afdeling strafrecht parketnummer: 23-000604-25 datum uitspraak: 5 november 2025 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 4 maart 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-397795-24 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1982, adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing ten aanzien van de vordering benadeelde partij -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd-, en met dien verstande dat het hof de toepasselijke wetsartikelen aanvult met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht; de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen aanvult in een aanvulling op dit arrest indien cassatie wordt ingesteld. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de politierechter een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken opgelegd, en daar bijzondere voorwaarden aan verbonden en deze dadelijk uitvoerbaar verklaard. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd een vrijheidsbenemende maatregel op te leggen in de vorm van een contact- en gebiedsverbod en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vriendin. Zij is door hem onder meer van de bank getrokken, met een vuist geslagen in haar gezicht en door de woning gesleept, terwijl hun zoontje van 2 jaar oud aanwezig was. Het hof kent groot gewicht toe aan het belang dat het slachtoffer zich veilig moet kunnen voelen in haar eigen woning. Het feit dat zelfs de aanwezigheid van het jonge zoontje de verdachte niet heeft weerhouden van zijn gedragingen, weegt het hof sterk in het nadeel van de verdachte mee. De verdachte heeft met zijn handelen een angstige en verdrietige situatie voor het slachtoffer en hun zoontje geschapen. Bij de strafoplegging neemt het hof tot uitgangspunt dat sprake was van relationeel geweld gelet op de zekere hechtheid die toen tussen de verdachte en het slachtoffer bestond en de onvermijdelijke band die zij door hun zoontje samen zullen behouden. Het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is voor het slachtoffer beangstigend geweest, wat ook blijkt uit hetgeen haar raadsvrouw namens haar ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Het hof weegt ten nadele van de verdachte ook mee dat de verdachte voorafgaand aan het feit eerder voor een soortgelijk feit strafrechtelijk is veroordeeld. Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Gelet op de ernst van het feit en de recidive acht het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf van 12 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk, passend en geboden. Vrijheidsbenemende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht Het hof ziet aanleiding om de door de advocaat-generaal gevorderde maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, gelet op de aanhoudende spanningen tussen de verdachte en het slachtoffer. Het hof betrekt hierbij dat de verdachte geen verantwoordelijkheid voor zijn gedragingen heeft genomen en daarmee anderen niet het vertrouwen heeft gegeven dat hij in positieve zin lering heeft getrokken uit de opgelegde straffen die hem in het verleden zijn opgelegd. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt bovendien dat de verdachte het contactverbod met het slachtoffer meerdere keren heeft overtreden waardoor het voorwaardelijke deel van de in eerste aanleg opgelegde straf inmiddels is uitgezeten. Het hof acht dit zeer zorgwekkend. Gelet op dit alles overweegt het hof dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer, tevens moeder van hun zoon.. Ter voorkoming van strafbare feiten, zal het hof een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, zoals bedoeld in artikel 38v Sr, opleggen voor de duur van drie jaren, inhoudende een gebiedsverbod en een contactverbod met het slachtoffer. Het hof zal bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. Voorts zal het hof bevelen dat voormelde maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 967,99 ingediend tegen de verdachte wegens materiële- en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit een ringdeurbel, die zij heeft aangeschaft om haar gevoelens van angst en onveiligheid te verminderen (€ 117,99) en smartengeld (€ 850,-). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat conform de politierechter moet worden beslist ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard gelet op het vrijspraakverweer. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Vergoeding materiële schade Het hof is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De benadeelde was erg bang geworden door de confrontatie met de verdachte in haar huis en durfde niet meer alleen thuis te zijn. Als gevolg van de angstgevoelens heeft de benadeelde een beveiligingscamera aangeschaft om haar gevoel van onveiligheid te verminderen. Het hof concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade volledig moet worden toegewezen. Het hof stelt vast dat blijkens de vordering van de benadeelde partij de materiële schade is ingetreden op 10 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.