Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-002563-23 Datum uitspraak: 16 oktober 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 september 2023 in de strafzaak onder parketnummer 82-227638-22 tegen: [bedrijf] B.V., gevestigd te [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2025 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de vertegenwoordiger van de verdachte naar voren heeft gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 600,00, waarvan € 400,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde het alsnog openbaar maken van de jaarrekeningen over de boekjaren 2016, 2017, 2018 en
- Het hof begrijpt de vordering zo dat de verdachte, overeenkomstig het vonnis, wordt verplicht tot het openbaar maken van die jaarrekeningen op grond van artikel 8, aanhef en onder c, van de Wet op de economische delicten. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof: een door de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer bespreekt, zoals hieronder is weergegeven; de door de economische politierechter gebezigde bewijsmiddelen vervangt door de bewijsmiddelen die in het geval van cassatieberoep in een bij dit verkort arrest te voegen bijlage zijn vervat. Bespreking van een verweer De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (AVAS). Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij in 2017 is gestopt met zijn werk als advocaat, dat de verdachte slechts nog bestond om te voldoen aan de bewaarplicht voor advocaten, dat de registeraccountant die altijd de jaarrekeningen opmaakte in 2019 opeens was vertrokken, dat de vertegenwoordiger van de verdachte heeft getracht een nieuwe jaarrekening op te laten maken maar dat daar € 20.000,00 voor werd gevraagd, dat de verdachte geen schulden heeft nu de vertegenwoordiger die privé heeft betaald en dat de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst door hem zijn ingelicht over de situatie. Het hof acht daarmee niet aannemelijk geworden dat de verdachte alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd teneinde te voorkomen dat in strijd met artikel 394, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek de jaarrekening over 2019 niet tijdig openbaar werd gemaakt. Het vertrek van de registeraccountant was al in 2019 bekend, waardoor de verdachte nog ten minste een jaar de tijd had om de jaarrekening door een andere accountant of boekhouder op te laten stellen of – indien de daarmee gemoeide kosten te hoog werden geacht – om zelf de jaarrekening op te stellen en openbaar te maken. Die verplichting geldt ook indien de rechtspersoon geen andere activiteiten verricht dan het bewaren van dossiers. Dat de verdachte geen schulden heeft en de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst over de situatie zijn ingelicht, maakt dit niet anders. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar. BESLISSING Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M. Senden en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 oktober
- Mr. Beuze en mr. Gielen zijn niet in de gelegenheid dit arrest te ondertekenen.