afdeling strafrecht parketnummer: 23-001697-24 datum uitspraak: 17 november 2025 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-337862-21 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1978, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en het slachtoffer naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd –, en met dien verstande dat het hof de toepasselijke wetsartikelen aanvult met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de politierechter een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het bewezenverklaarde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. De raadsman heeft het hof verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte een aantal zware jaren heeft gehad als gevolg van zijn neuskanker. Die is in remissie, maar hij moet binnenkort nog behandelingen ondergaan. De raadsman heeft – gelet op de persoonlijke omstandigheden en het tijdsverloop – primair verzocht om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen. Een strafoplegging zou niet doelmatig noch proportioneel zijn gelet op zijn persoonlijke omstandigheden. De verdachte is detentieongeschikt en kan geen taakstraf uitvoeren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin nadat zij was vergeten om olie voor de auto te kopen. Zij is door de verdachte met kracht naar achteren geduwd, waardoor zij met haar hoofd tegen de muur aan kwam. De verdachte heeft door zijn handelen letsel en pijn toegebracht aan het slachtoffer en daarmee een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. De mishandeling vond plaats in haar woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig en geborgen zou moeten voelen. Voor het slachtoffer moet dit een angstige situatie zijn geweest. Gelet op de ernst van het feit zou een onvoorwaardelijke straf in beginsel geïndiceerd zijn. Het hof heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken, en houdt daarmee rekening bij de strafoplegging. Ook weegt het hof het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit mee en hetgeen het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep heeft opgemerkt over de veranderde situatie tussen haar en de verdachte. Het slachtoffer woont bij de verdachte en verzorgt hem. Zij hebben veel gesprekken gehad, ook over het bewezenverklaarde, en het gaat, naar haar zeggen, goed tussen hen. Gelet op het voornoemde ziet het hof reden om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De ernst van het feit maakt dat daarbij niet kan worden volstaan met een voorwaardelijke taakstraf en ook niet met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken. Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. M.J.A. Duker en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 november 2025. mr. B. de Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. ========================================================================= […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.