GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/3459 23 december 2025 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: D. van der Locht van Previcus B.V.) tegen de uitspraak van 28 juni 2024 in de zaak met kenmerk AMS 23/151 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente [A] , de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 februari 2022 voor het kalenderjaar 2022 op de waardepeildatum 1 januari 2021 (hierna: de waardepeildatum) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [A] (hierna: de niet-woning) vastgesteld op € 5.478.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker bekend gemaakt. 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft in haar uitspraak als volgt beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ’eiseres’): “Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500,-; - veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 218,75.” 1.4. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 13 augustus 2024. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft gereageerd op het incidenteel hoger beroep. 1.6. Partijen zijn uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting op 25 november 2025. Op 24 november 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende het Hof en de heffingsambtenaar bericht dat er van de zijde van belanghebbende niemand aanwezig zal zijn. Daarvan op de hoogte gesteld, heeft de heffingsambtenaar verklaard af te zien van een onderzoek ter zitting. De heffingsambtenaar heeft het incidenteel hoger beroep op 25 november 2025 ingetrokken. Daarop heeft het Hof het onderzoek gesloten. 2Feiten De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld: “Feiten 1. Eiseres is gebruiker van de onroerende zaak. Het gaat om een winkelruimte in winkelcentrum [B] in [A] met een totale oppervlakte van 740 m².” 3Geschil in hoger beroep In hoger beroep is in geschil of de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden en of voor het instellen van beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht aan belanghebbende dient te worden vergoed. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft als volgt – ten aanzien van het geschil in hoger beroep – overwogen en beslist: “Wat vindt de rechtbank van deze zaak? (…) De op de zaak betrekking hebbende stukken 6. Eiseres voert aan dat zij in de bezwaarfase heeft verzocht om stukken over de onderbouwing van de huurwaarde. Deze stukken zijn pas met de bestreden uitspraak overgelegd. Deze stukken hadden op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ al eerder moeten worden overgelegd. 7. De heffingsambtenaar heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze grond pas op de zitting is aangevoerd en daarom door de rechtbank buiten beschouwing moet worden gelaten omwille van de goede procesorde. De rechtbank ziet niet in dat deze grond niet tijdig voor de zitting had kunnen worden aangevoerd. De heffingsambtenaar heeft zich op deze stelling niet voor hoeven bereiden en is door de late inbreng van de grond de mogelijkheid ontnomen om gedegen na te gaan hoe de uitwisseling van stukken in de bezwaarfase is verlopen. De beroepsgrond slaagt niet. WOZ-waarde (…) Immateriële schadevergoeding 12. Eiseres heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet. 13. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift, waarbij de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar is gesteld op zes maanden en voor de behandeling van het beroep op anderhalf jaar. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend (21 maart 2022) en loopt door tot de datum van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank doet vandaag in deze zaak uitspraak, zodat de behandeling in totaal en afgerond twee jaar en vier maanden heeft geduurd. Dat betekent dat de redelijke termijn met vier maanden is overschreden. 14. Wat betreft de hoogte van de schadevergoeding is de vergoedingsnorm € 500,- per (afgerond) half jaar overschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dan ook recht op een schadevergoeding van (1 x € 500,- =) € 500,-. Omdat de bezwaartermijn is overschreden met vier maanden zal de rechtbank de heffingsambtenaar veroordelen tot betaling van € 500,- aan eiseres als vergoeding van door hem geleden immateriële schade. Proceskostenvergoeding 15. De rechtbank ziet aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De vergoeding wordt vastgesteld op een totaalbedrag van € 218,75 (1 punt voor het verzoek, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor zeer licht, omdat de proceskostenvergoeding uitsluitend verband houdt met het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn [voetnoot 3: Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660 en van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526]. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. 16. Door eiseres is verzocht om wettelijke rente over de proceskostenvergoeding. De rechtbank zal dat toewijzen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan. Griffierecht 17. Omdat het beroep ongegrond is, hoeft de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht niet te vergoeden. 18. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn heeft eiseres gedaan gedurende het beroep, overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarvoor was eiseres geen griffierecht verschuldigd, wat volgt uit artikel 8:94, tweede lid, van de Awb. Voor het verzoek is dan ook geen griffierecht geheven, zodat geen sprake kan zijn van vergoeding daarvan.” 5Beoordeling van het geschil Griffierecht rechtbank 5.1. Belanghebbendes betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het griffierecht niet aan haar hoeft te worden vergoed, slaagt. Het Hof sluit aan bij hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 31 mei 2024, r.o. 7.1.1 en 7.1.2 (ECLI:NL:HR:2024:567) heeft overwogen: “7.1.1 Voor gevallen waarin de rechter het beroep, het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent, handhaaft de Hoge Raad niet langer zijn rechtspraak op grond waarvan het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende moet worden vergoed [voetnoot: Zie voor die rechtspraak HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.]. De heffing van griffierecht vindt plaats vanwege het instellen van beroep, hoger beroep of beroep in cassatie, en voor vergoeding daarvan door het bestuursorgaan bestaat alleen aanleiding indien dat beroep gegrond is en dus terecht is ingesteld, of indien het weliswaar ongegrond is maar is ingesteld als gevolg van een andere tekortkoming van dat bestuursorgaan. De Hoge Raad is thans van oordeel dat de aanleiding tot het vergoeden van griffierecht daarom niet kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de behandeling van het beroep, na het instellen daarvan, onredelijk lang heeft geduurd. Dit geldt zowel bij verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarop de met ingang van 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 Awb van toepassing is, [voetnoot: Vgl. ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1160, rechtsoverweging 6.1, en CRvB 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:102, rechtsoverweging 3.3.] als bij verzoeken om schadevergoeding waarop met overeenkomstige toepassing van het tot 1 juli 2013 geldende artikel 8:73 Awb wordt beslist. 7.1.2 De hiervoor in 7.1.1 weergegeven wijziging geldt niet voor zaken waarin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.