← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2025:3770

Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-000583-25 Datum uitspraak: 16 oktober 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-301546-24 (zaak A) en 13-313936-24 (zaak B) tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] , adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2025 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Zaak A hij op of omstreeks 21 september 2024 te Amsterdam, althans in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad 3,962 kilo distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; Zaak B hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,956 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, nu het hof tot deels andere beslissingen komt. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de in de zaken A en B ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezenverklaard. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van beide ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken, omdat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte distikstofmonoxide aanwezig heeft gehad. De aangetroffen cilinders zijn niet door de politie onderzocht en het dossier bevat geen indicatieve testen of testen die door het NFI zijn uitgevoerd. Ook op basis van overige bevindingen kan dit niet worden vastgesteld. Oordeel van het hof Vrijspraak zaak A In de dossiers van beide zaken bevinden zich foto’s van de in beslag genomen Fastgasflessen. Het hof stelt vast dat op die foto’s in beide dossiers is te zien dat op de bovenkant van de fles het gewicht 3,8 kilogram is vermeld. In zaak A hebben verbalisanten gerelateerd dat het gewicht van een volle fles 3,8 kilogram betreft; in zaak B is gerelateerd dat een volle fles 5,8 kilogram weegt, terwijl in zowel zaak A als in zaak B is vermeld dat dergelijke flessen 2 kilogram lachgas bevatten. Dit zou betekenen dat in zaak B een fles van hetzelfde merk met eenzelfde inhoud aan gas, ineens 2 kilogram meer zou wegen, terwijl hier geen logische verklaring voor is gegeven. Het hof gaat er dan ook van uit dat het op de bovenkant van de fles in beide zaken vermelde gewicht van 3,8 kilogram het gewicht betreft van de lege cilinder (tarragewicht) en een gevulde fles – in ongebruikte toestand – in beide gevallen 5,8 kilogram weegt (gewicht lege fles van 3,8 kg + 2 kg gas), zoals vermeld in zaak B. Dit brengt met zich dat in zaak A, waar sprake was van flessen rond de 3,8 kilogram, vrijspraak moet volgen, nu de flessen kennelijk leeg waren. Bewijs zaak B Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde stelt het hof vast dat de verdachte op 1 oktober 2024 uit een voertuig stapte, in welk voertuig drie flessen van het merk Fastgas werden aangetroffen – twee op de bijrijdersstoel en één op de achterbank – welke flessen één van de verbalisanten ambtshalve bekend waren als lachgasflessen. In het voertuig lagen verder tientallen gebruikte ballonnen verspreid over de bestuurdersstoel, de bijrijdersstoel en de achterbank. Een volle lachgasfles met inhoud weegt 5,8 kilogram en bevat 2 kilogram lachgas. De drie lachgasflessen hadden een gewicht van 5,352, 3,864 en 4,140 kilogram. Uitgaande van een gewicht van een lege fles van (5,8 – 2 =) 3,8 kilogram, bevatten de drie flessen derhalve (5,352 – 3,8) + (3,864 – 3,8) + (4,140 – 3,8) = 1,956 kilogram lachgas. Ten aanzien van deze zaak geldt verder dat de politie ter plaatse is gekomen naar aanleiding van een melding dat een man lachgas aan het gebruiken was, welke melding bevestiging vindt in de aangetroffen situatie ter plaatse (de verdachte wordt immers aangetroffen in/bij zijn auto met daarin lachgasflessen met gebruikte ballonnen), terwijl bovendien de flessen van het merk Fastgas het opschrift ‘Nitrous Oxide’ (distikstofmonoxide of lachgas) vermelden. Daarnaast heeft de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in de periode van de ten laste gelegde feiten verslaafd was aan lachgas, gebruik maakte van dezelfde soort flessen als de flessen die in zijn auto zijn aangetroffen en dat hij maar één soort fles gebruikte, namelijk Fastgas. Bij die stand van zaken ziet het hof geen enkel aanknopingspunt voor de blote stelling van de verdediging, dat de inhoud van de bij de verdachte aangetroffen flessen een andere betrof dan die op het opschrift stond vermeld (nitrous oxide, lachgas). Het dossier noch hetgeen de verdediging heeft aangevoerd biedt daarvoor een begin van aannemelijkheid. Het hof acht op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden dan ook bewezen dat de bij de verdachte aangetroffen flessen gevuld waren met lachgas. Gelet op het voorgaande is een (indicatieve) test niet nodig. Het verweer wordt verworpen en het hof acht het in de zaak B tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak B hij op 1 oktober 2024 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,956 kilogram distikstofmonoxide (lachgas). Hetgeen in zaak B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals weergegeven in de bij dit arrest middels verwijzing in de noten opgenomen bewijsmiddelen. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak B bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in de zaken A en B bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijk kortdurende opname, meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan begeleiding vanuit de gemeente. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in de zaken A en B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken, met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de politierechter zijn opgelegd. De raadsman heeft verzocht geen straf of maatregel op te leggen, nu geen sprake zou zijn van een grote hoeveelheid lachgas, een terugval bij een verslaving hoort en een taakstraf bij een eventuele terugval voor de verdachte minder ingrijpend zal zijn dan de door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft flessen lachgas bij zich gehad, een verboden middel dat ernstige gezondheidsklachten tot gevolg kan hebben en welk gebruik vaak overlast veroorzaakt, ook door het achterlaten van lege cilinders en/of gebruikte ballonnen op straat. Het hof rekent dit de verdachte aan. Uit het strafblad van de verdachte van 16 september 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De verdachte lijkt gemotiveerd om zijn leven te verbeteren en heeft daartoe ook al concrete stappen gezet. Hij heeft vrijwillig hulp gezocht bij een verslavingskliniek en heeft sinds mei/juni 2025 geen lachgas meer gebruikt. Daarnaast heeft hij schuldhulpverlening en een bewindvoerder. Het hof acht een stok achter de deur echter noodzakelijk. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 30 uren waarvan 15 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, passend en geboden. Het hof ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding geen straf of maatregel op te leggen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-301546-24 (zaak A) tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-313936-24 (zaak B) tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-313936-24 (zaak B) bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 15 (vijftien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. 1Meldplicht bij de reclassering De veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 2] tussen 9:00 en 12:00 uur. 2Ambulante behandeling met mogelijk kortdurende opname De veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door de forensische Ambulante Zorg van Inforsa op het adres [adres 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien sprake is van een terugval in middelengebruik of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/ observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. 3Meewerken aan schuldhulpverlening De veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. 4Meewerken aan begeleiding vanuit de gemeente De veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan de begeleiding vanuit de gemeente (Buurtteam) of een soortgelijke instelling. Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M. Senden en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 oktober 2025. Mr. Beuze en mr. Gielen zijn niet in de gelegenheid dit arrest te ondertekenen. Proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2024, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (procesdossier B, p. 5-6 van 43). Zaak B: proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2024, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (procesdossier B, p. 5 van 43). Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.