden geslagen. De enkele suggestie van de verdediging dat de getuige [slachtoffer 2] zou hebben beïnvloed en bij haar ‘het zaadje zou hebben gepland’ dat de verdachte haar met een pan heeft geslagen, vindt geen enkele steun in het dossier en is ook anderszins – mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het vastgestelde letsel – geenszins aannemelijk geworden. Naar het oordeel van het hof is daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van haar kind [slachtoffer 2] , door haar op het hoofd te slaan met een pan. Getuigenverzoek Afwijzing voorwaardelijk getuigenverzoek De raadsman heeft ter zitting in hoger beroep aan het slot van zijn pleidooi (voor het eerst) verzocht om de getuige [getuige 1] , de moeder van de verdachte, te mogen ondervragen ingeval het hof tot een bewezenverklaring zou komen. Aangezien het subsidiair tenlastegelegde feit bewezen wordt geacht, zal het hof dit verzoek beoordelen. Nu het getuigenverzoek tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gedaan, wordt het verzoek beoordeeld aan de hand van de maatstaf of het horen van de getuige noodzakelijk is. Die noodzaak ontbreekt onder andere wanneer het horen van de getuige niet van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. In zijn arrest van 20 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:576) heeft de Hoge Raad het geldende beoordelingskader uiteengezet met betrekking tot verzoeken om belastende getuigen te horen. Wanneer een verzoek ziet op het horen van een getuige die eerder een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, moet het belang van de verdachte bij het horen van deze getuige worden voorondersteld. Dat kan in bijzondere gevallen echter anders zijn, bijvoorbeeld ingeval de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan (vgl. ECLI:NL:HR:2021:576 rov 2.9.3). De bewijsoverweging zoals hiervoor is opgenomen houdt onder meer en kort gezegd in dat [slachtoffer 2] tegen een begeleider op haar school en tegen een medewerker van Veilig Thuis heeft verklaard dat zij door haar moeder op haar hoofd is geslagen met een pan. Ook heeft zij van het gebeuren een tekening gemaakt. Het letsel dat op het hoofd van [slachtoffer 2] is aangetroffen past naar het oordeel van het hof bij die gestelde toedracht terwijl de ouderdom van het letsel blijkens de geneeskundige verklaring goed aansluit bij het moment waarop dit zou zijn ontstaan (2 juli 2022). [persoon] staat het door de verdediging betwiste feit dat de verdachte haar dochter met een pan op het hoofd heeft geslagen, buiten redelijke twijfel vast op grond van de overige inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen – dus los van de verklaring van de getuige. Er is daarom niet voldaan aan het noodzakelijkheidscriterium zodat het hof het (voorwaardelijk) verzoek afwijst. Beoordeling eerlijk proces Het gebruik van de door de verdediging betwiste verklaring van getuige [getuige 1] voor het bewijs is naar het oordeel van het hof verenigbaar met het recht op een eerlijk proces. Daartoe overweegt het hof als volgt. Er is een goede reden waarom het getuigenverzoek wordt afgewezen, te weten dat, gelet op de bewijsvoering als geheel, de betwiste feiten en omstandigheden al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek (te weten: de overige bewijsmiddelen zoals die zullen worden opgenomen in de aanvulling op dit arrest in geval er cassatie wordt ingesteld en die hiervoor in de bewijsoverweging zijn besproken). Nu het hof ook zonder de verklaring van de getuige tot een bewezenverklaring had kunnen komen, berust de bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate op de verklaring van [getuige 1] en is het gebruik van deze verklaring voor het bewijs in overeenstemming met het recht op een eerlijk proces, ook al heeft de verdediging de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring niet kunnen onderzoeken door de getuige te horen. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat er, naast het steunbewijs, sprake is van compenserende factoren. Immers, de verdediging heeft (op haar verzoek) in eerste aanleg de getuige [getuige 2] (de broer van de verdachte en zoon van de getuige) gehoord en hem onder meer over de betrouwbaarheid van de getuige kunnen bevragen (bij dit verhoor was de raadsman aanwezig die ook in hoger beroep optreedt). Daarnaast heeft de getuige opnames gemaakt van gesprekken die zij met [slachtoffer 2] voerde kort nadat [slachtoffer 2] tegen haar had verklaard dat zij door de verdachte met een pan was geslagen. Deze gesprekken – waarin onder meer wordt gesproken over de gestelde mishandeling – zijn letterlijk uitgewerkt en behoren tot de processtukken. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het gebruik van de verklaring van [getuige 1] voor het bewijs verenigbaar is met het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op of omstreeks 2 juli 2022 te Amsterdam haar kind, genaamd [slachtoffer 1] (roepnaam: [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013), heeft mishandeld door met een pan te slaan op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] . Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: mishandeling, begaan tegen haar kind. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 34 uren subsidiair 17 dagen hechtenis voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van haar destijds achtjarige dochter door haar met een pan op haar hoofd te slaan. Hierdoor heeft [slachtoffer 2] niet alleen fysiek pijn ondervonden maar heeft zij ook psychisch een klap gekregen. Kindermishandelingen als de onderhavige hebben zeer vaak een grote psychische impact die lang doorwerkt. Kindermishandeling doet afbreuk aan het zelfvertrouwen en het gevoel van veiligheid van kinderen, terwijl kinderen zich juist bij hun ouders veilig zouden moeten voelen. De verdachte heeft hierop een grove inbreuk gemaakt. Het hof acht dit bijzonder kwalijk. Gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit is naar het oordeel van het hof het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd. Het hof houdt er echter rekening mee dat de mishandeling inmiddels drie jaren geleden heeft plaatsgevonden en er sindsdien het nodige is veranderd in het leven van de verdachte en haar dochter, die inmiddels bij haar oma woont. Zo is Veilig Thuis ingeschakeld, heeft de verdachte behandeling gevolgd bij Family Supporters en heeft zij hard gewerkt aan haar emotieregulatie/agressieprobleem en trauma. Uit het reclasseringsrapport leidt het hof af dat ze daarin grote stappen heeft gezet. Gelet hierop en om eraan bij te dragen dat de verdachte op deze weg doorgaat en ervan weerhouden wordt opnieuw haar kind te mishandelen, zal het hof volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 11 (elf) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, mr. T. de Bont en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. L.P. van Kessel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 oktober 2025. mr. B. de Wilde en mr. L.P. van Kessel zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.